Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF3589

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2002
Datum publicatie
29-01-2003
Zaaknummer
01/4406 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/4406 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen-en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 28 juni 2001, kenmerk JZ/E/2001/416, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift heeft mr. drs. C. Lamphen, advocaat te Utrecht, als gemachtigde van eiser uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 november 2002, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. drs. C. Lamphen voornoemd, en waar verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door C.J. van der Zaan, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren in december 1924, is erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Bij besluit van 11 augustus 1988 is aan eiser, omdat hij in verband met zijn oorlogsletsel (amputatie van het rechteronderbeen) voor het onderhouden van sociale contacten was aangewezen op vervoer per taxi, met toepassing van artikel 32, tweede lid, van de Wet een taxikostenvergoeding verleend welke hij ook kon gebruiken ter bestrijding van de kosten bij het gebruik van zijn eigen auto.

Eiser heeft in juni 1999 bij verweerster een aanvullende aanvraag ingediend om uitbreiding van de hem toegekende voorziening voor vervoer voor het onderhouden van sociale contacten. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij op jaarbasis globaal 23.000 kilometers (km) rijdt, waarvan in het kader van de behandelingen met betrekking tot zijn prothesevoorziening ongeveer 2.240 km, dus voor het onderhouden van sociale contacten 20.000 km, hetgeen aanzienlijk meer is dan de 3.000 kilometer waarop, aldus eiser, de taxikostenvergoeding is gebaseerd.

Verweerster heeft die aanvraag bij besluit van 26 oktober 2000 afgewezen op de grond dat de bij de beschikking van 11 augustus 1988 toegekende vergoeding toereikend is ter bestrijding van de extra noodzakelijke kosten in verband met eisers oorlogsinvaliditeit voor het onderhouden van zijn sociale contacten.

Verweerster heeft dit standpunt na gemaakt bezwaar bij het bestreden besluit gehandhaafd. Wel heeft verweerster eiser ingaande 1 januari 2001 een tegemoetkoming verleend in de kosten verbonden aan deelname aan het maatschappelijk verkeer, waarbij wordt uitgegaan van een genormeerd bedrag van f 100,-- (thans € 45,38) per maand met ingang van genoemde datum, waarbij rekening is gehouden met de reeds verleende vergoeding voor vervoer voor het onderhouden van sociale contacten.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerster ten onrechte en zonder dat daaraan een andere medische beoordeling ten grondslag is gelegd afgeweken is van het naar aanleiding van de aanvraag gegeven advies van haar geneeskundig adviseur om een uitbreiding te geven van 4.500 km op jaarbasis. Aangegeven wordt dat eiser toenemende klachten ondervindt van zijn oorlogsletsel en voor elke verplaatsing buitenshuis is aangewezen op vervoer per auto. Voorts wordt aangevoerd dat bij eiser een verhoogde vervoersbehoefte bestaat, ook vanwege zijn werk ten behoeve van de "Belangengroep geïnvalideerd teruggekeerde dwangarbeiders".

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

In zijn advies van 14 februari 2000 is de geneeskundig adviseur van verweerster,

P. Windels, tot de conclusie gekomen dat eiser gezien de bestaande mobiliteits-beperkingen op grond van het oorlogsletsel is aangewezen op uitbreiding van het normaal aantal toe te kennen kilometers per jaar met 4.500 km. Genoemde arts is daarbij uitgegaan van het gegeven dat eiser ongeveer 20.000 km per jaar rijdt, dus duidelijk meer dan de gemiddelde autogebruiker, dat het normaal vastgesteld gebruik 11.000 km per jaar is en dat de reeds toegekende vergoeding voor ongeveer 4.500 km toereikend is.

Verweerster begrijpt, zoals ter zitting namens haar is bevestigd, eisers werkzaamheden ten behoeve van de "Belangengroep geïnvalideerd teruggekeerde dwangarbeiders" onder het onderhouden van sociale contacten. Hoewel in het verweerschrift namens verweerster is opgemerkt dat van een medische noodzaak voor het maken van de extra km in verband met de daarmee samenhangende extra behoefte aan vervoer geen sprake is, heeft verweersters gemachtigde ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat ervan moet worden uitgegaan dat het rijden van 20.000 km per jaar voor het onderhouden van sociale contacten voor eiser als medisch noodzakelijk moet worden beschouwd.

Krachtens het sedert 1998 in deze door zowel verweerster als de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad gevoerde beleid, dat door de Raad in vaste jurisprudentie als niet onredelijk is aanvaard, wordt als norm voor de toekenning van een vergoeding of tegemoetkoming in de kosten van gebruik van de eigen auto een bedrag toegekend van

f 166, -- per maand (thans € 75,33). Daarbij wordt uitgegaan van een gemiddeld privé- gebruik van 14.000 km per jaar en 5.000 km per jaar aan extra kosten tengevolge van het oorlogsletsel, dus in totaal 19.000 km.

Uitgaande van een medische noodzaak voor het rijden van 20.000 km op jaarbasis kan de toegekende vergoeding derhalve niet toereikend worden geacht.

In bovengenoemd verweerschrift is nog opgemerkt dat eiser tevens een vergoeding krijgt van het Berufsgenossenschaft voor nog eens ruim 2.200 km. Verweerster gaat er daarbij echter ten onrechte aan voorbij dat het hier een vergoeding betreft van vervoer voor respectievelijk behandeling in verband met en onderhoud van de prothese van eiser, dus kosten van medisch vervoer, welke uitdrukkelijk niet begrepen waren in de ongeveer 20.000 km welke eiser als benodigd voor sociaal vervoer heeft opgegeven.

Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit geen stand houden, zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze zijn begroot op € 644,- als kosten voor verleende rechtsbijstand en € 51,71 als door eiser gemaakte reiskosten, totaal € 695,71.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser ad € 695,71, te betalen aan eiser door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Bepaalt dat het betaalde griffierecht ad € 27,23 door de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiser wordt vergoed.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 december 2002.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A. Kovács.

HD

10.12