Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8967

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-09-2002
Datum publicatie
21-10-2002
Zaaknummer
00/4837 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/362 met annotatie van A. van Eijs
USZ 2002/331
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/4837 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 3 september 1998 heeft appellant de uitkering van gedaagde ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 oktober 1998 ingetrokken, onder overweging dat de mate van gedaagdes arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% was.

Bij besluit van 19 augustus 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant aangegeven gedaagde ontvankelijk te achten in het ingediende bezwaar tegen het besluit van 3 september 1998, en voorts besloten de beslissing van 3 september 1998 te handhaven met aanvulling van de motivering.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 28 juli 2000, verzonden op 8 augustus 2000, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, alsmede beslissingen gegeven met betrekking tot het griffierecht en de proceskosten.

Appellant is bij beroepschrift van 13 september 2000 van die uitspraak in hoger beroep gekomen, waarna bij schrijven van 10 oktober 2000 de gronden zijn aangegeven waarop het beroep rust.

Namens gedaagde heeft mr. B.J. de Deugd, advocaat te Nieuwerkerk aan den IJssel, een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 18 juni 2002 heeft gedaagdes gemachtigde het verweer nader toegelicht en aangegeven dat gedaagde en de gemachtigde verhinderd zijn ter zitting te verschijnen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 juni 2002, waar appellant is verschenen bij mr. M.M. de Boer-Veerman, werkzaam bij het Uwv, terwijl, als aangekondigd, gedaagde niet is verschenen.

II. MOTIVERING

Gedaagde, die laatstelijk werkzaam was als uitzendkracht, heeft op 14 mei 1996 een auto-ongeluk gehad. Korte tijd later heeft gedaagde zich ziekgemeld met het zweepslagsyndroom. Bij besluit van 3 juni 1997 zijn aan gedaagde met ingang van 2 juni 1997 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de WAO toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Gedaagde is vervolgens op 25 juni 1998 gezien door de verzekeringsarts J.W.A. Verheijde. Deze acht de belastbaarheid van gedaagde ten opzichte van de eerder vastgestelde belastbaarheid onveranderd. De arbeidsdeskundige W.J. Vos concludeert daarop op basis van een schatting op functies tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 0, waarna bij brief van 31 juli 1998 aan gedaagde de uitkomst van het arbeidsongeschiktheidsonderzoek is bekendgemaakt.

Daarop heeft appellant het in rubriek I genoemde besluit van 3 september 1998 genomen.

Bij brief van 12 november 1998 heeft mr. E.D. Touw namens gedaagde tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarbij is aangegeven dat gedaagde, naar aanleiding van de brief van 31 juli 1998 telefonisch contact met appellant heeft gehad, omdat de bij die brief toegezegde beslissing uitbleef. Vervolgens is door mr. Touw op 5 november 1998 telefonisch contact opgenomen met appellant, waarna op 6 november 1998 aan mr. Touw een afschrift van het besluit van 3 september 1998 is toegezonden.

Voorafgaand aan de hoorzitting zijn door gedaagdes gemachtigde afschriften ingezonden van rapportages van de neuroloog H.J. Vroon van 15 februari 1999 en de ostheopaat/manueel therapeut R.J. Abbas van 3 maart 1997.

Ter hoorzitting is namens gedaagde betoogd dat het belastbaarheidspatroon onjuist is en dat gedaagde medisch niet is staat is de geselecteerde functies te vervullen. De bezwaarverzekeringsarts H.J. Schaap, aanwezig ter hoorzitting, heeft gedaagde bevraagd naar de aard van zijn klachten.

Na de hoorzitting heeft Schaap, op basis van een dossierstudie, de namens gedaagde in bezwaar ingebrachte informatie en de informatie verkregen ter hoorzitting, de belastbaarheid van gedaagde heroverwogen. Schaap concludeert blijkens een rapportage van 24 juni 1999 tot een bijstelling van het belastbaarheidspatroon. Na overleg met de bezwaarverzekeringsarts over de markeringen in de onderscheiden functies, concludeert de bezwaararbeidsdeskundige J.F. Stoffijn in een rapportage van 17 augustus 1999 op die basis dat een aantal van de geselecteerde functies vervalt, maar dat voldoende geschikte functies overblijven om de schatting op te baseren. Een berekening op die grondslag levert een arbeidsongeschiktheidspercentage van 2,44 op, en derhalve handhaving van de arbeidsongeschiktheidsklasse minder dan 15%.

Daarop heeft appellant het bestreden besluit genomen. Daarin wordt met betrekking tot de ontvankelijkheid overwogen dat de beslissing van 3 september 1998 niet aangetekend is verzonden. Derhalve is het mogelijk dat deze beslissing gedaagde niet eerder dan op 6 november 1998 heeft bereikt. Aangegeven wordt verder dat gedaagde op 15 september 1998 heeft geïnformeerd naar het uitblijven van de beslissing. Geconcludeerd wordt dat het bezwaar ontvankelijk is. Ten gronde wordt de beslissing van 3 september 1998 gehandhaafd, met aanvulling van de motivering als neergelegd in de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en -arbeidsdeskundige van respectievelijk 24 juni en 17 augustus 1999.

In beroep is namens gedaagde aangevoerd dat het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op de genoemde rapportages van 24 juni en 17 augustus 1999. Gedaagde had in de gelegenheid gesteld moeten worden om zijn bedenkingen tegen het belastbaarheids-patroon en/of rapportages te geven. Daarenboven worden als grieven aangevoerd dat het belastbaarheidspatroon niet voldoende rekening houdt met de oorklachten en de psychische gesteldheid van gedaagde, dat de fysieke vermogens en beperkingen van gedaagde onjuist zijn vastgesteld en dat het vastgestelde belastbaarheidspatroon onjuist is gehanteerd.

Door appellant zijn de grieven van gedaagde gemotiveerd bestreden, met uitzondering van de eerstgenoemde grief betrekking hebbende op de zorgvuldigheid van de besluitvorming in bezwaar, die in verweer door appellant niet expliciet is bestreden. Door appellant is geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van gedaagde en tot ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft primair geoordeeld dat appellant met recht gedaagde heeft ontvangen in zijn bezwaar tegen het besluit van 3 september 1998. In het onderhavige geval ligt het risico dat niet kan worden vastgesteld of het besluit gedaagde tijdig heeft bereikt bij appellant. Voorts oordeelt de rechtbank dat gedaagde, nadat het besluit van 3 september 1998 bij hem bekend was geworden, voortvarend heeft gehandeld door op 12 november 1998 een bezwaarschrift in te dienen. De rechtbank concludeert dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat gedaagde in verzuim is geweest, zodat de overschrijding van de bezwaartermijn met recht verschoonbaar is geacht.

Ten gronde heeft de rechtbank het ingestelde beroep gegrond geoordeeld. Zij heeft in dat verband als volgt overwogen (waarbij appellant is aangeduid als verweerder en gedaagde als eiser):

"De rechtbank heeft de bezwaren van eiser ten aanzien van het door verweerder niet in de gelegenheid stellen een reactie op de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige te geven, beschouwd als een beroep op artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Dit artikel luidt als volgt:

"Wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aannemelijk belang kunnen zijn, wordt dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord". Deze verplichting vloeit ook voort uit artikel 21 van het Reglement behandeling bezwaarschriften Lisv 1998.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser in de gelegenheid had moeten stellen een reactie te geven op de rapportages alvorens het bestreden besluit te nemen. Weliswaar is eisers mate van arbeidsongeschiktheid in het bestreden besluit evenals in het primaire besluit vastgesteld op minder dan 15%, de medische en arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit is ten aanzien van een aantal belangrijke aspecten gewijzigd ten opzichte van de onderbouwing van het primaire besluit. Uit het voorgaande is gebleken dat eiser bedenkingen heeft ten aanzien van de medische en arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit. Aannemelijk is dat eiser zijn bezwaren ten aanzien van de rapportages zou hebben geuit indien verweerder hem daartoe in de gelegenheid zou hebben gesteld, welke bezwaren verweerder bij de heroverweging had moeten betrekken. Door deze gang van zaken is eiser benadeeld.

De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat het bestreden besluit, vanwege geen toepassing geven aan het bepaalde in artikel 7:9 van de Awb, vernietigd dient te worden."

De rechtbank heeft vervolgens onderzocht of het bestreden besluit ten materiële in rechte stand zou kunnen houden. Na bevestigende beantwoording van die vraag heeft zij geoordeeld dat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat, gelet op hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd, het hoger beroep van appellant beperkt is tot de vernietiging van het bestreden besluit. Van de zijde van gedaagde is geen hoger beroep ingesteld tegen het instandlaten door de rechtbank van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, in verband waarmee de Raad niet toekomt aan een oordeel over de inhoudelijke juistheid van dat besluit.

Betoogd wordt door appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat er in casu sprake is van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb, zodat door de rechtbank ten onrechte is aangenomen dat gedaagde na de hoorzitting opnieuw in de gelegenheid had moeten worden gesteld om zijn bezwaren kenbaar te maken. Met betrekking tot artikel 21 van het Reglement behandeling bezwaarschriften Lisv 1998 wordt aangevoerd dat onder het in deze bepaling bedoelde 'nader onderzoek' wordt verstaan 'elke externe gegevensaanvraag door de Afdeling Bezwaar & Beroep die nodig is om alsnog een beslissing op bezwaar te kunnen nemen'. Zo'n onderzoek heeft in casu niet plaatsgevonden, zodat, op grond van deze bepaling, geen verplichting bestond gedaagde de resultaten van het onderzoek in afschrift toe te zenden, zodat ook op grond van die bepaling geen reden bestond gedaagde na de hoorzitting opnieuw in de gelegenheid te stellen zijn bezwaren kenbaar te maken.

Namens gedaagde is betoogd dat wel degelijk is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 7:9 van de Awb, en, daarnaast, dat in het onderhavige geval wel moet worden gesproken van een 'nader onderzoek' als bedoeld in artikel 21 van het hiervoor genoemde Reglement. Namens gedaagde is verder aangevoerd dat door appellant in de procedure in eerste aanleg tegen de als eerste aangevoerde grief, waarbij over het niet alsnog horen na de hoorzitting is geklaagd, geen enkel verweer is gevoerd. Het geeft geen pas dat appellant in hoger beroep tegen dit punt alsnog grieven aanvoert, aldus de gemachtigde.

Het gaat in dit geding om de vraag of het bestreden besluit van gedaagde in rechte stand kan houden.

De Raad beantwoordt die vraag, anders dan de rechtbank, in bevestigende zin.

In de eerste plaats onderschrijft de Raad hetgeen de rechtbank terzake van de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift van appellant heeft overwogen.

Met betrekking tot het namens gedaagde gevoerde verweer dat appellants grieven tardief zijn, nu terzake in eerste aanleg door appellant geen verweer is gevoerd, merkt de Raad op dat bedoeld verweer reeds niet tot het door gedaagde beoogde rechtsgevolg kan leiden, nu het op een feitelijk onjuist uitgangspunt berust. Immers appellant heeft in eerste aanleg gedaagdes desbetreffende grief weliswaar niet expliciet bestreden, maar heeft de juistheid van deze grief wel weergesproken, nu door appellant is geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van gedaagde en tot ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit.

Aan de Raad is ook overigens niet kunnen blijken van enig aanknopingspunt voor de stelling dat appellant het recht heeft verwerkt om - dan wel in strijd zou handelen met de beginselen van een goede procesorde door - in hoger beroep de juistheid van het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de tweede hoorplicht te bestrijden.

Ten aanzien van de grieven van appellant ten materiële oordeelt de Raad als volgt.

De Raad stelt voorop dat artikel 7:9 van de Awb als primaire toepassingsvoorwaarde kent dat sprake is van feiten of omstandigheden die aan het bestuursorgaan zijn bekend geworden na het horen. Naar het oordeel van de Raad is in het onderhavige geval van dergelijke feiten of omstandigheden geen sprake. De Raad overweegt in dat verband dat de bezwaarverzekeringsarts Schaap de bijstelling van het door de primaire verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon enkel heeft gebaseerd op zijn observatie en bevraging van gedaagde ter hoorzitting en op de in het dossier vóór de hoorzitting aanwezige gegevens over gedaagde. De bezwaararbeidsdeskundige Stoffijn heeft vervolgens op die grondslag de herberekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde enkel gebaseerd op de reeds in de primaire fase van de besluitvorming verzamelde arbeidskundige gegevens. De Raad concludeert dat reeds op deze grond van een hoorplicht op grond van het bepaalde in artikel 7:9 van de Awb geen sprake kan zijn.

Op grond van de hiervoor gerelateerde feiten kan naar het oordeel van de Raad voorts niet gezegd worden dat in het onderhavige geval sprake is geweest van een 'nader onderzoek' als bedoeld in artikel 21 van appellants meermalen genoemde Reglement, zodat ook op grond van dit Reglement geen verplichting kan worden aangenomen tot het houden van een nieuwe hoorzitting.

De Raad komt tot de slotsom dat de uitspraak van de rechtbank waarbij het bestreden besluit is vernietigd in rechte geen stand kan houden. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het inleidend beroep alsnog ongegrond verklaren.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 september 2002.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.D. Streefkerk.