Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF2034

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2002
Datum publicatie
17-12-2002
Zaaknummer
00/946 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 61
Werkloosheidswet 42a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2003, 53
USZ 2003/105
JOR 2003/48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/946 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. J. de Haan, advocaat te Grave, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 5 januari 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 11 september 2002, waarbij appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn voornoemde gemachtigde, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J. Kessels, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellant is op 1 september 1997 in dienst getreden bij [naam werkgeefster] te [vestigingsplaats] (hierna: werkgeefster) op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Op 1 juni 1998 is die arbeidsovereenkomst beëindigd. Op 19 juni 1998 heeft gemachtigde van appellant zich tot gedaagde gewend met het verzoek tot overname van de loonbetalingsverplichtingen van de werkgeefster wegens betalingsonmacht. De werkgeefster had sinds mei 1998 geen salarisbetalingen meer gedaan, terwijl er tevens nog andere onbetaalde vorderingen uit de arbeidsovereenkomst waren.

Op 22 juli 1998 is door de rechtbank 's-Hertogenbosch aan de werkgeefster voorlopige surséance van betaling verleend.

Op 15 oktober 1998 heeft gedaagde de aanvraag van appellant afgewezen onder de overweging dat aan de werkgeefster surséance van betaling is verleend, als gevolg waarvan er geen sprake is van blijvende betalingsonmacht in de zin van artikel 61, eerste lid, van de WW.

Namens appellant is tegen dat besluit op 27 oktober 1998 een bezwaarschrift ingediend.

Op 18 november 1998 heeft de rechtbank de werkgeefster definitieve surséance van betaling verleend.

Op 24 februari 1999 heeft gedaagde het thans bestreden besluit genomen en daarbij de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft op 5 januari 2000 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat de in hoofdstuk IV van de WW vervatte overnemingsregeling, gelet op de totstandkomingsgeschiedenis, naar aard en strekking dient te worden gekenschetst als een laatste redmiddel voor de werknemer om het hem niet (tijdig) betaalde loon door gedaagde betaald te krijgen onder de voorwaarden en de beperkingen die in de regeling zijn opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn, in dat licht bezien, blijvende betalingsonmacht en voorlopige surséance van betaling twee niet met elkaar te rijmen grootheden. De rechtbank sloot zich voorts aan bij de beperkte uitleg die gedaagde heeft gegeven aan artikel 61 van de WW dat bij surséance van betaling slechts dan loonverplichtingen van de werkgeefster worden overgenomen, indien om opheffing van de surséance is verzocht, omdat het vooruitzicht op voldoening van de schuldeisers ontbreekt, maar de rechtbank nog niet op het opheffingsverzoek heeft beslist.

De gemachtigde van appellant heeft daartegen onder meer -samengevat- aangevoerd dat blijkens de wettekst gedaagde een rechtstreekse verplichting heeft tot het overnemen van de betalingsverplichtingen, ongeacht of de betalingsonmacht van blijvende aard is. Voorts heeft de gemachtigde er op gewezen dat de toevoeging 'blijvende toestand van te hebben opgehouden te betalen' niet slaat op het woord surséance, maar op het woord anderszins. De gemachtigde stelt verder dat voor de hiervoor aangehaalde overweging van de rechtbank ten aanzien van aard en strekking van de overnemingsregeling van hoofdstuk IV van de WW, geen steun in de wet of in de Richtlijn 80/987 van de Raad van de EG van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van wetgevingen der Lid-Staten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, Publikatieblad Nr. L 283/23 kan worden gevonden.

De Raad overweegt als volgt.

Artikel 61, eerste lid, van de WW luidt, sinds 1 december 1998, als volgt:

"Een werknemer heeft recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, aan wie surséance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft of indien hij geldelijk nadeel kan ondervinden doordat deze werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, niet heeft betaald.".

Voor 1 december 1998 luidde het artikel als volgt:

"Een werknemer heeft recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, aan wie surséance van betaling is verleend, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft of indien hij geldelijk nadeel kan ondervinden doordat deze werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, niet heeft betaald.".

In de Werkloosheidswet zoals die gold tot 1 januari 1987 (hierna: de oude WW) luidde artikel 42a, eerste lid, als volgt:

"Indien geen of geen tijdige betaling geschiedt van loon, vakantiegeld of vakantietoeslag ten laste van de werkgever, die in staat van faillissement is verklaard of aan wie surséance van betaling is verleend, kan de werknemer jegens de bedrijfsvereniging, waarbij vorenbedoelde werkgever te zijnen aanzien is of laatstelijk was aangesloten, aanspraak maken op het hem nog toekomende wegens:

a. loon over de laatste periode van 13 weken, gedurende welke hij bij deze werkgever in dienstbetrekking is geweest;

b. loon over de ten aanzien van hem geldende termijn van opzegging voor zover en zo lang hij gedurende die termijn onvrijwillig werkloos is, echter zowel in als buiten faillissement ten hoogste over de in artikel 40 Faillissementswet ten aanzien van de werknemer vastgestelde termijn van opzegging;

c. vakantiegeld en vakantietoeslag over een periode van ten hoogste een jaar, waarin begrepen de in dit lid onder b bedoelde termijn.".

Het tweede lid van genoemd artikel luidde:

"Het bestuur van de bedrijfsvereniging kan beslissen, dat het bepaalde in het eerste lid overeenkomstige toepassing vindt indien een werkgever verkeert in de toestand, dat hij heeft opgehouden te betalen, terwijl hij nog niet in staat van faillissement is verklaard en hem geen of nog geen surséance van betaling is verleend.".

Zoals de Raad reeds eerder heeft vastgesteld (CRvB 26 mei 1992, RSV 1992/310) is met de opneming van hoofdstuk IV -waarvan artikel 61 deel uitmaakt- in de WW beoogd de in hoofdstuk IIIa van de oude WW -waarvan artikel 42a, onderdeel uitmaakt- neergelegde regeling te continueren met dien verstande dat de tekst van hoofdstuk IV zoveel mogelijk is aangepast aan de systematiek van de WW. Uit de wetsgeschiedenis blijkt volgens de Raad niet dat de wetgever heeft beoogd aard en strekking van hoofdstuk IV van de WW een andere te doen zijn dan die van de in hoofdstuk IIIa van de oude WW opgenomen regeling.

Gelet op de wetsgeschiedenis concludeert de Raad dat de wetgever in artikel 61, eerste lid, van de WW tot uitdrukking heeft willen brengen dat een werkgever wiens betalingsmoeilijkheden formeel zijn vastgesteld door de faillietverklaring of de verlening van surséance van betaling, verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. Voor de wetgever is daarbij de juridische kwalificatie van de toestand waarin de werkgever verkeert en niet de feitelijke financiële situatie van doorslaggevende betekenis geweest.

De Raad vindt voor dit oordeel een bevestiging in de wijziging van 1 december 1998 van artikel 61, eerste lid, van de WW, waarbij aan dat lid werd toegevoegd de werkgever ten aanzien van wie de schuldsanering natuurlijke personen van toepassing is. Uit artikel 284, eerste lid, van de Faillissementswet blijkt immers dat de schuldsaneringsregeling van toepassing kan zijn als redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. De wetgever heeft voor de WW aldus het 'verkeren in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen' gelijkgesteld met de staat van faillissement of surséance van betaling.

De wetgever heeft zich er bij de vaststelling van artikel 61, eerste lid, van de WW, net als onder artikel 42a, tweede lid, van de oude WW, rekenschap van gegeven dat er sprake van kan zijn dat de werknemer door onmacht niet langer wordt betaald, zonder dat daaraan een faillissement of een surséance ten grondslag ligt. Teneinde die feitelijke situatie te kunnen ondervangen is aan de opsomming in artikel 61, eerste lid, het zinsdeel 'of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen' toegevoegd. Met die bewoordingen heeft de wetgever tevens tot uitdrukking gebracht dat indien het daaraan voorafgaande zinsdeel van toepassing is, de werkgever geacht moet worden te verkeren in een toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. Een nader onderzoek naar de betalingsonmacht van de werkgever die in staat van faillissement verkeert of aan wie surséance van betaling is verleend, is voor de beoordeling van de aanvraag van de werknemer op dat moment derhalve niet vereist. Vastgesteld behoeft slechts te worden wat de omvang van de niet-nagekomen betalingsverplichtingen van de werkgever is. In dit verband wijst de Raad op de inconsequentie in de redenering van gedaagde waar deze stelt dat een dergelijk onderzoek in geval van surséance wel noodzakelijk is, en in het geval van een faillissement achterwege kan blijven, omdat er in dat laatste geval vanuit wordt gegaan dat die betalingsonmacht werkelijk aanwezig is. Als voor de uitleg van artikel 61 wordt gekozen dat bij surséance van betaling een nader onderzoek noodzakelijk is, valt niet in te zien waarom een onderzoek naar de betalingsonmacht in geval van faillissement achterwege zou kunnen blijven.

De Raad is voorts van oordeel dat de bij gedaagde levende overtuiging dat in geval van surséance een andere toepassing aan artikel 61, eerste lid, van de WW moet worden gegeven dan in geval van faillissement, hetgeen tot uitdrukking zou zijn gebracht in een reeds sedert jaren bestaande en tot op heden niet ter discussie gestelde uitvoeringspraktijk, er niet toe kan leiden dat die uitleg juist moet worden geacht. Daarbij wijst de Raad er op dat een dergelijke opvatting wellicht is af te leiden uit de passage uit de Memorie van Toelichting bij hoofdstuk IIIa van de oude WW (Tweede Kamer, 1967-1968, 9515, nr. 3, blz.5), maar dat de wetgever deze opvatting niet tot uitdrukking heeft gebracht in een dienovereenkomstig luidende bepaling, terwijl voor die opvatting evenmin steun is te vinden in de wetsgeschiedenis van hoofdstuk IV van de WW.

De Raad komt dan ook tot het oordeel dat gedaagde appellant op onjuiste gronden niet in aanmerking heeft gebracht voor een uitkering op basis van hoofdstuk IV van de WW. Aangezien het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak reeds om die reden niet in stand kunnen blijven, behoeven de overige stellingen van appellant, mede gelet op de inhoud daarvan, geen verdere behandeling.

Gedaagde zal met inachtneming van het voorgaande een nieuw besluit dienen te nemen.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in beide instanties. Deze kosten betreffen beroepsmatig verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en hoger beroep en worden begroot op € 1288,-- en € 29,64 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op de bezwaren van appellant neemt;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1288,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad en in een bedrag van € 29,64 aan reiskosten te betalen aan appellant;

Bepaalt dat gedaagde het door appellant in eerste aanleg en in hoger beroep gestorte recht van totaal € 104,37 (f. 60,-- + f.170,--) aan hem vergoedt.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. Th.M. Schelfhout en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 december 2002.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.

TG121102