Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE9433

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-08-2002
Datum publicatie
29-10-2002
Zaaknummer
99/6321 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 2, geldigheid: 2002-08-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

99/6321 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 30 november 1999, kenmerk JZ/X60/1999/1049, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat en procureur te Heerlen, als gemachtigde van eiser bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift, met bijlagen, is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 juli 2002. Aldaar is voor eiser verschenen mr. Van Berkel voornoemd, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.S.K. van Gammeren, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

In oktober 1998 heeft eiser, geboren in 1938, verweerster verzocht hem te erkennen als vervolgde in de zin van de Wet. Daartoe heeft eiser gesteld dat hij samen met zijn moeder, zus en twee broers in de oorlogsjaren ondergedoken is geweest na het meemaken van een razzia op een woonwagenkamp.

Bij besluit van 13 april 1999 heeft verweerster de aanvraag van eiser afgewezen op de grond dat eiser geen vervolging in de zin van artikel 2 van de Wet heeft ondergaan. Verder is overwogen dat de omstandigheden waaronder eiser gedurende de oorlogsjaren heeft geleefd geen aanleiding geven om hem met toepassing van de in artikel 3, tweede lid, van de Wet neergelegde anti-hardheidsbepaling met een vervolgde gelijk te stellen.

Bij het thans bestreden besluit, dat na bezwaar van eiser is genomen, is voornoemd besluit gehandhaafd. Daartoe is in het bijzonder overwogen dat op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt of is aangetoond dat eiser op grond van zijn ras heeft moeten onderduiken en dat uit de beschikbare gegevens blijkt dat het gezin waartoe eiser behoorde vanaf 30 juni 1943 stond ingeschreven op een huisadres te [woonplaats] en vanaf dat moment niet meer stond ingeschreven in het Centraal Bevolkingsregister. Voorts heeft verweerster overwogen dat niet is gebleken dat eiser als (half)zigeuner geregistreerd stond en om die reden vervolging te vrezen had. Verder kan volgens verweerster uit het feit dat eiser na 16 mei 1944 niet is opgepakt, niet worden afgeleid dat eiser ondergedoken is geweest omdat in de literatuur wordt aangenomen dat er na 16 mei 1944 geen vervolgingsmaatregelen tegen zigeuners zijn geweest.

Gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, is in geding de vraag of verweerster terecht en op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat eiser geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. Daartoe overweegt de Raad het volgende.

Aan de gedingstukken ontleent de Raad dat eiser is geboren uit het huwelijk van [naam vader] en [naam moeder]. Eisers vader was woonwagenbewoner-niet zigeuner, terwijl de moeder van eiser van zigeuner afkomst was. Eiser zelf is, als kind uit een gemengd huwelijk, half-zigeuner.

In haar bestendige, in eerdere rechtspraak van de Raad niet onaanvaardbaar geoordeelde, bestuurspraktijk hanteert verweerster bij de toepassing van artikel 2, eerste lid, sub c, van de Wet als vast uitgangspunt dat ten aanzien van vol- en halfzigeuners wordt uitgegaan van de veronderstelling dat, indien zij niet zijn opgepakt, zij na (de razzia's van) 16 mei 1944 ondergedoken zijn geweest om aan vervolging te ontkomen en dat het begrip onderduik daarbij, onder meer gelet op de aard en karakter van de betrokken groep, ruim wordt opgevat. Voor die veronderstelling is geen plaats indien uit de geverifieerde feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat een vol- of een half-zigeuner niet heeft verkeerd in een reële onderduiksituatie. In zo'n geval dient verweerster naar het oordeel van de Raad uit te gaan van de feiten en niet van een daarmee strijdige veronderstelling.

Naar het oordeel van de Raad is genoemd uitgangspunt ook op het gezin waartoe eiser behoorde van toepassing en ziet de Raad, anders dan verweerster, geen aanknopingspunten om van dat uitgangspunt af te wijken.

Daartoe overweegt de Raad dat uit de stukken blijkt dat eisers moeder weliswaar vanaf juni 1943 tot mei 1945 op een vast huisadres te [woonplaats] stond ingeschreven en uitgeschreven was uit het Centraal Bevolkingsregister doch dat het blijkens historische informatie vaker voorkwam dat (half)zigeuners op een vast huisadres stonden ingeschreven terwijl ze toch een zwervend bestaan leidden. Bovendien acht de Raad het, gelet op de in beroep ingezonden stukken, aannemelijk dat eisers moeder zich tezamen met haar kinderen op 16 mei 1944 bevond op het woonwagenkamp Kleine Heide te [woonplaats], dat het gezin op die dag de razzia heeft meegemaakt en ternauwernood aan transport naar kamp Westerbork is ontkomen.

In dit verband acht de Raad met name van belang een verslag van een bespreking op het bureau van de Commissaris van politie op 16 april 1969 en de door Gemeente-Politie Venlo, ongedateerde, opgestelde 'Opgave zigeunerfamilies, die zich in de Gemeente [woonplaats] ophouden'.

De stelling die verweerster in beroep nog heeft verwoord dat moeder en de kinderen, waaronder eiser, op gezag van een plaatselijke NSB'er niet zijn weggevoerd, kan naar het oordeel van de Raad niet aan het voorgaande afdoen omdat niet valt aan te nemen dat daarmee vanwege de Duitse bezetter de garantie was gegeven dat het gezin waartoe eiser behoorde geen vervolging meer had te vrezen.

Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat verweerster ten onrechte niet heeft aanvaard dat eiser vervolging in de zin van artikel 2 van de Wet heeft ondergaan. Mitsdien ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke motivering en komt het wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.

Met betrekking tot de proceskosten in beroep neemt de Raad in aanmerking dat de onderhavige beroepszaak in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht samenhangt met de beroepszaken van de broer en zus van eiser, die zijn geregistreerd onder respectievelijk 99/6285 WUV en 99/6159 WUV, waarin de Raad heden eveneens afzonderlijk uitspraak doet. De Raad begroot de proceskosten, en wel de kosten voor rechtsbijstand, voor de drie samenhangende zaken tezamen op € 644,--.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 214,67, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Bepaalt dat het betaalde griffierecht ad thans € 27,23 door de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiser wordt vergoed.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter, mr. G.L.M.J. Stevens en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Maurik als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2002.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) M.M. van Maurik.

HD

13.08