Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF3564

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2002
Datum publicatie
29-01-2003
Zaaknummer
00/2593 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/2593 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 28 maart 2000, kenmerk JZ/X/2000/79, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiseres uiteengezet waarom zij zich niet met het besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 12 september 2000 en 26 september 2000 heeft eiseres enkele nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 14 november 2002. Aldaar is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot G.A.J. Lemmens. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, die [in] 1943 in het voormalige Nederlands-Indië is geboren, heeft in juni 1987 bij de rechtsvoorganger van verweerster een verzoek ingediend om, onder meer, te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Bij besluit van 16 april 1992 heeft verweerster eiseres erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en haar met ingang van 1 juni 1987 een toeslag toegekend als bedoeld in artikel 19 van de Wet. Daarbij is aanvaard dat er bij eiseres sprake is van psychisch letsel ten gevolge van haar oorlogservaringen dat heeft geleid tot blijvende invaliditeit.

In augustus 1994 heeft eiseres verweerster verzocht om vergoeding van de kosten verbonden aan een therapeutische reis naar het graf van haar vader in Thailand, die daar op 23 september 1943 is omgekomen.

De aanvraag is afgewezen bij besluit van 23 februari 1995, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 18 juli 1996, op de grond dat er geen medische indicatie was voor de gevraagde reis naar Thailand.

Bij uitspraak van 6 maart 1997, 96/8142 WUBO, heeft de Raad het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Raad heeft zich hiertoe gebaseerd op het schrijven van 3 december 1994 van de eiseres behandelend psychotherapeut

Th.J.G. Dekkers waaruit blijkt dat deze een leedverwerkingsreis destijds voor eiseres in psychotherapeutische zin uiterst nuttig en nodig oordeelde, maar daarbij tegelijkertijd aangaf dat eiseres ten tijde van haar aanvraag nog niet zover in therapie was gevorderd dat zij toe was aan effectuering van een dergelijke reis.

In februari 1999 heeft eiseres verweerster wederom verzocht om een vergoeding van de kosten van een rouwverwerkingsreis naar het graf van haar vader in Thailand.

Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 27 september 1999, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat de reis niet plaatsvindt ter afronding van een psychotherapeutische behandeling.

Eiseres heeft in beroep gesteld dat er sprake is van een tweesporen therapie die enerzijds bestaat uit rouwverwerking en anderzijds uit behandeling van de bij haar aanwezige borderlineproblematiek. De door haar gewenste reis dient ter afronding van de behandeling vanwege rouwverwerking waardoor er meer ruimte vrijkomt om aan de borderlineproblematiek te werken.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is met verweerster van oordeel dat de aard van de onderwerpelijke voorziening

- een als therapeutisch bedoelde reis naar het graf van de vader van eiseres in Thailand - met zich brengt dat deze slechts kan worden verleend met toepassing van artikel 32 van de Wet, met andere woorden voor de voorziening dient een medische noodzaak te bestaan. Verweerster stelt zich op het standpunt dat van een medische noodzaak slechts sprake zal zijn indien de reis in het kader van een behandelplan en als afsluiting van de behandeling door de behandelaar is geadviseerd.

De Raad heeft die uitgangspunten, gelet op de aard van de voorziening en ook op de hoge daarmee gemoeide kosten, in eerdere rechtspraak niet onjuist of onredelijk geoordeeld.

De Raad is met verweerster van oordeel dat in casu geen sprake is van een reis die als afsluiting van een behandeling door de behandelaar is geadviseerd. In dit verband kan ook de Raad zich verenigen met het standpunt van de geneeskundig adviseur H.P.J. Bonarius van 14 februari 2000, inhoudende dat het aanbrengen van een splitsing door de pychotherapeut Dekkers tussen de rouwverwerking en de borderlinestoornis nogal gekunsteld overkomt evenals de bewering dat ten aanzien van het rouwproces nu een stadium is bereikt dat kan worden gesproken van een hiërarchisch eindpunt in de behandeling. Ook door Dekkers wordt erkend dat de totale behandeling nog lang niet in een stadium is beland waarin kan worden gesproken van een afbouwing of een hiërarchisch eindpunt.

Aan de Raad is voorts niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerster in casu van haar hiervoor vermelde uitgangspunten zou moeten afwijken. Verweerster heeft dan ook terecht en op goede gronden geweigerd eiseres ingevolge de Wet een vergoeding voor de onderwerpelijke reis te verlenen.

Gezien het vorenstaande dient het beroep van eiseres ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter, en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 december 2002.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

09.12