Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF3428

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2002
Datum publicatie
28-01-2003
Zaaknummer
00/3728 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/3728 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

de erven en/of rechtverkrijgenden van [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbend te [woonplaats], gedaagden.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 28 januari 1998 heeft appellant geweigerd aan mevrouw [betrokkene] (hierna: betrokkene) een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat zij niet gedurende een wachttijd van 52 weken arbeidsongeschikt is geweest als gevolg van ziekte of gebrek.

Namens betrokkene heeft mr. C.M. Galenkamp-Bolt, werkzaam bij het Gereformeerd Maatschappelijk Verbond van Werknemers te Zwolle, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 26 januari 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 22 juni 2000 het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat betrokkene geen recht heeft op uitkering ingevolge de WAO, nu zij op 1 september 1997 en gedurende 52 onafgebroken weken daarna niet wegens een ziekte of gebrek arbeidsongeschikt is en dat die uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Voorts is daarbij appellant (in die procedure verweerder) veroordeeld tot het vergoeden van proceskosten en griffierecht aan betrokkene.

Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 11 september 2001, waar partijen niet zijn verschenen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Op 25 oktober 2002 is bij de Raad het bericht binnengekomen dat betrokkene is overleden. Mr. S. de Wit-de Groot, werkzaam bij het Gereformeerd Maatschappelijk Verbond te Zwolle, heeft zich als gemachtigde van de vader van betrokkene gesteld.

Het geding is opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 12 november 2002, waar partijen, appellant met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Betrokkene is jarenlang werkzaam geweest als leerkracht op een basisschool en is uitgevallen met psychische klachten. Naar het oordeel van de verzekeringsarts is er echter geen sprake van ziekte of gebrek in de zin van de WAO, zodat de toekenning van een WAO-uitkering is geweigerd.

Nadat in het kader van de bezwaarprocedure een hoorzitting heeft plaatsgevonden, is op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts een advies uitgebracht door de zenuwarts/neuroloog/psychiater C.J.F. Kemperman.

In diens rapport van 16 december 1998 heeft Kemperman geconcludeerd dat er bij betrokkene sprake is van lichte spannings-, angst- en stemmingsklachten die gefundeerd zijn op een kwetsbare persoonlijkheidsstructuur. In verband hiermede kunnen, aldus Kemperman, lichte beperkingen op psychisch gebied worden geformuleerd. Voorts kan men spreken over een deels in remissie gegane aanpassingsstoornis niet gespecificeerd, die geënt is op een lichte persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven. De bezwaarverzekeringsarts heeft hieruit de conclusie getrokken dat vanuit medisch oogpunt bezien het bestreden besluit in stand kan blijven.

In beroep is namens betrokkene aangevoerd dat appellant bij het nemen van het bestreden besluit gehandeld heeft in strijd met het bepaalde in artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door haar niet opnieuw in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord nadat het rapport van Kemperman was uitgebracht.

De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant artikel 7:9 Awb heeft geschonden, omdat het rapport van Kemperman van aanmerkelijk belang is geweest voor het bestreden besluit en heeft daarom het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank echter bepaald dat betrokkene geen recht heeft op een WAO-uitkering, omdat de bij haar geconstateerde persoonskenmerken niet op een lijn kunnen worden gesteld met een psychische ziekte of een psychisch gebrek. Betrokkene is tegen die uitspraak niet in hoger beroep gekomen.

Nu betrokkene niet zelf in hoger beroep is gekomen komt de Raad niet toe aan een oordeel over de vraag of terecht is geweigerd om aan betrokkene een WAO-uitkering toe te kennen. Het geding in hoger beroep beperkt zich derhalve tot het -door appellant bestreden- oordeel van de rechtbank dat artikel 7:9 van de Awb is geschonden.

In artikel 7:9 Awb is bepaald dat wanneer na het horen van de belanghebbenden aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan de belanghebbenden wordt medegedeeld en dat zij in de gelegenheid worden gesteld daarover te worden gehoord.

Appellant heeft aangevoerd dat een expertiseverslag waarin een reeds eerder ingenomen standpunt slechts wordt bevestigd, niet kan worden gekwalificeerd als een feit of omstandigheid die voor de op het bezwaarschrift te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kon zijn. Appellant heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de Raad van

30 juni 2000, nr. 97/11404.

De Raad onderschrijft het door appellant ingenomen standpunt dat het rapport van Kemperman, gelet op de inhoud en de conclusies, niet een feit of omstandigheid is als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb, waarover betrokkene opnieuw had moeten worden gehoord.

De rechtbank is derhalve ten onrechte overgegaan tot vernietiging van het bestreden besluit op deze grond. De aangevallen uitspraak kan daarom niet in stand blijven.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 december 2002.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.