Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF3071

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2002
Datum publicatie
31-01-2003
Zaaknummer
00/2781 AW , 00/2782 AW, 00/2783 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2002-07-11
Burgerlijk ambtenarenreglement defensie 86, geldigheid: 2002-07-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/148

Uitspraak

00/2781 AW t/m 00/2783 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant 1], wonende te [woonplaats 1], appellant 1,

[appellant 2], wonende te [woonplaats 2], appellant 2 en

[appellant 3], wonende te [woonplaats 3], appellant 3,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellanten is op de daartoe bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 april 2000, nummers 98/1833 AW GA, 99/310 AW GA en 99/117 AW GA.

Namens gedaagde zijn verweerschriften ingezonden.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 30 mei 2002. Appellanten zijn allen in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.C.A. Hollants, advocaat te Berkel-Enschot. Gedaagde is niet verschenen.

II. MOTIVERING

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Appellanten 1 en 2 zijn per 1 september 1996 en appellant 3 is per 1 juni 1996 in dienst getreden van het Ministerie van Defensie in de functie van [functie] in opleiding bij het toenmalige [dienst 1] ([dienst 1]), nadien: [dienst 2] ([dienst 2]). Appellanten zijn aangewezen de interne praktijkopleiding tot [functie] te volgen. In verband hiermee zijn zij bij brieven van 21 juni 1996 respectievelijk 3 april 1996 met als onderwerp "voorwaarden tewerkstelling", erop gewezen dat zij verplicht zijn tot terugbetaling van de kosten van deze opleiding, vastgesteld op een bedrag van f. 20.000,-, in geval hun ontslag (op eigen verzoek) wordt verleend binnen drie jaar na het beëindigen van het opleidingstraject. Appellanten hebben in december 1996 respectievelijk september 1996 de opleiding voltooid. Bij besluit van 20 april 1998 is aan appellanten 1 en 3 en bij besluit van 22 april 1998 is aan appellant 2 op eigen verzoek eervol ontslag verleend. Hierbij is appellanten tevens meegedeeld dat zij, aangezien de opgelegde restitutietermijn van drie jaren na het afronden van de opleiding nog niet was verstreken, verplicht waren ieder een bedrag van f. 20.000,- aan gedaagde terug te betalen.

1.3. Appellanten hebben onder meer met een beroep op de hierna te vermelden hardheidsclausule bezwaar gemaakt tegen de effectuering van de terugbetalings-verplichting. Bij het bestreden besluit van 30 september 1998 zijn hun bezwaren ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspaak zijn de beroepen tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Gedaagde heeft bij de aanstelling van appellanten kennelijk beoogd toepassing te geven aan het bepaalde bij en krachtens artikel 86 van het Burgerlijk ambtenaren-reglement defensie (BARD). Ter uitvoering van artikel 86 van het BARD was ten tijde hier van belang de Regeling terugbetaling opleidingskosten van dienstopleidingen burgerpersoneel van toepassing (hierna: ministeriële regeling). Ingevolge artikel 2 van de ministeriële regeling kan aan de aanwijzing van een ambtenaar tot het volgen van een dienstopleiding de verplichting worden verbonden om de opleidingskosten terug te betalen, indien hem op zijn verzoek voordat de opleiding is voltooid of binnen een nader te bepalen periode van maximaal vijf jaar nadat de opleiding is voltooid, ontslag wordt verleend. Artikel 3 van de ministeriële regeling bevat een hardheidsbepaling ingevolge welke het bevoegd gezag, indien het dit billijk acht, de op de betrokken ambtenaar rustende terugbetalingsverplichting kan wijzigen.

3.2. Appellanten hebben de "voorwaarden tewerkstelling", zoals vermeld in de onder 1.2. genoemde brieven van 3 april 1996 en 21 juni 1996 aanvaard. Appellanten 1 en 3 hebben deze brief voor akkoord getekend en geretourneerd. Appellant 2 heeft deze brief weliswaar niet ondertekend, maar is feitelijk bij gedaagde in dienst getreden en heeft geen bezwaar gemaakt tegen de brief van 6 mei 1996 waarin gedaagde heeft bevestigd dat appellant in dienst treedt onder de voorwaarden zoals overeengekomen. Derhalve heeft ook hij die voorwaarden aanvaard.

3.3. Namens appellanten is naar voren gebracht dat zij hun instemming met de voorwaarden tewerkstelling onder invloed van dwaling hebben gegeven, nu zij uit de voorwaardenbrieven van 3 april 1996 respectievelijk 21 juni 1996 niet konden begrijpen dat de restitutieplicht voor hen gold. Daartoe wijzen zij op de passage in die brieven, luidend: "Gezien de kosten en de aard van deze opleiding zal je in een enkel geval restitutieplichtig zijn". De Raad kan appellanten niet volgen, aangezien op de zojuist geciteerde volzin in de voorwaardenbrieven volgt: "Dit houdt in dat je bij ontslag op eigen verzoek binnen drie jaar na beëindiging van het opleidingstraject een terugbetalingsverplichting hebt van f 20.000,-". Op grond van deze volzin kon voor appellanten bij het aanvaarden van hun aanstelling volstrekt duidelijk zijn dat zij in een geval als thans aan de orde een bedrag van f 20.000,- dienden terug te betalen.

3.4. Ook uit de omstandigheid dat de opleiding op enkele onderdelen na specifiek op de defensieorganisatie was gericht en, naar appellanten hebben gesteld, voor hen buiten de defensieorganisatie van weinig nut was, kan - wat hiervan ook zij - niet geconcludeerd worden dat appellanten in dwaling hebben verkeerd toen zij instemden met de voorwaarden tewerkstelling.

Appellanten zijn in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de inhoud van het opleidingsprogramma. Gedaagde heeft hiertoe de brochure "praktijkopleiding tot [functie]" samengesteld, waarnaar in de brieven van 3 april 1996 en 21 juni 1996 is verwezen. Voorts heeft een informatie- en selectiedag plaatsgevonden, waar appellanten informatie hebben gekregen over onder meer de opleiding.

3.5. Nu appellanten instemming hebben verleend en geen rechtsmiddelen hebben aangewend tegen de hun opgelegde voorwaarden tewerkstelling en zij op eigen verzoek zijn ontslagen binnen drie jaren na het moment waarop zij de opleiding hadden beëindigd, is op hen in beginsel de verplichting komen te rusten het bedrag van f 20.000,- volledig terug te betalen. Dit lijdt slechts uitzondering indien gedaagde het beroep op de hardheidsclausule had behoren te honoreren of daartoe op grond van de door appellanten genoemde beginselen van behoorlijk bestuur was gehouden.

3.5.1. Voor een succesvol beroep op een hardheidsbepaling is volgens vaste rechtspraak van de Raad vereist dat sprake is van een bijzonder geval.

3.5.2. Appellanten hebben gesteld dat van een bijzonder geval sprake is omdat het merendeel van de opleiding organisatiespecifieke onderdelen betrof die appellanten buiten de defensieorganisatie weinig tot geen mogelijkheden boden.

Ter zitting is voorts gebleken dat appellanten teleurgesteld waren in de werksfeer bij gedaagde en dat er voor hen minder vooruitzicht op ontplooiing en perspectieven was dan zij hadden verwacht. De Raad ziet niet dat hierdoor sprake is van een bijzonder geval. Het is eigen keuze van appellanten geweest om, toen hun verwachtingen niet (ten volle) uitkwamen en zij veronderstelden elders betere perspectieven te kunnen krijgen, binnen drie jaar na het einde van hun opleiding om ontslag te verzoeken.

3.5.3. Appellanten hebben de Raad er evenmin van kunnen overtuigen dat bij de thans bestreden besluiten is gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Appellanten hebben erop gewezen dat bij twee collega's de restitutieverplichting niet is uitgevoerd na ontslagverlening op eigen verzoek binnen drie jaren na beëindiging van de opleiding. Dienaangaande stelt de Raad vast dat uit de gedingstukken genoegzaam naar voren is gekomen dat in één van de gevallen een naar het oordeel van gedaagde foutieve beslissing is genomen waaraan appellanten geen rechten kunnen ontlenen en dat het andere geval niet in relevante mate vergelijkbaar is omdat dat geval een collega betrof die om ontslag verzocht kort voordat bovenbedoelde termijn van drie jaren was voltooid.

3.5.4. Appellanten hebben nog gesteld dat gedaagde bij het effectueren van de terugbetalingsverplichting willekeurig heeft gehandeld en zich aan détournement de pouvoir heeft schuldig gemaakt omdat gedaagde bij die effectuering jegens hen alleen beoogd heeft een afschrikwekkend voorbeeld te geven. Zij hebben deze stelling evenwel niet aannemelijk gemaakt.

4.1. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

4.2. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

5. Beslist wordt derhalve zoals in rubriek III vermeld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2002.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.