Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF2574

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2002
Datum publicatie
09-01-2003
Zaaknummer
00/1252 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/1252 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 31 januari 2000, kenmerk JZ/G/2000/006, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat te Den Haag, als gemachtigde van eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het aanvullend beroepschrift (met bijlage) is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 20 juni 2002, waar eiseres - zoals aangekondigd - niet is verschenen en waar verweerster zich heeft laten vertegen-woordigen door drs. T.N.L.C. van Wickevoort Crommelin, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken heeft eiseres, geboren [in] 1929 in het voormalige Nederlands-Indië, in september 1991 bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en om toekenning van een tegemoetkoming in de kosten van vervoer bestemd voor het onderhouden van sociale contacten. Deze aanvraag heeft eiseres gebaseerd op lichamelijke en psychische klachten die worden toegeschreven aan hetgeen zij in het voormalige Nederlands-Indië heeft meegemaakt gedurende de Japanse bezetting en de daarop volgende Bersiap-periode.

Evenbedoelde aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 16 december 1992, op de grond dat ten aanzien van eiseres niet was gebleken van oorlogscalamiteiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet. Tegen dit besluit heeft eiseres geen bezwaar gemaakt, zodat dit tussen partijen rechtens verbindend is geworden.

In september 1993 heeft eiseres zich tot verweerster gewend met een verzoek om herziening en haar alsnog te erkennen als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Dit verzoek is bij besluit van 16 mei 1994 afgewezen omdat de gestelde oorlogsgebeurtenissen niet vallen onder het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van de Wet en van de gebeurtenissen die daar wel onder vallen, buiten haar eigen verklaring, geen bevestiging is verkregen. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerster bij besluit van 25 oktober 1994 alsnog erkend dat de door eiseres meegemaakte beschietingen door vliegtuigen vlak voor de Japanse capitulatie thans aannemelijk zijn te achten en dat zij derhalve is getroffen door bij met de krijgsverrichtingen verbon-den handelingen of omstandigheden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet. Gelet op de beschikbare medische gegevens is vastgesteld dat eiseres daarbij geen tot blijvende invaliditeit leidend lichamelijk en/of psychisch letsel heeft opgelopen, zodat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer als bedoeld in artikel 2 van de Wet.

Naar aanleiding van een hernieuwd verzoek om herziening van mei 1995 heeft verweerster bij besluit van 25 maart 1996 afwijzend beslist omdat geen nieuwe gegevens zijn overgelegd, die niet bij de eerdere besluitvorming waren betrokken.

In mei 1999 heeft eiseres zich wederom tot verweerster gewend met het verzoek om het te haren aanzien genomen besluit te herzien, waarbij een verergering van haar gezondheidsklachten is gesteld.

Dit verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 31 mei 1999 onder overweging dat niet is komen vast te staan dat eiseres is getroffen door oorlogsgebeurtenissen welke onder de werking van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet kunnen worden gebracht en dat ook in het kader van het verzoek om herziening geen bevestigings-gegevens zijn overgelegd en dat de gestelde verergering van de gezondheidsklachten niet door medische gegevens worden gestaafd. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerster bij het thans bestreden besluit haar standpunt gehandhaafd.

In beroep heeft eiseres de door haar meegemaakte oorlogsgebeurtenissen tijdens de Japanse bezetting in het voormalige Nederlands-Indië en de daarop volgende Bersiap-periode nader toegelicht en een getuigenverklaring van haar broer overgelegd.

Naar verweerster bij verweerschrift en ter terechtzitting naar voren heeft doen brengen, is zij van oordeel dat eiseres niet kan worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet, reeds omdat de door haar gememoreerde oorlogsgebeurtenissen blijkens objectieve gegevens en getuigenverklaringen niet eenduidig zijn komen vast te staan.

De Raad heeft in dit geding de vraag te beantwoorden of verweerster, gelet op hetgeen van de zijde van eiseres is aangevoerd, op goede gronden tot haar in het bestreden besluit neergelegde standpunt heeft kunnen komen. De Raad overweegt daartoe het volgende.

Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is van discretionaire aard. Dat brengt mee dat de Raad heeft na te gaan of van verweerster moet worden gezegd dat zij niet in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen, dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel.

In het thans bestreden besluit, waarin verweerster het verzoek om herziening heeft afgewezen, is onder meer overwogen dat de calamiteit waarop eiseres zich beroept ten onrechte als geverifieerde calamiteit is aanvaard in de beslissing op bezwaar van 25 oktober 1994 en dat geen verder gevolg dient te worden gegeven aan de onjuistheid van een beschikking, die inmiddels meer dan vijf jaar geleden werd afgegeven en welke niet heeft geleid tot enige materiële aanspraak.

Blijkens de ter zitting gegeven toelichting heeft verweerster daarmee beoogd toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 61, eerste lid, van de Wet.

Op grond van die bepaling is verweerster in beginsel bevoegd een eenmaal gegeven beschikking in het nadeel van betrokkene te wijzigen, indien haar alsnog blijkt of na kennisneming van enig feit, gegeven of omstandigheid op zichzelf of in samenhang met andere feiten, gegevens of omstandigheden, duidelijk wordt, dat de gronden waarop die beschikking was gebaseerd, dermate onjuist of onvolledig waren, dat de beschikking op die gronden niet kan worden gehandhaafd en de bekend geworden feiten, gegevens of omstandigheden onvoldoende grond bieden om de oorspronkelijke beschikking te dragen. Uit het besluit van 31 mei 1999, noch uit het thans bestreden besluit, blijkt evenwel dat verweerster aan de toepassing van artikel 61, eerste lid, van de Wet een zelfstandige beoordeling en belangenafweging ten grondslag heeft gelegd. Reeds daarom kan het bestreden besluit in rechte geen stand houden.

Dit betekent dat het ingestelde beroep gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht verweerster te veroordelen in de proceskosten van eiseres, welke worden begroot op € 322,-- ter zake van verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 322,-- aan eiseres te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Gelast dat de Pensioen- en Uitkeringsraad het betaalde griffierecht ad € 27,23 aan eiseres vergoedt.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. P.G.M. Zwartkruis als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2002.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) A. Kovács.

HD

12.08