Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF1507

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2002
Datum publicatie
05-12-2002
Zaaknummer
99/6194 ZW + 00/3072 WAO + 00/6138 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2002, 254

Uitspraak

99/6194 ZW + 00/3072 WAO + 00/6138 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 7 oktober 1998 is appellant namens gedaagde in kennis gesteld van het besluit dat hij ter zake van zijn ziekmelding per 4 juni 1998 op en na 5 oktober 1998 geen recht (meer) heeft op uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), op de grond dat hij niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 november 1998 (besluit I) door gedaagde ongegrond verklaard.

De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 22 november 1999 het tegen besluit I ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. R. Schelfhaut, advocaat te Eindhoven, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlage) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft bij schrijven van 19 september 2000 (met bijlage) van verweer gediend.

Bij brief van 17 maart 1999 is appellant namens gedaagde in kennis gesteld van het besluit waarbij hem, met ingang van

2 juli 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, en waarbij deze uitkering met ingang van 5 oktober 1998 is ingetrokken, op de grond dat ingaande die datum de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg.

Het door appellant tegen de intrekking van zijn uitkering gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 22 juli 1999 (besluit II) ongegrond verklaard.

De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 14 april 2000 besluit II, onder gegrondverklaring van het daartegen ingestelde beroep, vernietigd.

Namens appellant heeft mr. Schelfaut, voornoemd, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden tegen deze uitspraak eveneens hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 28 september 2000 heeft gedaagde de Raad in kennis gesteld van een besluit van die datum (besluit III), waarbij met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van 14 april 2000 van de rechtbank is overwogen, opnieuw op het bezwaar van appellant tegen de intrekking van zijn uitkering ingevolge de WAO per 5 oktober 1998 is beslist, in die zin dat dit bezwaar gegrond is verklaard en dat deze uitkering ingaande die datum is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Voorts heeft gedaagde bij schrijven van 29 januari 2001 (met bijlagen) van verweer gediend.

Desverzocht heeft gedaagde bij brieven van 4 januari 2002 en 31 januari 2002 (met bijlagen) nog enige inlichtingen verstrekt.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 mei 2002, waar appellant is verschenen bij mr. C.A.M. Grouls, kantoorgenoot van mr. Schelfaut, voornoemd en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door

W.J.C. Rademakers, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

De gedingen in hoger beroep strekken zich met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb mede uit tot het ter uitvoering van de uitspraak van 14 april 2000 van de rechtbank afgegeven besluit III.

Appellant is laatstelijk gedurende 25 uur per week werkzaam geweest als chauffeur/bezorger. Op 9 oktober 1995 heeft appellant zijn werkzaamheden gestaakt in verband met rug- en knieklachten. Na ommekomst van de zogeheten wachttijd van 52 weken is appellant een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Deze uitkering is bij op bezwaar genomen besluit van 7 april 1997 met ingang van 26 mei 1997 ingetrokken, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 22 mei 1998 ongegrond verklaard.

Op 4 juni 1998 heeft appellant, die inmiddels een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, zich ziek gemeld. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft gedaagde met betrekking tot de (on)geschiktheid tot werken van appellant op en na

5 oktober 1998 de in rubriek I genoemde besluiten ter uitvoering van de ZW genomen. Tevens heeft gedaagde na ommekomst van een wachttijd van vier weken ingaande 2 juli 1998 aan appellant uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, en die uitkering met ingang van 5 oktober 1998 ingetrokken. Het bezwaar daartegen is bij besluit II ongegrond verklaard.

Ten aanzien van besluit I overweegt de Raad als volgt.

De rechtbank heeft de vraag of besluit I standhoudt bevestigend beantwoord, daarbij doorslaggevende betekenis toekennend aan het rapport van 13 november 1998 van de bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren-van Delden, die de beschikking had over inlichtingen van de behandelend revalidatiearts P.J.C.M. van Leeuwen. Zij is tot de conclusie gekomen dat het standpunt van de primaire verzekeringsarts juist was dat appellant op en na 5 oktober 1998 geschikt was tot het vervullen van de hem eerder in het kader van de WAO voorgehouden functies.

In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank bestreden.

Ten aanzien van de medische component heeft appellant, onder overlegging van een brief van 10 augustus 1999 van zijn huisarts J.G.M. Stassen, aangevoerd dat gedaagde van minder vérgaande medische beperkingen uitgaat dan, naar uit de door hem verstrekte inlichtingen blijkt, de revalidatiearts Van Leeuwen.

De Raad volgt appellant hierin niet, gelet op hetgeen de bezwaarverzekeringsarts Van Kasteren-van Delden in haar rapport van 7 maart 2000 dienaangaande heeft opgemerkt, te weten dat de van de revalidatiearts verkregen inlichtingen bij de oordeelsvorming over de belastbaarheid van appellant zijn betrokken en dat uit het ingestelde onderzoek niet is gebleken dat de medische toestand van appellant en zijn belastbaarheid voor arbeid waren gewijzigd. De omstandigheid dat de huisarts in zijn brief van 10 augustus 1999 aangeeft dat er verschil is in het door gedaagde vastgestelde belastbaarheidspatroon en hetgeen appellant aangeeft te kunnen verrichten, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Uit zijn brief blijkt niet van medische bevindingen waarmee de verzekeringsarts geen rekening heeft kunnen houden.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat van de eerder in het kader van de WAO geduide functies niet blijkt of die op 5 oktober 1998 nog actueel zijn in die zin dat zij daadwerkelijk in het Functie Informatie Systeem (FIS) op die datum nog voorkwamen. Daaromtrent overweegt de Raad als volgt.

Als hoofdregel geldt dat de maatstaf waarnaar de ongeschiktheid tot werken in het kader van de ZW wordt beoordeeld de omvang, aard en zwaarte is van de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid, ook in gevallen waarin een verzekerde uit zijn laatste dienstbetrekking werkloos is geworden en een uitkering ingevolge de WW ontvangt. Of die arbeid ten tijde van de (on)geschiktheidsbeoordeling in het kader van de ZW als zodanig nog bestaat is dan in beginsel geen aspect waarmee rekening wordt gehouden. Voormelde regel lijdt slechts in zoverre uitzondering dat in een geval als het onderhavige, waarin de wachttijd van 52 weken is verlopen en de verzekerde in het kader van de uitvoering van de WAO niet meer geschikt wordt geacht voor zijn eigen werk, maar wel voor andere voor hem geselecteerde werkzaamheden, die werkzaamheden de maatstaf vormen, waarnaar de ongeschiktheid tot werken in het kader van de ZW wordt beoordeeld. Net zo min als in het geval dat voormelde hoofdregel van toepassing is, ziet de Raad ruimte om in het onderhavige geval als eis te stellen dat middels actualisering wordt aangetoond dat de in het verleden geselecteerde functies nog bestaan ten tijde van de ongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de ZW.

De Raad deelt de opvatting van appellant niet dat de medische oordeelsvorming met betrekking tot besluit I onzorgvuldig is te achten. Met appellant is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts in een geval als hier aan de orde bij de beoordeling van de ongeschiktheid tot werken de beschikking dient te hebben over gegevens met betrekking tot de eerder in het kader van de WAO aan appellant voorgehouden functies. Aan het afschrift van de medische kaart ontleent de Raad dat de verzekeringsarts ervan op de hoogte was dat in het geval van appellant sprake was van een verzekerde die eerder een uitkering ingevolge de WAO had ontvangen. Voorts blijkt uit dit afschrift dat de verzekeringsarts herhaalde pogingen heeft gedaan om over de WAO-gegevens de beschikking te krijgen en dat vanwege het ontbreken van die gegevens appellant tegen een later tijdstip opnieuw is opgeroepen. Daarbij is nog van belang dat appellant op 7 augustus 1998 medisch is onderzocht en dat, naar uit het afschrift van de medische kaart valt af te leiden, na ontvangst van de WAO-gegevens appellant op 2 oktober 1998 op het spreekuur is verschenen, dat de inmiddels bekende gegevens met hem zijn besproken en dat op grond daarvan is geconcludeerd dat sprake was van een ongewijzig-de medische situatie, in verband waarmee in overleg met appellant is afgezien van hernieuwd lichamelijk onderzoek. Gelet hierop ziet de Raad geen reden de medische oordeelsvorming onzorgvuldig te achten

De aangevallen uitspraak waarbij besluit I in stand is gelaten, komt voor bevestiging in aanmerking.

Besluit II is door de rechtbank vernietigd, omdat de in geding zijnde schatting een deugdelijke arbeidskundige grondslag ontbeert. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder laten wegen dat niet was gebleken dat op 5 oktober 1998 alle eerder geduide functies voorhanden waren.

De medische grondslag heeft de rechtbank in stand gelaten.

Gedaagde heeft berust in de vernietiging van besluit II door de rechtbank en besluit III genomen. Appellant heeft tegen de medische grondslag van besluit II soortgelijke bezwaren aangevoerd als in het kader van het beroep tegen besluit I. Onder verwijzing naar het hiervoor daaromtrent overwogene ziet de Raad het beroep in zoverre niet slagen.

Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de onderwerpelijke schatting heeft gedaagde nieuw arbeidskundig onderzoek doen plaatsvinden. Aan het rapport van 29 juni 2000 van de bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten valt te ontlenen dat ten tijde hier in geding nog diverse arbeidsmogelijkheden waren te duiden, te weten de tot de FB-code 3804 behorende functies telefonist/receptionist en receptionist met respectievelijk 8 en 1 arbeidsplaatsen, de tot de FB-code 8538 behorende functies printplaatmonteur en monteur communicatie apparatuur met respectievelijk 14 en 4 arbeidsplaatsen en de tot de FB-code 6231 behorende functies van steksteekster, met respectievelijk 25 en 7 arbeidsplaatsen. welke functies naar hun aard volgens de arbeidsdeskundige grotendeels overeenkomen met de eerder geduide functies.

De Raad is anders dan appellant van oordeel dat aan de in het Schattingsbesluit opgenomen eis van minimaal zeven arbeidsplaatsen per functie wordt voldaan als vaststaat dat de in een FB-code opgenomen functies in totaal zeven arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. De Raad wijst er op dat hij al eerder heeft overwogen (vide USZ 97/206) dat bij functies die tot dezelfde zogeheten functiebestandscode behoren en die derhalve - zulks is inherent aan het Functie Informatiesysteem - voor ten minste 65% overeenkomen, het in beginsel niet voor de hand ligt deze als verschillende functies te zien. Dergelijke functies zullen voor de toepassing van het Schattingsbesluit veeleer als één functie moeten worden beschouwd.

Nu tevens blijkt dat in alle door de arbeidsdeskundige gekozen FB-codes arbeidsmogelijkheden voorkomen die in deeltijd kunnen worden vervuld is voldaan aan de voorwaarde dat de voorgehouden functies op zich de mogelijkheid bieden in deeltijd te worden uitgeoefend.

Voorts is in dit verband nog aangevoerd dat de in de arbeidsmogelijkhedenlijst voorkomende deeltijdfuncties bij de schatting niet hadden mogen worden betrokken, nu deze qua omvang van 19 uur te zeer afwijken van de omvang van 25 uur waarin appellant werkzaam was. De Raad wijst in dit verband naar zijn constante jurisprudentie inzake deeltijdwerkenden. Voor het mogen selecteren van deeltijdfuncties is de omvang van de deeltijdarbeid niet relevant. Vereist is wel, dit met het oog op het realiteitsgehalte van de schatting, dat vaststaat dat de functie in deeltijd kan worden verricht. Gelet op de datum in geding ziet de Raad geen aanleiding van deze in de jurisprudentie van de Raad ontwikkelde lijn af te wijken.

Ten tijde hier in geding was het Besluit Uurloonschatting (Besluit van 11 februari 1999, Stcrt. 1999,40) nog niet van toepassing. De Raad ziet geen reden voor anticiperende werking van dit besluit, zoals namens appellant ter zitting is bepleit.

Ook overigens ziet de Raad geen aanleiding de arbeidskundige grondslag voor onjuist te houden. De aan besluit III ten grondslag liggende schatting berust op functies die behoren tot dezelfde functiebestandscodes als de functies die aan de door besluit II bestreken schatting ten grondslag zijn gelegd.

De Raad verwerpt de grief van appellant dat een uitlooptermijn in acht had behoren te worden genomen bij de intrekking van appellants uitkering. Bij brief van 17 maart 1999 is appellant immers in kennis gesteld van het besluit dat hem met terugwerkende kracht per 2 juli 1998 uitkering is toegekend en dat deze per 5 oktober 1998 is ingetrokken. In een dergelijk geval heeft de inachtneming van een uitlooptermijn om de verzekerde de gelegenheid te geven zich in te stellen op zijn gewijzigde financiële situatie geen betekenis en kan derhalve achterwege blijven.

Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat het hoger beroep met betrekking tot besluit II geen doel treft en dat het beroep voor zover dit geacht moet zijn te zijn gericht tegen besluit III ongegrond moet worden verklaard.

Nu de rechtbank besluit II tot intrekking van de WAO-uitkering van appellant heeft vernietigd en gedaagde appellant bij besluit III alsnog in aanmerking heeft gebracht voor een uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, is er reden voor toewijzing van de door appellant gevorderde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de niet tijdig betaalde uitkeringstermijnen vanaf 1 november 1998. Voorts overweegt de Raad dat bij de berekening van de wettelijke rente, als vorenbedoeld, rekening dient te worden gehouden met hetgeen appellant krachtens een sociale zekerheidswet over hetzelfde tijdvak als waarop de nabetaling van de uitkering betrekking heeft, bruto heeft moeten verrekenen of aan derden bruto heeft moeten uitbetalen. De Raad zoekt daarbij aansluiting bij hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest, gepubliceerd in JB 1995/275.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep voor zover betrekking hebbend op de WAO-gedingen tot een bedrag van € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken;

Verklaart het beroep gericht tegen besluit III ongegrond;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot betaling van schadevergoeding als in rubriek II is aangegeven;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van € 77,14 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2002.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.