Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF2575

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-08-2002
Datum publicatie
09-01-2003
Zaaknummer
00/3110 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2003/18

Uitspraak

00/3110 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaal, appellant,

en

[Naam gedaagde], wonende te [naam woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de president van de rechtbank Arnhem van 20 april 2000, nrs. 00/468 AW en 00/469 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 juli 2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H.A.E. van Soest, werkzaam bij Leeuwendaal advies B.V. te Rijswijk, en J.P. Kwakernaak, werkzaam bij de gemeente Lingewaal, en waar gedaagde in persoon is verschenen met bijstand van mr. A.F. Weenink, advocaat te De Meern.

II. MOTIVERING

1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreider overzicht van de voor dit geding relevante feiten, volstaat de Raad met de navolgende vermelding.

1.2. Gedaagde was werkzaam in dienst van de gemeente Lingewaal. Met ingang van 1 maart 1990 is hem wegens reorganisatie eervol ontslag verleend, waarbij hem een wachtgeld is toegekend overeenkomstig de bepalingen van de wachtgeldregeling, thans hoofdstuk 10 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR).

1.3. Op 10 juli 1996 is gedaagde in dienst getreden van de gemeente Tiel. In verband hiermee werd zijn wachtgelduitkering verminderd voor zover de inkomsten uit die werkzaamheden en het wachtgeld tezamen de oude bezoldiging te boven gingen.

1.4. Gedaagde heeft op zijn inkomstenformulier over de maand december 1998 vermeld dat zijn maandelijkse inkomsten vanaf januari 1999 zouden dalen van f 2.809,20 bruto naar f 1.730,- bruto, hetgeen verband hield met het feit dat het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tiel gedaagde op eigen verzoek per 1 januari 1999 eervol ontslag had verleend, waarbij hem vanaf die datum een (beperkte) uitkering was verzekerd gedurende een periode van 12 maanden.

1.5. Bij besluit van 5 oktober 1999, bekendgemaakt bij brief van 6 oktober 1999, heeft appellant gedaagde meegedeeld met ingang van 11 oktober 1999 een korting toe te passen op zijn wachtgeld van de gemeente Lingewaal, welke qua hoogte en duur gelijk was aan hetgeen hij bij een voortgezet dienstverband bij de gemeente Tiel (meer) zou hebben ontvangen. Appellant heeft daarbij overwogen dat gedaagde vrijwillig zijn inkomsten bij de gemeente Tiel heeft prijsgegeven. Appellant heeft dat besluit gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van 9 februari 2000.

1.6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank - voor zover hier van belang - het beroep van gedaagde tegen het besluit van 9 februari 2000 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht. De president heeft daarbij overwogen dat een wettelijke grondslag voor de door appellant opgelegde sanctie ontbreekt en dat hem evenmin is gebleken van een in de CAR opgenomen algemene benadelingsbepaling. Naar het oordeel van de president dient een sanctie als hier aan de orde - die voor de betrokkene verstrekkende negatieve gevolgen heeft - te zijn gebaseerd op een deugdelijke wettelijke grondslag. Derhalve onderschrijft hij niet de visie van appellant dat de sanctie kan worden opgelegd (uitsluitend) op grond van de strekking van de wachtgeldregeling.

1.7. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat gedaagde heeft gehandeld in strijd met de strekking van de wachtgeldregeling, door zijn inkomsten bij de gemeente Tiel vrijwillig prijs te geven. Volgens appellant mag uit artikel 10:22, tweede lid, juncto artikel 10:12, eerste lid, van de CAR niet worden afgeleid dat degene die de leeftijd van 55 jaar is gepasseerd, vrijwillig afstand mag doen van de inkomsten die hij verwerft. Naar het oordeel van appellant heeft gedaagde gehandeld in strijd met de essentie van de wachtgeldregeling, welke als loondervingsuitkering voorziet in een inkomen zolang gedaagde geen andere inkomsten heeft.

2. De Raad overweegt het volgende.

2.1. Op grond van artikel 10:12, eerste lid, van de CAR is de betrokkene, zolang hij de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt, verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen, te aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van elke gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden passend kan worden geacht. Artikel 10:22, tweede lid, van de CAR bepaalt dat indien de betrokkene deze verplichting niet nakomt, het wachtgeld vervalt voor het gedeelte waarmede het, tezamen met de verzuimde of verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan.

2.3. De Raad stelt vast dat gedaagde niet de in artikel 10:12, eerste lid, van de CAR neergelegde verplichting heeft overtreden, reeds omdat hij ten tijde van zijn ontslag bij de gemeente Tiel, op 1 januari 1999, de leeftijd van 55 jaar had bereikt. De Raad is evenmin gebleken dat gedaagde enige andere in de wachtgeldregeling neergelegde verplichting niet is nagekomen.

2.4. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat de gedeeltelijke vervallen- verklaring van gedaagdes wachtgeld kan worden gebaseerd op de strekking van de wachtgeldregeling. Evenals de president van de rechtbank is de Raad van oordeel dat een besluit als het onderhavige, dat ingrijpende financiële gevolgen heeft voor de betrokkene, dient te berusten op een uitdrukkelijk algemeen verbindend voorschrift en niet uitsluitend kan worden gebaseerd op de gestelde strekking van zulk een voorschrift.

2.5. Nu geen algemeen verbindend voorschrift is aan te wijzen op grond waarvan in een geval als het onderhavige tot (gedeeltelijke) vervallenverklaring van het wachtgeld kan worden besloten, heeft de president van de rechtbank het bestreden besluit terecht vernietigd.

2.6. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten in hoger beroep, voor bevestiging in aanmerking komt.

2.7. De Raad ziet tevens aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep, welke worden begroot op € 644,- aan kosten voor rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten in hoger beroep;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de gemeente Lingewaal;

Bepaalt dat van de gemeente Lingewaal een griffierecht wordt geheven van € 327,-.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van N. Doekharan als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2002.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) N. Doekharan.

HD

05.08