Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF3454

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2002
Datum publicatie
07-02-2003
Zaaknummer
00/6155 AW, 00/6157 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel I-H3
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel I-H4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2003/91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/6155 AW+ 00/6157 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellante heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 oktober 2000, nrs. SBR 99/1032 en SBR 99/2112, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nog nadere stukken ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 november 2002, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.L. de Mol, werkzaam bij Fodio, bureau voor onderwijsrecht. Gedaagde heeft zich, met kennisgeving, niet laten vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Aan appellante, geboren in 1937 en werkzaam in het hoger beroepsonderwijs, is per 1 januari 1990 op haar verzoek ontslag verleend, met gebruikmaking van de zogeheten 50+ regeling. Bij besluit van 12 december 1989 is haar met ingang van de ontslagdatum een wachtgeld toegekend, waarbij duur en percentages zijn vastgesteld overeenkomstig de regeling neergelegd in artikel 12, tweede lid, van het Besluit van 16 oktober 1987, houdende een regeling voor de gevolgen van de inwerkingtreding van de Wet op het hoger beroepsonderwijs voor het personeel, Invoeringsbesluit voor h.b.o.-personeel (Stb.1987, 479; hierna: Invoeringsbesluit). In het toekenningsbesluit is voorts vermeld dat appellantes wachtgeld met toepassing van artikel I-H3, derde lid, van het Rechtspositie-besluit onderwijspersoneel (Rpbo) wordt verlengd van 30 oktober 1998 tot 1 juni 2002 en dat zij over de hoogte van het verlengde wachtgeld te zijner tijd nader wordt geïnformeerd. Dit besluit is rechtens onaantastbaar geworden.

1.3. Bij besluit van 23 november 1998 is appellante meegedeeld dat de hoogte van het verlengde wachtgeld is vastgesteld op ƒ 1.227,32 bruto per maand, zijnde het pensioenbedrag dat appellante zou hebben ontvangen als zij op de ontslagdatum de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bereikt. In het eerste jaar van de bijzondere verlenging had appellante recht op een bedrag gelijk aan 40% van haar laatstelijk genoten bezoldiging (LGB). Dit besluit is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 13 april 1999.

1.4. De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

2. In hoger beroep heeft appellante haar grieven onverkort gehandhaafd. Deze komen er, kort samengevat, op neer dat zij ten tijde van de ontslagaanvraag in het gerechtvaardigde vertrouwen verkeerde dat zij gedurende de periode van verlengd wachtgeld mocht rekenen op een bedrag ter hoogte van 70% van haar LGB, welk vertrouwen appellante hoofdzakelijk ontleende aan de tekst van de van gedaagde afkomstige circulaire DI/AB 151.343 van 8 april 1986 (Sociaal Beleidskader HBO) en de brief van de toenmalige Minister aan de colleges van bestuur van de hogeschool van 29 september 1989, waarbij die regeling werd uitgebreid tot 50-plussers. Ter zitting is aanvullend nog betoogd dat gedaagde bij het tot stand brengen van het Invoeringsbesluit te kort is geschoten in de vereiste belangenafweging, nu inbreuk wordt gemaakt op de rechtszekerheid van al diegenen die ontslag namen in de veronderstelling recht te hebben op een verlengd wachtgeld ter hoogte van 70% van hun LGB.

3.1. De Raad volgt appellante niet in haar standpunt. Anders dan appellante meent is niet de hiervoor genoemde circulaire maatgevend voor appellantes rechten, maar het daarop gevolgde - van hogere orde zijnde - Invoeringsbesluit. Artikel 12, tweede lid, van dat Invoeringsbesluit voorziet, in afwijking van het bepaalde in artikel I-H4, eerste lid, van het Rpbo, in hogere percentages en een langere duur van het wachtgeld, maar die afwijking strekt zich niet mede uit tot het derde lid van artikel I-H4, waarin de hoogte van het bijzondere verlengde wachtgeld is geregeld. Dit betekent dat dit artikellid onverkort op de berekening van de hoogte van het verlengde wachtgeld van appellante van toepassing is, zoals bij het bestreden besluit ook is geschied.

3.2. De Raad onderkent dat het Invoeringsbesluit op dit punt afwijkt van hetgeen in de circulaire was vermeld, doch hij is van oordeel dat het op de weg van appellante lag zich voldoende op de hoogte te stellen van haar rechten alvorens om ontslag te verzoeken. Daarbij wijst de Raad er op dat het Invoeringsbesluit al ruim twee jaar van kracht was toen appellante haar ontslag aanvroeg. Door (slechts) af te gaan op hetgeen in de circulaire uit 1986 was vermeld heeft appellante een risico genomen dat voor haar rekening dient te blijven.

3.3. De brief van de HBO-Raad van 29 september 1989 met daarbij gevoegd de brief van gedaagde van dezelfde datum, waarbij de 50+ regeling werd aangekondigd, maakt dit niet anders. Daarin is immers aangegeven dat "de (50+)regeling gelijk is aan de thans in het hbo geldende 55+ regeling". Daarmee kan in het licht van de destijds geldende regelgeving niet anders zijn bedoeld dan de regeling neergelegd in het Invoeringsbesluit.

3.4. De toelichting op appellantes aanvraagformulier van haar werkgever, die verwijst naar de circulaire - en niet naar het Invoeringsbesluit - kan uiteraard niet tot gevolg hebben dat gedaagde gehouden was af te zien van toepassing van de geldende algemeen verbindende voorschriften.

3.5. De Raad is voorts van oordeel dat appellante aan het toekenningsbesluit van 12 december 1989 ten onrechte de verwachting heeft ontleend dat haar verlengde wachtgeld 70% van de LGB zou bedragen. Dat besluit biedt daarvoor geen enkel aanknopingspunt. In dat besluit is immers uitdrukkelijk vermeld dat over de hoogte van het verlengde wachtgeld nog nadere informatie zou volgen. Indien appellante meende dat zij in aanmerking kwam voor 70% van haar LGB had het voor de hand gelegen in rechte op te komen tegen dat besluit dan wel ten minste informatie in te winnen over een en ander. Appellante heeft dat nagelaten.

3.6. Gelijk de Raad eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 3 mei 2002, nummers 00/2029 AW, 00/2030 AW, 00/2382 AW en 00/2383 AW, kon appellante ook aan gedaagdes algemeen verspreide brief van juni 1996 niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat haar blijvend een wachtgelduitkering van 70% van haar LGB zou worden toegekend. Naar de Raad in die uitspraak heeft overwogen werd in die brief slechts een uiteenzetting gegeven over de voorgenomen beperking van de nadelige gevolgen per 1 januari 1996 van de nieuwe regels van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel. Dit geldt evenzeer voor de daarop gevolgde brief van 6 september 1996, gericht aan appellante persoonlijk.

3.7. De Raad is tot slot van oordeel dat gedaagde met (artikel 12, tweede lid, van) het Invoeringsbesluit niet een regeling heeft getroffen waaraan zodanig ernstige feilen kleven dat dit voorschrift niet ten grondslag mocht worden gelegd aan het in geding zijnde besluit. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat dit voorschrift een gunstige wachtgeldregeling behelst en dat niet valt in te zien waarom die regeling zich ook nog zou dienen uit te strekken tot de periode van het verlengde wachtgeld in gevallen zoals die van appellante, waarin sprake is van een relatief korte diensttijd (van 13 jaar).

4. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, waarbij de onverkorte toepassing van artikel I-H3, vierde lid, in verbinding met artikel I-H4, derde lid, van het Rpbo is gehandhaafd, door de rechtbank terecht in stand is gelaten.

De uitspraak - voorzover aangevochten - dient dan ook te worden bevestigd.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2002.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.J.W. Loots.