Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF2571

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2002
Datum publicatie
09-01-2003
Zaaknummer
99/6075 MAW, 99/6077 MAW, 01/399 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

99/6075 MAW, 99/6077 MAW en 01/399 MAW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde 1,

de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten, gedaagde 2.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellant is op bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 november 1999, nrs. AWB 98/4800 MAWKMA en AWB 98/7104 MAWKMA (uitspraak 1) en4 januari 2001, nr. AWB 00/04753 MAWKMA (uitspraak 2), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagden 1 en 2 zijn verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 16 mei 2002, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat te Nijkerk. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P. van der Lelie, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

99/6075 MAW en 99/6077 MAW (ambtsbericht en administratieve maatregel)

1.1. Appellant, sergeant van de bijzondere diensten geschutskonstabel bij de Koninklijke Marine, heeft van 16 november 1987 tot 23 april 1997 de functie van schietinstructeur/ baancommandant bij de Schermenschietbaan (verder: SBB) te [vestigingsplaats] uitgeoefend.

1.2. In verband met ontvangen signalen over problemen op de SSB is op 19 december 1996 door de Commandant der Maritieme Middelen een Commissie van Huishoudelijk Onderzoek (CHO) ingesteld. Na een onderzoek heeft deze commissie haar bevindingen in een rapport van 24 februari 1997 vastgelegd. Dit rapport is voor de Commandant der Maritieme Middelen aanleiding geweest op 7 maart 1997 een voor de Commandant der Zeemacht bedoeld rapport op te stellen, waarin hij met betrekking tot de resultaten van het onderzoek door de CHO ten aanzien van appellant onder punt 2d het volgende heeft opgemerkt:

" Uit dit onderzoek is gebleken dat de SGTBDGSK [Appellant] (560806440) een aantal zaken valt te verwijten die niet stroken met het "goed" functioneren als schietinstructeur/baancommandant bij de Schermenschietbaan. Betrokkene heeft laakbaar gedrag vertoond (onvoldoende loyaliteit in woord en daad jegens zijn directe chef) die hebben geleid tot verstoorde gezagsverhoudingen op de Schermenschietbaan. Betrokkene wordt mede verweten dat hij misleiding heeft gepleegd naar zijn meerderen met betrekking tot tegoeden aan verlofdagen."

1.3. Bij brief van 11 maart 1997 heeft de Commandant der Maritieme Middelen het voormelde rapport van 7 maart 1997 alsmede een afschrift van de aanbevelingen van de CHO aan de Commandant der Zeemacht aangeboden. Vervolgens heeft gedaagde 1 bij schrijven van 8 augustus 1997 appellant medegedeeld dat de voormelde brief van 11 maart 1997 (inclusief het voormelde op 7 maart 1997 opgemaakte rapport) als een ambtsbericht in de zin van de Regeling ambtsberichten militairen zeemacht 1994 (hierna: RAMZ 1994) wordt aangemerkt.

1.4. Het namens appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde 1 bij het bestreden besluit van 13 mei 1998 deels gegrond verklaard.

Daarbij heeft gedaagde 1 bepaald dat de voormelde onder punt 2d in het rapport van 7 maart 1997 opgenomen passage moest worden vervangen door de volgende:

" Betrokkene heeft onvoldoende loyaal gedrag vertoond jegens zijn dienstchef; dit heeft er mede toe geleid dat op de Schermenschietbaan sprake was van verstoorde gezagsverhoudingen. Betrokkene wordt mede verweten dat hij op laakbare wijze meer verlof heeft opgenomen dan waarop hij recht kon doen gelden."

Voor het overige heeft gedaagde het ambtsbericht, behoudens een voor het onderhavige geding niet relevante wijziging, gehandhaafd.

2.1. Bij schrijven van 11 april 1997 heeft de Commandant der Zeemacht appellant medegedeeld dat het gedrag van appellant, zoals dat uit de voormelde rapporten van 24 februari 1997 en 7 maart 1997 van respectievelijk de CHO en de Commandant der Maritieme Middelen naar voren was gekomen, als laakbaar gedrag in de zin van de Richtlijn administratieve maatregelen werd beschouwd. Naar de mening van de commandant der Zeemacht kon appellant met betrekking tot de kwesties van het teveel opgenomen verlof en het in diensttijd laten werken van ondergeschikten aan zijn woning verweten worden dat hij niet de verantwoordelijkheid had getoond die van hem als leidinggevend onderofficier met zijn rang en anciënniteit verwacht mocht worden. Op grond hiervan heeft de commandant der Zeemacht in dit schrijven van 11 april 1997 ten aanzien van appellant een administratieve maatregel vastgesteld, hieruit bestaande dat appellant gedurende een periode van 2 jaar, te rekenen vanaf 1 december 1996 niet in aanmerking kwam voor toewijzing van een functie waaraan de naasthogere rang is verbonden.

2.2. Namens appellant is tegen die administratieve maatregel administratief beroep ingesteld dat bij besluit van 23 juli 1997 ongegrond is verklaard. In haar uitspraak van 27 mei 1998, nr. AWB 97/10195 MAWKMA, heeft de rechtbank het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank was het besluit van 23 juli 1997 in strijd met artikel 4 van de RAMZ 1994.

2.3. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft gedaagde 2 bij besluit van 17 augustus 1998 een nieuw besluit genomen. Als administratieve maatregel werd thans vastgesteld dat appellant niet in aanmerking kwam voor een functie met een naasthogere rang gedurende de periode van 9 augustus 1997 tot 1 december 1998.

3. Het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep, evenals het namens appellant tegen het besluit van 13 mei 1998 ingestelde beroep, is door de rechtbank bij uitspraak 1 ongegrond verklaard.

4. Appellant is de mening toegedaan dat hij zich niet disloyaal heeft gedragen ten opzichte van zijn toenmalige chef. In dit verband heeft hij er op gewezen dat zijn chef, toen deze de functie van chef SSB werd toegewezen, niet was ingevoerd in de schietwereld. Aanvankelijk heeft appellant hem ondersteund en op gepaste wijze gecorrigeerd, maar toen bleek dat deze daar desondanks niet voldoende van opstak, ontstonden er volgens appellant spanningen binnen de SSB. Deze kunnen echter naar zijn mening hem, appellant, niet aangerekend worden. Wat betreft het verwijt dat hij te veel verlof heeft opgenomen, heeft hij naar voren gebracht dat de verlofkaart werd bijgehouden door zijn chef en dat hij steeds in overleg met deze chef verlof heeft genomen. In dit verband heeft appellant er ook op gewezen dat hij in de veronderstelling verkeerde, evenals zijn chef, dat hij extra verlof had opgebouwd vanwege het volgen van een cursus. Dat naderhand deze veronderstelling niet juist bleek te zijn, kan hem naar zijn mening niet worden verweten. Voorts is appellant de mening toegedaan dat het voor-melde rapport van de CHO geen deel uitmaakt van het ambtsbericht zoals dat bij besluit van 8 augustus 1997 is vastgesteld en dit betekent volgens hem dat de omstandigheid dat hij ondergeschikten in diensttijd werkzaamheden heeft laten verrichten aan zijn woning, niet ten grondslag had mogen worden gelegd aan de in geding zijnde administratieve maatregel.

5. De Raad overweegt als volgt:

Het bestreden besluit van 13 mei 1998 (ambtsbericht)

5.1. Bij het besluit van 8 augustus 1997 is als ambtsbericht in de zin van de RAMZ 1994 aangemerkt de voormelde brief van 11 maart 1997 met het daarbij behorende rapport van 7 maart 1997 van de Commandant der Maritieme Middelen. Hoewel in de aanhef van dit besluit behalve naar de brief van 11 maart 1997 ook is verwezen naar het CHO-rapport, is dit rapport niet mede aangemerkt als ambtsbericht. Aan appellant is bij de uitreiking van het besluit van 8 augustus 1997 ook geen exemplaar van het rapport van de CHO van 24 februari 1997 overhandigd. Naar het oordeel van de Raad betekent dit dat dit rapport geen onderdeel uitmaakt van dit ambtsbericht en dit houdt in dat de kwestie van het laten verrichten van werkzaamheden door ondergeschikten in diensttijd aan de woning van appellant, die wel wordt vermeld in het rapport van de CHO maar niet in het rapport van 7 maart 1997 geen deel uitmaakt van dit ambtsbericht. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde 1 deze omstandigheid dan ook ten onrechte bij het bestreden besluit van 13 mei 1998 betrokken en heeft de rechtbank in uitspraak 1 deze omstandigheid ten onrechte in haar oordeelsvorming over het ambtsbericht betrokken.

5.2. Overigens is de Raad van oordeel dat, nu appellant in bezwaar alsnog de beschikking over het rapport van de CHO heeft gekregen, dit rapport wel kan dienen als onder-bouwing voor de verwijtbare gedragingen zoals die in punt 2d van het rapport van 7 maart 1997 zijn vermeld, te weten het disloyale gedrag van appellant met betrekking tot zijn chef en het te veel opgenomen verlof. Op grond van dit rapport en de overige gedingstukken is de Raad, evenals de rechtbank, tot het oordeel gekomen dat in voldoende mate is komen vast te staan dat appellant in aanzienlijke mate te veel verlof heeft genomen. Naar het oordeel van de Raad kan appellant zich niet verschuilen achter de omstandigheid dat zijn chef de verlofkaart niet goed bijhield. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant in dezen een eigen verantwoordelijkheid heeft. Voorzover appellant in de veronderstelling verkeerde dat hij in verband met het volgen van een cursus extra verlof had opgebouwd, merkt de Raad op dat het op zijn weg had gelegen daaromtrent tijdig zekerheid te verkrijgen. Hieraan doet niet af dat naar zijn zeggen ook zijn chef in die veronderstelling verkeerde. Het vorenstaande betekent dat het in het onderhavige ambtsbericht gemaakte verwijt dat appellant op laakbare wijze te veel verlof heeft opgenomen op goede gronden berust.

5.3. Het eveneens in het ambtsbericht gemaakte verwijt dat appellant zich disloyaal heeft gedragen ten opzichte van zijn chef, onderschrijft de Raad daarentegen niet. Naar het oordeel van de Raad komen uit de gedingstukken wel een groot aantal beweringen doch te weinig concrete gedragingen van appellant naar voren die een dergelijk verwijt kunnen rechtvaardigen. Ook ter zitting is de gemachtigde van gedaagde 1 er niet in geslaagd concrete voorbeelden van dergelijke gedragingen te noemen. De Raad is dan ook van oordeel dat dit verwijt in het onderhavige ambtsbericht op onvoldoende gronden berust en dat het ambtsbericht in zoverre in rechte geen stand kan houden.

Het bestreden besluit van 17 augustus 1998 (administratieve maatregel)

6. Ingevolge de Richtlijn administratieve maatregelen (met de daarbij behorende bijlagen) kan ten aanzien van de militair die zich in de ogen van het bevoegde gezag schuldig heeft gemaakt aan laakbaar gedrag, een administratieve maatregel worden getroffen. Voorwaarde daarbij is echter dat de militair van dit laakbare gedrag op de hoogte is gebracht. Uit punt 5 van de bij de onderhavige richtlijn behorende notitie blijkt dat kennisneming van desbetreffende laakbare gedrag door de betrokken militair is gewaarborgd indien er sprake is van een straf- of tuchtrechtelijke reactie op zijn gedrag of wanneer zulks is vermeld in een ten aanzien van hem opgemaakte personeelsbeoordeling. In de overige gevallen dient ingevolge dit punt 5 zo spoedig mogelijk, nadat het laakbaar gedrag ter kennis is gekomen van het bevoegde gezag, gebruik gemaakt te worden van de procedure met betrekking tot de ambtsberichten.

6.1. De Raad stelt vast dat wat betreft de omstandigheden die aan de onderhavige administratieve maatregel ten grondslag zijn gelegd die procedure wel heeft plaatsgevonden met betrekking tot de verlofkwestie maar niet met betrekking tot het verwijt dat appellant ondergeschikten in diensttijd werkzaamheden aan zijn woning heeft laten verrichten. Weliswaar is dit laatste verwijt vermeld in het rapport van de CHO, maar zoals de Raad hierboven reeds heeft overwogen, maakt dit geen deel uit van het op 8 augustus 1997 vastgestelde ambtsbericht. Dit betekent dat het zojuist bedoelde verwijt niet aan de onderhavige administratieve maatregel ten grondslag had mogen worden gelegd.

7. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat zowel de bestreden besluiten van 13 mei 1998 en 17 augustus 1998 als uitspraak 1 voor vernietiging in aanmerking komen.

01/399 MAW

8. Bij besluit van 7 oktober 1999 is appellant, inmiddels met ingang van 12 april 1999 geplaatst in de rol van de Sociaal Medische Dienst Koninklijke Marine, door gedaagde 2 medegedeeld dat hij met ingang van 1 oktober 1999, zijnde de datum waarop hij de maximum looptijd in zijn rang van sergeant had bereikt als bedoeld in artikel 5, derde lid, onder g, van de Regeling invoering en overgang rechtspositie 1990 (hierna: RIOR), niet in aanmerking kwam voor toewijzing van een functie met de naasthogere rang en evenmin voor een inkomensgarantie. Dit berustte op de overweging dat op 8 augustus 1997 en op 26 mei 1999 negatieve ambtsberichten ten aanzien van appellant waren opgemaakt, waardoor hij naar de mening van gedaagde 2 geen reëel uitzicht had op een functie met de naasthogere rang als bedoeld in artikel 10 van de RIOR. Het namens appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 20 april 2000 ongegrond verklaard.

9. Het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak 2 ongegrond verklaard.

10. De Raad overweegt als volgt:

10.1. Tegen het ambtsbericht van 26 mei 1999 zijn namens appellant rechtsmiddelen aangewend die er toe hebben geleid dat de in rubriek I vermelde rechtbank in haar uitspraak van 4 januari 2001, nr. AWB 00/01084, dit besluit heeft herroepen. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Dit ambtsbericht is dan ook in rechte komen te vervallen en kan derhalve niet meer dienen als grondslag voor het thans in geding zijnde besluit van gedaagde 2 om appellant niet voor een functie met een naasthogere rang of een inkomensgarantie in aanmerking te laten komen. Nu de Raad, zoals uit vorenstaande overwegingen blijkt, heeft geoordeeld dat ook het ambtsbericht van 8 augustus 1997 deels op onjuiste gronden berust, kan ook dit ambtsbericht niet als grondslag dienen voor het in geding zijnde besluit. Daarmee is aan dit besluit de grondslag geheel komen te ontvallen, hetgeen betekent dat het bestreden besluit van 20 april 2000 en uitspraak 2 eveneens voor vernietiging in aanmerking komen.

11. De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.610,- (5 x 1 pnt.) wegens in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en op € 966,- ( 3 x 1 pnt.) wegens in hoger beroep verleende bijstand, in totaal derhalve € 2.576,-.

Beslist moet worden als volgt:

III. BESLISSING

Vernietigt de uitspraken 1 en 2;

Verklaart de inleidende beroepen tegen de besluiten van 13 mei 1998, 17 augustus 1998 en 20 april 2000 alsnog gegrond en vernietigd die besluiten;

Bepaalt dat gedaagden nieuwe besluiten op bezwaar nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt gedaagden in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag groot € 1.610,-, en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, derhalve in totaal

€ 2.576,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 583,11 (voorheen f 1.285,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van N. Doekharan als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2002.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) N. Doekharan.

HD

13.06

Q