Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF2353

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2002
Datum publicatie
23-12-2002
Zaaknummer
98/4823 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Art. 4:3 Awb ziet op privacy van de aanvrager zelf, niet op de veiligheid van een derde.

Afwijzing van aanvraag om verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is door de voorzieningenrechter vernietigd.

Afdeling: Aan de asielprocedure is inherent dat de asielzoeker aan appellant vertrouwelijke gegevens verschaft. Voor zover appellant en de namens hem optredende contactambtenaar het vertrouwelijke karakter van de verstrekte gegevens redelijkerwijs moeten vermoeden - hetgeen wat betreft de in geding zijnde namen evident het geval was - waren zij op grond van art. 2:5 Awb gehouden tot geheimhouding van die gegevens. In de geschiedenis van de totstandkoming van de eerste tranche van de Awb, meer in het bijzonder van haar art. 4:3 is te lezen dat art. 4:3 Awb in samenhang moet worden gezien met art. 2:5 van de wet. Art. 4:3.1 ziet, aldus de Memorie van Toelichting, op de situatie dat een belanghebbende van mening is dat zijn privacy wordt aangetast dan wel zijn belang bij de bescherming van bedrijfs- en fabricagegegevens wordt geschonden zelfs door vertrouwelijke overlegging aan het bestuursorgaan. De situatie die zich hier voordeed, waarin de vreemdeling ter bescherming van een derde diens naam niet wilde noemen, valt niet binnen het bereik van art. 4:3 Awb. Immers, niet haar eigen privacy doch de veiligheid van een derde was hier in geding.

De voorzieningenrechter heeft dit miskend.

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, appellant.

mrs. B. van Wagtendonk, M. Vlasblom, H. Troostwijk

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:41
Algemene wet bestuursrecht 8:55
Beroepswet
Beroepswet 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

98/4823 AAW/WAO

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[opposant], wonende te [woonplaats], Spanje, opposant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder geopposeerde tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid.

Namens opposant heeft J.P. van Woerkom, werkzaam als algemeen secretaris bij de Union Iberica te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ´s-Gravenhage op 20 mei 1998 tussen partijen gegeven uitspraak

Bij uitspraak van 27 augustus 1999 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat opposant het verschuldigde griffierecht niet tijdig heeft voldaan.

Tegen deze uitspraak is door voornoemde gemachtigde verzet gedaan.

Gelet op het hierna onder II overwogene heeft de Raad het niet nodig geacht opposant over het verzet te horen.

II. MOTIVERING

Nu het dossier bij de Raad in het ongerede is geraakt en, mede gelet op het tijdsverloop, onderzoek omtrent de tijdige betaling van het griffierecht naar verwachting weinig resultaat zal opleveren, dient het verzet met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Awb gegrond te worden verklaard. Gegeven het bepaalde in het zevende lid van laatstbedoeld artikel vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het verzet gegrond.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 december 2002.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) J.J.B. van der Putten.

RG