Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF3226

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
22-01-2003
Zaaknummer
01/4276 WW
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2003, 79
AA20030867 met annotatie van J. Riphagen
USZ 2003/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/4276 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant is mr. R.Ph. de Quay, advocaat te Nijmegen, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Arnhem op 28 juni 2001 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarbij het beroep tegen het door gedaagde op bezwaar gegeven besluit van 22 september 1999 (het bestreden besluit) ongegrond is verklaard.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 september 2002, waar namens appellant is verschenen mr. De Quay, voornoemd, en waar gedaagde zich -met voorafgaand bericht- niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

In geding is de lengte van de fictieve opzegtermijn als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Werkloosheidswet (WW), zoals dat artikel sedert 1 januari 1999 als gevolg van de invoering van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid luidt.

Gedaagde is op 1 september 1971 in dienst getreden van [werkgever] te [vestigingsplaats] (hierna: de werkgever). Bij beschikking van 30 december 1998 heeft de kantonrechter te Zwolle op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst van appellant ingaande 1 april 1999 ontbonden onder toekenning aan appellant van een vergoeding van f 530.000,-- bruto ten laste van de werkgever.

Naar aanleiding van de aanvraag om een WW-uitkering van appellant heeft gedaagde na bezwaar van gedaagde bij het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat voor de vaststelling van de lengte van de fictieve opzegtermijn uitgegaan moet worden van de algemeen verbindend verklaarde Collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) voor de Handel in Bouwmaterialen 1998/1999, waarvan artikel 28 -voor zover van belang- luidt:

"1. De arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt beëindigd door opzegging a. door de werkgever met een termijn van ten minste zoveel weken als de arbeidsovereenkomst na de meerderjarigheid van de werknemer gehele jaren heeft geduurd, met een minimum van 1 week en een maximum van 13 weken; (…)

5. Opzegtermijnen oudere werknemers: de opzegtermijn, die de werkgever overeenkomstig lid 1a in acht moet nemen, wordt verlengd met een week voor elk vol jaar dat de werknemer na het bereiken van de leeftijd van 45 jaar in dienst is geweest; de duur van de verlenging is maximaal 13 weken. (…)

6. Voor zover de eerste 5 leden van dit artikel in strijd komen met de bepalingen van het B.W. gaan de bepalingen van het B.W. voor.".

Aangezien appellant meer dan 13 jaar, waarvan 12 jaar na zijn vijfenveertigste verjaardag, bij de werkgever in dienst is geweest, hetgeen ingevolge het vijfde lid van voormelde CAO-bepaling tot een opzegtermijn van 13 + 12 = 25 weken leidt en derhalve een termijn oplevert die langer is dan de opzegtermijn krachtens het vanaf 1 januari 1999 geldende artikel 7:672, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), zijnde 4 maanden, heeft gedaagde bij het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat de door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn 25 weken bedraagt. Gedaagde heeft daarbij in aanmerking genomen dat het vijfde lid van artikel 7:672 van het BW schriftelijke verlenging van de door de werkgever krachtens het tweede lid in acht te nemen opzegtermijn moge-lijk maakt. Op de aldus vastgestelde termijn is ingevolge de laatste volzin van artikel 16, derde lid, van de WW in verband met de ontbinding op verzoek van de werkgever een maand (de zogeheten RDA-maand) in mindering gebracht, waarbij in aanmerking is genomen dat de opzegging dient plaats te vinden tegen het einde van de kalendermaand. Volgens gedaagde loopt daarom de fictieve opzegtermijn tot 1 juni 1999, zodat appellant tot die datum het recht op uitkering ingevolge de WW is ontzegd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, na te hebben vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat op de arbeidsverhouding tussen appellant en de werkgever voormelde CAO van toepassing was, geoordeeld dat gedaagde op goede gronden van een door de werkgever krachtens die CAO in acht te nemen termijn van 25 weken is uitgegaan. De rechtbank heeft voorts nog overwogen (waarbij appellant als eiser is aangeduid):

"Eisers ter zitting naar voren gebracht stelling dat artikel 28, zesde lid van de CAO zich verzet tegen de toepasselijkheid van de opzegtermijn conform de CAO wordt door de rechtbank niet onderschreven. De rechtbank is van oordeel dat de eerste vijf leden van de CAO met de inwerkingtreding van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid op 1 januari 1999 niet in strijd zijn gekomen met de nieuwe tekst van artikel 7:672 van het BW. Lid 5 van artikel 7:672 van het BW laat immers uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat van het tweede lid van artikel 7:672 van het BW schriftelijk wordt afgeweken. Dit artikellid bevat in zoverre geen dwingend recht, zodat geen sprake kan zijn van strijdigheid van de CAO-bepalingen met dit artikellid.".

Appellant heeft zich in hoger beroep in het bijzonder gekeerd tegen de vorenaangehaalde overwegingen van de rechtbank en zijn gemachtigde heeft zich er in een uitvoerig betoog op beroepen dat de door gedaagde in aanmerking genomen onderdelen van artikel 28 van de CAO sinds 1 januari 1999 wel degelijk in strijd met het BW zijn gekomen, zodat ingevolge het zesde lid van dat CAO-artikel de termijn van artikel 7:672, tweede lid, van het BW, zijnde vier maanden, zou moeten gelden. Die gemachtigde heeft in dat verband onder meer gesteld dat met "de bepalingen van het BW", gelet op de inhoud van de eerste vijf leden van artikel 28, gerefereerd wordt aan de bepalingen van het BW met betrekking tot de opzegtermijnen en niet aan de in de oude dan wel de nieuwe wet geregelde mogelijkheid om van deze wettelijke opzegtermijnen via collectieve arbeidsovereenkomst af te wijken.

De gemachtigde van appellant is verder van opvatting dat de rechtbank er ten onrechte van uitgegaan is dat door middel van een vóór 1 januari 1999 tot stand gekomen CAO-bepaling reeds bij voorbaat zou kunnen worden afgeweken van nadien in werking getreden bepalingen omtrent de wettelijke opzegtermijnen. Voorts is namens appellant betoogd dat de uitleg die de rechtbank aan artikel 28 van de CAO heeft gegeven in strijd is met de strekking van de uitspraak van de Raad van 28 maart 2001 (JAR 2001/67, RSV 2001/122 en USZ 2001/106) waarin is geoordeeld dat geen rekening mag worden gehouden met het overgangsrecht van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid bij de bepaling van de fictieve opzegtermijn.

Ten slotte is er door appellants gemachtigde op gewezen dat artikel 28 van de opvolgende CAO 1999/2000 de opzegtermijnen regelt conform de vanaf 1 januari 1999 geldende BW-bepalingen, inclusief het overgangsrecht van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid, hetgeen zijns inziens bevestigt dat in de CAO is bedoeld dat de nieuwe regeling omtrent opzegtermijnen van toepassing is.

De Raad overweegt als volgt.

Allereerst moet worden vastgesteld dat, nu bij beschikking van de kantonrechter van 30 december 1998 de arbeidsovereenkomst is ontbonden met ingang van 1 april 1999, de Wet Flexibiliteit en Zekerheid, die op 1 januari 1999 in werking is getreden, in het onderhavige geval van toepassing is. Bij artikel XVII is blijkens de verbetering d.d. 25 augustus 1998 van dat artikel immers bepaald dat artikel 16, derde en vierde lid, van de WW, zoals deze leden luiden na de inwerkingtreding van artikel VI, onderdeel A, van deze wet, niet van toepassing zijn indien de dienstbetrekking is geëindigd vóór de dag van inwerkingtreding van dit onderdeel.

Onder verwijzing naar de in zijn uitspraak van 28 maart 2001 omschreven uitgangspunten voor de uitleg van artikel 16, derde lid, van de WW overweegt de Raad vervolgens dat zowel uit de tekst als uit de geschiedenis van totstandkoming van die bepa-ling blijkt dat bij het vaststellen van de fictieve opzegtermijn rekening moet worden gehouden met bepalingen van de toepasselijke individuele of collectieve arbeidsovereenkomst die afwijken van de krachtens de leden 2 (eventueel in combinatie met 4) en 3 van artikel 7:672 van het BW voor de werkgever respectievelijk de werknemer geldende opzegtermijnen, mits deze afwijkingen binnen de in dat artikel aangegeven grenzen blijven. Naar het oordeel van de Raad ligt zulks niet anders als er -zoals in dit geval- sprake is van bedingen die tot stand zijn gekomen vóór 1 januari 1999 maar doorwerken na die datum. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak d.d. 4 december 2002 (geregistreerd onder nummer 01/739 WW), waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

De Raad kan het (algemeen verbindend verklaarde) zesde lid van artikel 28 van de toepasselijke CAO niet anders lezen dan dat dit aangeeft dat, als de bepalingen van de CAO niet binnen de grenzen van hetgeen het BW over opzegtermijnen bepaalt zouden blijken te blijven, de bepalingen van het BW prevaleren. De Raad ziet in de tekst van dat artikellid, bezien in samenhang met hetgeen overigens in dat artikel is vastgelegd, geen aanknopingspunten voor de conclusie dat dit niet mede betrekking heeft op de onderdelen van artikel 7:672 van het BW die ruimte geven voor afwijkende bedingen als eerderbedoeld.

De Raad acht voor de beoordeling van een geval als het onderhavige voorts van belang dat in de eerdergenoemde uitspraak van 28 maart 2001 is geoordeeld dat de arbeidsrechtelijke overgangsbepaling van artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid bij de toepassing van artikel 16, derde lid, van de WW buiten beschouwing moet blijven. Dit betekent dat uitsluitend hetgeen is geregeld in artikel 7:672 van het BW, zoals die bepaling sinds 1 januari 1999 luidt, in aanmerking dient te worden genomen. Die bepaling laat evenwel, als gezegd, ruimte voor afwijkingen op grond van de individuele arbeidsovereenkomst of CAO. Soms zijn zulke afwijkende bedingen echter afgeleid van artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid, dan wel hebben -zoals in het onderhavige geval- deze een effect dat met dat van artikel XXI overeenkomt. De Raad acht het in de lijn liggen van zijn uitspraak van 28 maart 2001 dat bij het fictief in aanmerking nemen van dergelijke bedingen het overgangsrecht van artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid weggedacht wordt. Aan de omstandigheid dat hetgeen artikel 28 van de CAO ten aanzien van werknemers van ouder dan 45 jaar inhoudt (nagenoeg) hetzelfde effect heeft als artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid, kan de Raad in het kader van de toepassing van de fictieve opzegtermijn niet het oordeel verbinden dat die CAO-bepaling geen zelfstandige betekenis toekomt, nu dat overgangsrecht in dit verband juist genegeerd moet worden. De Raad acht dan ook geen grond aanwezig om in dit geval genoemd onderdeel van de CAO anders te zien dan als een schriftelijke afwijking van de wettelijke opzegtermijn welke op grond van artikel 7:672, vijfde lid, van het BW geoorloofd is.

Aan de omstandigheid dat in de opvolgende CAO 1999/2000 een regeling is opgenomen die spoort met de vanaf 1 januari 1999 geldende tekst van artikel 7:672 van het BW kan de Raad geen doorslaggevende betekenis toekennen, nu daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan het voordien geldende CAO-regime dat op de oude BW-bepalingen was geënt, maar doorwerking had na 1 januari 1999. De Raad merkt nog op dat in artikel 28 van de CAO 1999/2000 tevens is bepaald dat voor de werknemer die op 1 januari 1999 45 jaar of ouder was en voor wie op die datum een langere opzegtermijn gold dan volgens de nieuwe regeling, de oude termijn blijft gelden zolang hij bij dezelfde werkgever in dienst is. Dit betekent dat ook indien de nieuwe CAO op appellant van toepassing zou zijn, uitgegaan moet worden van de opzegtermijn zoals die onder het oude recht gold, zijnde een termijn van 25 weken.

Uit het vorenoverwogene volgt dat gedaagde in dit geval bij de vaststelling van de duur van de fictieve opzegtermijn terecht van een door de werkgever in acht te nemen termijn van 25 weken is uitgegaan, waarop vervolgens de RDA-maand in mindering is gebracht en waaraan de aanzegtermijn is toegevoegd.

De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit door de rechtbank in stand is gelaten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. Th.M. Schelfhout en mr. H.Th. van der Meer als leden, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.