Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE9274

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
31-10-2002
Zaaknummer
99/1286 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 4 Besluit boete ZW/WAO werkgevers dient buiten toepassing te worden gelaten wegens strijd met art. 29a.2 jo. 29a.6 WAO.

Appellant heeft gedaagde in verband met het niet tijdig indienen van een reïntegratiemelding als bedoeld in art. 71a.1 WAO een boete opgelegd van fl. 1.000,-.

CRvB: Gelet op hetgeen is overwogen in zijn uitspraak van 5 juni 2002, 99/6446 WAO (LJN: url(''AE6184'',../../uitspraak/showdetail_homepage.asp?ljn=AE6184) ), is de Raad van oordeel dat in het ter uitvoering van art. 29a.6 WAO vastgestelde Besluit boete ZW/WAO werkgevers (hierna: Boetebesluit) ten onrechte geen nadere regels zijn gesteld omtrent onder meer de afstemming van de boete op de mate van verwijtbaarheid van een verzuim, zoals bepaald in art. 29a.2 WAO. De Raad is, gelet hierop, tot de conclusie gekomen dat art. 4 Boetebesluit buiten toepassing dient te blijven en dat het bestreden besluit daar ten onrechte op is gebaseerd.

De Raad van bestuur van het UWV, appellant.

mrs. M.I. 't Hooft, R.M. van Male, H.G. Rottier

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/1286 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij primair besluit van 23 februari 1998 heeft appellant gedaagde in verband met het niet tijdig indienen van een voorlopig reïntegratieplan een boete opgelegd van f 1.000,--.

Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door appellant bij besluit van 26 juni 1998 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 8 februari 1999 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van die uitspraak en gelast dat appellant het door gedaagde betaalde griffierecht vergoedt.

Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden.

Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 mei 2002, waar partijen niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad verwijst voor een weergave van de relevante feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. Hij maakt deze tot de zijne.

Appellant heeft aan gedaagde bij het bestreden besluit een boete opgelegd van f 1.000,-- wegens het niet tijdig hebben gedaan van een reïntegratiemelding als bedoeld in artikel 71a, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), ten behoeve van een in dat besluit met name genoemde ten gevolge van ziekte of gebrek uitgevallen werknemer van gedaagde.

Met betrekking tot de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden, overweegt de Raad het volgende.

Gelet op hetgeen is overwogen in zijn uitspraak van 5 juni 2002, 99/6446 WAO, is de Raad van oordeel dat in het ter uitvoering van artikel 29a, zesde lid, van de WAO vastgestelde Besluit boete ZW/WAO werkgevers (hierna: Boetebesluit) ten onrechte geen nadere regels zijn gesteld omtrent onder meer de afstemming van de boete op de mate van verwijtbaarheid van een verzuim, zoals bepaald in artikel 29a, tweede lid, van de WAO. De Raad is, gelet hierop, tot de conclusie gekomen dat artikel 4 van het Boetebesluit buiten toepassing dient te blijven en dat het bestreden besluit daar ten onrechte op is gebaseerd.

Hieruit volgt dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, behoudens voor zover daarin is opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van gedaagde te nemen. Tevens volgt hieruit dat het primaire besluit dient te worden vernietigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van proceskosten, nu van het bestaan daarvan niet is gebleken.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat appellant met inachtneming van die uitspraak een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen;

Vernietigt het primaire besluit;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male en

mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2002.

(get.) M.I. ’t Hooft.

(get.) A. de Gooijer.

AP268