Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF2573

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2002
Datum publicatie
09-01-2003
Zaaknummer
99/1611 BPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 390 met annotatie van H.E. Bröring
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/1611 BPW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 24 februari 1999, kenmerk JZ/BP/85786, heeft verweerster ten aanzien van eiser uitvoering gegeven aan de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945.

Namens eiser is tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld door mr. F.M.H.A.C. van Domburg, werkzaam bij de Stichting 1940-1945 te Diemen, als gemachtigde. In een aanvullend beroepschrift is aangegeven waarom eiser zich niet met het bestreden besluit kan verenigen. Bij schrijven van 6 december 1999 is vanwege eiser een rapport d.d. 2 december 1999 van dr. W. Op den Velde, psychiater en medisch adviseur van de Stichting 1940-1945, in geding gebracht.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 maart 2002. Aldaar is eiser verschenen bij gemachtigden drs. T.H.R. Kiezebrink en mr. G. Roodenburg, beiden werkzaam bij de Stichting 1940-1945. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. F.M.H. Kok, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.

Aangezien bij de behandeling in raadkamer is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest heeft de Raad dit heropend en bij schrijven van 5 april 2002 is aan verweerster verzocht een nadere (medische) onderbouwing in te zenden van het in het bestreden besluit ingenomen standpunt. Bij schrijven van 13 mei 2002 heeft verweerster een nadere reactie ingestuurd van haar geneeskundig adviseur G.M. van der Molen.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting op 27 juni 2002. Aldaar is eiser verschenen bij gemachtigden drs. T.H.R. Kiezebrink en mr. G. Roodenburg, voornoemd. Tevens is ter zitting verschenen dr. W. Op den Velde, voornoemd, als van de zijde van eiser meegebrachte deskundige. Verweerster heeft zich, naar tevoren schriftelijk was medegedeeld, niet ter zitting laten vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken heeft eiser, die is geboren [in] 1920, in april 1997 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een pensioen op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, hierna: de Wet. Uit het door eiser ten behoeve van zijn aanvraag ingevulde formulier, betreffende opgave van gezondheidsklachten, komt naar voren dat eiser dit pensioen heeft aangevraagd in verband met bij hem bestaande psychische klachten. Bij besluit van 28 augustus 1997 heeft verweerster bepaald dat eiser heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet. Hiertoe is aanvaard dat eiser deel heeft uitgemaakt van de verzetsgroep onder leiding van [naam verzetsleider] en in dat verband actief is geweest en in verband met dit verzet op 10 februari 1944 in de woning van [naam verzetsleider] is gearresteerd als gevolg van verraad binnen de groep en dat eiser vervolgens tot 10 mei 1944 gevangen heeft gezeten. Bij genoemd besluit is voorts vastgesteld dat gelet op de duur, aard en omvang van de door eiser verrichte verzetsactiviteiten op hem de in artikel 4, derde lid, van de Wet neergelegde regeling van de zogenoemde omgekeerde bewijslast van toepassing is.

Bij besluit van 23 januari 1998 heeft verweerster aan eiser met ingang van 1 mei 1997 een buitengewoon pensioen toegekend, in welk verband onder andere is medegedeeld dat dit pensioen werd berekend naar een percentage van invaliditeit in de zin van artikel 4 van de Wet van blijvend 20. Hierbij heeft verweerster in navolging van haar genees-kundig adviseur het standpunt ingenomen dat de bij eiser aanwezige psychische klachten ten dele verband houden met het verzet en voor het overige duidelijk uit andere oorzaken dan het verzet zijn ontstaan. Dit standpunt van verweerster is gebaseerd op de resultaten van een op 29 december 1997 bij eiser verricht geneeskundig onderzoek door de verzekeringsarts M. Blom. Blijkens het door deze arts opgemaakte rapport van onderzoek is eiser lijdende aan een post traumatische stress stoornis (PTSS), die een algemene invaliditeit veroorzaakt van 40 % en die naar het oordeel van deze arts voor de helft is ontstaan door eisers ervaringen tijdens de meidagen van 1940 in militaire dienst en voor de andere helft is toe te schrijven aan zijn ervaringen opgedaan tijdens het verzet. Naar blijkt uit genoemd rapport heeft deze arts de inhoud van eisers dromen gehanteerd als graadmeter om te bepalen welk aandeel de militaire dienst, respectievelijk het verzet heeft gehad aan het ontstaan van de bij eiser aanwezige PTSS.

Een namens eiser tegen het besluit van 23 januari 1998 gemaakt bezwaar heeft verweerster bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens eiser is in beroep betoogd dat door verweerster zijn invaliditeit in de zin van artikel 4 van de Wet met een percentage van 20 is ondergewaardeerd.

De Raad overweegt als volgt.

Anders dan verweerster is de Raad, gelet op het in beroep ingezonden rapport van psychiater dr. W. Op den Velde voornoemd en gegeven diens toelichting ter zitting, tot het oordeel gekomen dat de manifeste inhoud van angstdromen geen goed beoorde-lingscriterium vormt voor de vraag welk aandeel van de bij eiser bestaande psychische klachten is toe te schrijven aan de militaire dienst en/ of het verzet inclusief de gevangen-schap. De Raad volgt in deze het standpunt van dr. W. Op den Velde, inhoudende dat de manifeste droominhoud overwegend als symbolisch dient te worden beschouwd aange-zien in dromen niet zonder meer de gebeurtenissen domineren die door de betrokkene bewust als de meest ingrijpende worden benoemd. Ook overigens kent de Raad overwegende betekenis toe aan het standpunt van dr. W. Op den Velde voornoemd, zoals door deze ter zitting als volgt toegelicht:

"Het betreft hier het leerstuk van de sequentiële traumatisering.

Bij betrokkene ging een militaire taak van korte duur vooraf aan een lange periode van verzetsdeelname en drie maanden gevangenschap. De verzetsdeelname is door verweerder (lees: verweerster) als langdurig en intensief aangemerkt.

Op 11 mei 1940 heeft hij een beschieting door duikbommenwerpers meegemaakt, waarbij twee hem bekende militairen omkwamen. Ook heeft hij een ander schokkend gevolg van een beschieting gezien. Dit is aan te merken als een type I trauma (kort van duur, plotseling).

De periode van aktieve verzetsdeelname bracht, mede vanwege de voortdurende dreiging van ontdekking en arrestatie, buitengewoon grote spanningen met zich mee. Hij werd met een groep van zeven personen gearresteerd, met wie hij langdurig had samengewerkt en een sterke band had opgebouwd. Van deze groep is hij een van de weinigen die de oorlog heeft overleefd. Tijdens de gevangenschap werd hij regelmatig mishandeld. Hij heeft langdurige eenzame opsluiting ondergaan. Hij was bij voortduring bevreesd om zelf gedood te worden.

Dit betreft een type II trauma (langdurige periode van existentiële bedreiging).

Na zowel type I als type II kan een posttraumatische stress stoornis ontstaan, al dan niet met verlaat begin van de symptomen. Het beloop is echter verschillend, hoewel er aanzienlijke individuele variatie bestaat. Na type I nemen de klachten meestal in de loop van enkele jaren af. Na type II trauma ziet men vaak dat de kenmerkende uitingen in de loop der jaren toenemen.".

Tot uitgangspunt nemend dat een kort durend en plotseling optredend trauma als de militaire dienst die eiser in de meidagen 1940 heeft verricht, klachten geeft die meestal in de loop van enkele jaren afnemen, ziet de Raad aan deze militaire dienst geen aandeel van betekenis toekomen in de bij eiser ten tijde van zijn pensioenaanvraag nog aanwezige psychische klachten. Naar het oordeel van de Raad geven de van de zijde van eiser in bezwaar en in beroep ingezonden medische rapporten voldoende onderbouwing voor het oordeel dat zo er bij eiser sprake is geweest van mogelijkerwijs aan zijn militaire dienst toe te schrijven psychische klachten, deze ten tijde van zijn aanvraag om een pensioen op grond van de Wet zodanig in ernst zijn afgenomen dat zij voor toepassing van de Wet van geen wezenlijke betekenis meer kunnen worden geacht. Gegeven het door dr. W. Op den Velde voornoemd geschetste beloop van aan een langdurige periode van existentiële bedreiging als het verzet en de gevangenschap te relateren psychische klachten, die in de loop der tijd juist in ernst toenemen, kan de Raad tot geen ander oordeel komen dan dat de bij eiser ten tijde van zijn aanvraag om pensioen aanwezige psychische klachten geheel geacht moeten worden in het in artikel 4 van de Wet bedoelde verband met het verzet te staan.

Ten aanzien van de vraag welke mate van invaliditeit de verzetsgerelateerde psychische klachten van eiser ten tijde in dit geding van belang, veroorzaken overweegt de Raad dat in de voorhanden gegevens geen aanknopingspunt is te vinden om hieraan een hoger percentage dan 40 te hechten. Hiervoor neemt de Raad tot uitgangspunt het uit het rapport van M. Blom voornoemd naar voren komende beeld van het dagelijks en sociaal functioneren van eiser als een man, die in verband met de gezondheidstoestand van zijn echtgenote een groot deel van het huishouden verricht met daarnaast een (nog) actief sociaal leven met diverse activiteiten en contacten.

Namens eiser is in beroep het standpunt ingenomen dat zijn invaliditeit op een hoger percentage dient te worden bepaald, zulks onder verwijzing naar met name het door dr. W. Op den Velde op 8 november 1999 bij eiser verrichte onderzoek. De Raad heeft evenwel, gelet op de overigens omtrent eiser beschikbare gegevens, niet tot het oordeel kunnen komen dat het door M. Blom voornoemd beschreven en ten tijde hier van belang bepalend te achten beeld van eisers functioneren niet met de feiten zou overeen stemmen. De Raad heeft voorts geen aanleiding te veronderstellen dat het door dr. W. Op den Velde beschreven beeld van verminderd functioneren ook reeds ten tijde hier van belang aanwezig was.

Gezien het vorenstaande komt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 4 van de Wet voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal met inachtneming van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het percentage van eisers invaliditeit op grond van artikel 4 van de Wet nader vaststellen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerster te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten worden begroot op € 966,- als kosten voor verleende rechtsbijstand. Tevens komen voor vergoeding in aanmerking de kosten van de meegebrachte deskundige dr. W. Op den Velde, zijnde € 217,80 als verletkosten en € 29,52 als reiskosten. Het door voornoemde psychiater in beroep uitgebrachte rapport komt eveneens op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking. De kosten hiervan bedragen € 217,80.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat het percentage van invaliditeit in de zin van artikel 4 van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, gezien naar 1 mei 1997, blijvend 40 bedraagt;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser ad € 1.431,12, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Gelast de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad

€ 27,23 te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2002.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) L. Jörg.

HD

24.07