Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF2572

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2002
Datum publicatie
09-01-2003
Zaaknummer
99/4954
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Grondwet 1
Inkomstenbesluit militairen 12.1
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/4954 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A

appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 augustus 1999, nr. AWB 99/3951 MAWKLU, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 april 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. N.I. van Os, werkzaam bij VBM/NOV, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.H. Beijer, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

1.1. Gedaagde heeft, omdat op de arbeidsmarkt de vraag naar zogenoemd ICT-personeel sterk was toegenomen en de Koninklijke Luchtmacht problemen had met het behouden van dat personeel, met het oog op de in artikel 12, eerste lid, van het Inkomstenbesluit militairen aan hem verleende bevoegdheid een bindingspremie toe te kennen, op 10 juli 1998 beleidsregels bekend gemaakt onder de naam "Bindingspremies ICT-personeel" (hierna: de regeling). Een van de in de regeling opgenomen algemene criteria houdt in dat de bindingspremie aan betrokkenen kan worden toegekend tot de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin zij de leeftijd van 49 jaar hebben bereikt. Een andere voorwaarde heeft betrekking op de opleidingseisen waaraan zij moeten voldoen om voor een bindingspremie in aanmerking te komen.

1.2. Appellant, geboren [in] 1950 en luitenant-kolonel bij de Koninklijke Luchtmacht, maakte als [functie] deel uit van het ICT-personeel. Bij besluit van 2 december 1998 is hem door gedaagde een bindingspremie toegekend waarbij is vermeld dat de bindingstermijn drie jaren bedraagt en aanvangt op 1 juli 1998. Bij besluit van 15 februari 1999 heeft gedaagde onder intrekking van het besluit van 2 december 1998 een bindingspremie toegekend en daarbij bepaald dat de bindingstermijn aanvangt op 1 juli 1998 en in verband met het bereiken van de 49-jarige leeftijd van appellant duurt tot 1 april 1999. Dit besluit is na gemaakt bezwaar gehand-haafd bij het bestreden besluit van 23 maart 1999.

1.3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

2.1. Appellant heeft als meest verstrekkende stelling naar voren gebracht dat het bestreden besluit onrechtmatig te achten is omdat het hanteren van de leeftijdsgrens van 49 jaar moet worden aangemerkt als een ongeoorloofd onderscheid in de zin van artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR).

2.2. De Raad overweegt dat, zoals hij reeds eerder als zijn oordeel heeft uitgesproken, de twee laatstgenoemde bepalingen ook zien op discriminatie naar leeftijd. In dit geval dient dan ook de vraag beantwoord te worden of het uit de desbetreffende voorwaarde van de regeling voortvloeiende onderscheid naar leeftijd is gebaseerd op redelijke en objectieve gronden.

2.3. De beperking tot 49 jaar die aan de verstrekking van de bindingspremie is verbonden is, aldus gedaagde, ingegeven door de doelstelling van de regeling, te weten de uitstroom te voorkomen van ICT-personeel naar het bedrijfsleven. Volgens gedaagde is het vertrek van militairen als appellant na de leeftijd van 49 jaar in het algemeen niet meer te verwachten, omdat zij er de voorkeur aan geven in dienst te blijven, totdat zij bij het bereiken van de leeftijd van 55 jaar, onder aantrekkelijke financiƫle voorwaarden, met functioneel leeftijdsontslag gaan. De Raad acht het maken van onderscheid naar leeftijd met het oog op het bereiken van voormelde arbeidsmarktdoelstelling te berusten op redelijke en objectieve gronden, zodat het door appellant gedane beroep op artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 IVBPR niet kan slagen.

2.4. Vervolgens overweegt de Raad met betrekking tot appellants beroep op het rechtzekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel dat gedaagde het besluit van 2 december 1998 heeft ingetrokken omdat de daarin vermelde termijn van drie jaar berust op een fout, nu dit besluit ten onrechte geen rekening houdt met de in de regeling genoemde leeftijdsgrens van 49 jaar die appellant [in] 1999 bereikt. Die fout is hersteld bij het besluit van 15 februari 1999 waarbij is bepaald dat de bindingstermijn aanvangt op 1 juli 1998 en duurt tot 1 april 1999, de eerste dag van de maand na die waarin appellant de 49-jarige leeftijd bereikt. Aldus is ten nadele van appellant wijziging gebracht in de termijn waarover de bindingspremie is toegekend.

2.5. De Raad is van oordeel dat gedaagde zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen enkele aanleiding was af te wijken van de in de regeling genoemde leeftijdsgrens van 49 jaar. Zoals de Raad reeds vaker heeft geoordeeld komt aan een bestuursorgaan de bevoegdheid toe een gemaakte administratieve fout te herstellen, mits het daartoe strekkende besluit niet in strijd is met het rechtszekerheids-beginsel en ook overigens geen sprake is van strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel. Appellant beroept zich op de juist vermelde beginselen omdat hij er gezien het besluit van 2 december 1998 volgens hem van uit mocht gaan dat hij over een periode van drie jaren te rekenen vanaf 1 juli 1998 de bindingspremie zou ontvangen.

2.6. De Raad overweegt dat dit betoog niet kan slagen aangezien appellant redelijkerwijs had kunnen weten dat het besluit van 2 december 1998 met betrekking tot de termijn van toekenning van de bindingspremie onjuist was, nu daarbij, anders dan met betrekking tot de opleidingseis, waaraan appellant ook niet voldeed, niet gemotiveerd werd aangegeven dat van de gestelde leeftijdsgrens werd afgeweken. De Raad wijst erop dat appellant op 20 augustus 1998 schriftelijk heeft verklaard bekend te zijn en in te stemmen met de voorwaarden waaronder de bindingspremie wordt verleend waaronder ook de voorwaarde met betrekking tot de duur van de premie in relatie tot de leeftijd. Ter zitting heeft appellant nog verklaard dat hem bij het tekenen van de desbetreffende verklaring niet de gehele regeling voor ogen stond. De Raad is van oordeel dat dit voor appellants risico dient te komen, gelet op het feit dat appellant die verklaring zonder enig voorbehoud heeft getekend. De Raad acht voorts van belang dat gedaagde zijn fout binnen betrekkelijk korte tijd heeft hersteld en niet gebleken is dat appellant de continuering van het dienstverband tot enig tijdstip na het bereiken van de leeftijd van 49 jaar mede afhankelijk heeft gesteld van de beslissing van gedaagde omtrent de in het besluit van 2 december 1998 genoemde bindingstermijn van drie jaar.

2.7. Ook het beroep dat appellant op het gelijkheidsbeginsel heeft gedaan kan niet slagen. In het geval waarop appellant wijst en dat hij gelijk acht aan het zijne, is evenzeer in strijd met de in de regeling gegeven leeftijdsgrens een bindingspremie toegekend. Die toekenning is echter een gevolg van het feit dat aan de betrokken militair uitdrukkelijk was toegezegd dat te zijnen aanzien ondanks de in de bedoelde voorwaarde vervatte leeftijdsgrens de bindingspremie voor drie jaren zou worden toegekend, terwijl in appellants geval het verlenen van de premie voor de duur van drie jaren uitsluitend het gevolg was van een omissie van gedaagde. Daarmee is het door appellant aangehaalde geval niet gelijk aan het zijne en behoefde gedaagde in dit opzicht appellant ook niet op gelijke wijze te behandelen.

3. Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Aangezien de Raad geen aanleiding ziet toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de proceskosten, wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.F.C. Talman als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van N. Doekharan als griffier, en uitgesproken in het openbaar op30 mei 2002.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) N. Doekharan.

HD

02.05