Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF1670

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2002
Datum publicatie
10-12-2002
Zaaknummer
00/5228 + 01/3780 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Ziektewet
Ziektewet 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/5228 + 01/3780 ZW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 16 juni 1998 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van het besluit, waarbij zijn uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) met ingang van 3 maart 1998 is beëindigd, op de grond dat hij op en na die datum niet langer ongeschikt wordt geacht voor zijn werk van medewerker komkommerteelt.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 16 november 1999 (besluit I) ongegrond verklaard.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 23 mei 2001 het tegen besluit I ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, namens appellant tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en de Raad verzocht de aangevallen uitspraak en besluit I te vernietigen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 12 oktober 2001, aangevuld bij brieven van 15 april 2002 (met bijlage) en 24 mei 2002 (met bijlage), van verweer gediend.

Bij brief van 30 juli 1998 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van het besluit waarbij een bedrag groot f 6057,92 aan over de periode 3 maart 1998 tot en met 22 mei 1998 ten onrechte aan hem betaalde uitkering ingevolge de ZW is teruggevorderd.

Het bezwaar tegen dit besluit heeft gedaagde bij besluit van 17 november 1999 (besluit II) ongegrond verklaard.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 14 augustus 2000 het tegen besluit II ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. Kuit, voornoemd, op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen.

Bij schrijven van 13 april 2001 (met bijlagen) heeft gedaagde van verweer gediend.

Bij faxbericht van 11 oktober 2002 heeft appellant een tweetal hem betreffende medische rapportages ingezonden.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 oktober 2002, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Kuit, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.E.G. Jong, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Besluit I

Voor een uitvoerig overzicht van de voor deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent, gelet op de gedingstukken met juistheid, door de rechtbank in de aangevallen uitspraak van 23 mei 2001 is weergegeven.

De Raad volstaat hier met de vermelding dat appellant zich tijdens een periode van werkloosheid op 28 november 1997 heeft ziek gemeld en door de verzekeringsarts na onderzoek op 2 maart 1998 per 3 maart 1998 hersteld is verklaard voor de laatstelijk door hem verrichte arbeid van medewerker komkommerteelt. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts M.A. Madern, na ontvangst van inlichtingen van de huisarts, de conclusie getrokken dat appellant op en na 3 maart 1998 voor zijn werk geschikt was. In verband met door de behandelend revalidatiearts verstrekte inlichtingen is een nader medisch onderzoek ingesteld en is een arbeidskundig onderzoek bij de laatste werkgever van appellant gedaan naar de aard, omvang en zwaarte van de door appellant verrichte werkzaamheden. De verzekeringsarts A.J.D. Versteeg is bij rapport van 6 oktober 1999 op grond hiervan tot de conclusie gekomen dat de beperkingen van appellant voor bovenhands werken en reiken geen belemmering voor hem kunnen vormen om zijn werk uit te voeren. Daarop is besluit I genomen.

Bij de aangevallen uitspraak is besluit I in stand gelaten. Daarbij is overwogen dat de arbeidsdeskundige heeft gerapporteerd dat appellant op gevarieerde wijze bij zijn werk kan reiken, zodat hij zijn geblesseerde (linker-)arm kan ontzien en dat aanpassing van het werk, zowel in taken als belasting, mogelijk is. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien aan de beoordeling van de arbeidsdeskundige te twijfelen.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij met zijn geblesseerde linkerarm niet alle in zijn functie voorkomende werkzaamheden kan verrichten en dat hij derhalve op en na 3 maart 1998 onveranderd aanspraak heeft op een uitkering ingevolge de ZW.

Gedaagde heeft in reactie hierop een rapport van 17 januari 2002 van de arbeidsdeskundige J. Sonneveld ingezonden. Deze heeft toegelicht dat in 15% van de tijd bij het onderdeel gewasverzorging maximaal 1 uur per werkdag 1 minuut bovenhands dient te worden gewerkt en dat uit overleg met de werkgever destijds is gebleken dat hieraan valt te ontkomen door appellant in die tijd in ander, geschikt werk in te zetten. De arbeidsdeskundige heeft op grond hiervan de conclusie getrokken dat het werk van appellant voor hem nagenoeg geschikt was en op eenvoudige wijze volledig geschikt was te maken.

De Raad overweegt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad moet onder ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek worden verstaan het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid. Die arbeid is in beginsel de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid voor de ziekmelding.

Aan de beschouwing van de arbeidsdeskundige Sonneveld valt te ontlenen dat appellant 15% van zijn werkzaamheden als gevolg van de bij hem bestaande linkerarmbeperking niet kan verrichten.

Gelet op de te dezen aan te leggen maatstaf arbeid, te weten de aard, zwaarte en omvang van de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid, moet de Raad vaststellen dat bij het bestreden besluit ten onrechte door de verzekeringsarts Versteeg is meegewogen dat appellant door zijn werkgever destijds bij andere geschikte werkzaamheden ingezet zou kunnen worden. Die werkzaamheden zijn immers niet laatstelijk voor de uitval feitelijk door appellant verricht, zodat daarmee bij de beoordeling of sprake is van ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek geen rekening kan worden gehouden.

De omstandigheid dat appellant voor de functie van medewerker komkommerkwekerij geschikt zou zijn als de werkzaamheden worden aangepast en dat de werkgever hiertoe bereid zou zijn geweest, wijst er eens temeer op dat die functie zonder aanpassing niet voor appellant geschikt is.

Uit het vorenstaande volgt dat besluit I met de aangevallen uitspraak van 23 mei 2001, waarbij dit besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komen.

De Raad ziet het hoger beroep met betrekking tot besluit II in die zin doel treffen dat de rechtbank ten onrechte in haar uitspraak van 14 augustus 2000 aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd dat appellant tegen een uitspraak van 20 april 2000 van de rechtbank, waarbij zijn beroep tegen besluit I niet-ontvankelijk is verklaard, geen verzet heeft gedaan waardoor dit besluit rechtens onaantastbaar is geworden en dat derhalve is komen vast te staan dat appellant ten onrechte over de periode 3 maart 1998 tot en met 28 mei 1998 uitkering ingevolge de ZW heeft ontvangen.

Uit de gedingstukken blijkt immers dat appellant tegen de uitspraak van 20 april 2000 wel degelijk verzet heeft gedaan, hetgeen heeft geleid tot de hiervoor weergegeven en besproken uitspraak van 23 mei 2001. De thans aangevallen uitspraak van 14 augustus 2000 komt gelet hierop eveneens voor vernietiging in aanmerking.

Aan besluit II is ten grondslag gelegd dat appellant op en na 3 maart 1998 niet ongeschikt was zijn werk te verrichten en dat hij deswege gehouden was het aldus over de periode 3 maart 1998 tot en met 28 mei 1998 hem ten onrechte betaalde ziekengeld aan gedaagde terug te betalen.

In aanmerking nemend hetgeen de Raad met betrekking tot besluit I hiervoor heeft overwogen, is aan besluit II de grondslag komen te ontvallen en behoeft het beroep daartegen geen verdere bespreking meer.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde in beide gedingen te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.

Deze worden begroot op € 1288,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 1127,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak van 23 mei 2001;

Vernietigt de aangevallen uitspraak van 14 augustus 2000;

Verklaart de inleidend beroepen tegen besluit I en II gegrond;

Vernietigt de besluiten I en II;

Verstaat dat gedaagde nieuwe besluiten op de bezwaren van appellant neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag groot € 1288,- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1127,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van € 181,51,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 december 2002.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.