Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8953

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2002
Datum publicatie
30-10-2002
Zaaknummer
00/601 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/6401 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 31 oktober 2000, kenmerk JZ/U80/2000/957, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft [A.], wonende te [woonplaats], namens eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift (met bijlagen) is uiteengezet waarom eiseres het met het bestreden besluit niet eens is.

Verweerster heeft een verweerschrift ingezonden.

Op 13 mei 2002 heeft de Raad bericht ontvangen dat [A.] is overleden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 11 juli 2002, waar eiseres niet is verschenen en waar verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres ontvangt als nabestaande van een vervolgde een periodieke uitkering op grond van de Wet.

Naar aanleiding van de mededeling van eiseres dat zij vanaf 1 oktober 1999 niet langer wachtgeld maar een FPU-uitkering genoot, heeft verweerster eiseres op 31 mei 2000 op de hoogte gesteld van herberekening van haar periodieke uitkering per 1 oktober 1999. Voor zover hier van belang is daarbij met toepassing van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet in verband met de aan eiseres per 1 oktober 1999 toekomende FPU-uitkering op haar periodieke uitkering een korting toegepast. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster haar standpunt in zoverre, na daartegen gemaakt bezwaar, gehandhaafd.

Het beroep van eiseres betreft de korting die op haar periodieke uitkering is toegepast in verband met de per 1 oktober 1999 aan haar toegekende FPU-uitkering.

De Raad overweegt als volgt.

Verweerster heeft het bedrag dat eiseres vanaf 1 oktober 1999 aan FPU-uitkering ontvangt vanaf die datum in zijn geheel op de aan eiseres toegekende periodieke uitkering in mindering gebracht. Verweerster heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 19, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet op grond van welk artikelonderdeel - kort gezegd - overige inkomsten van de uitkeringsgerechtigde op zijn periodieke uitkering (moeten) worden gekort. Verweerster heeft in dit verband gewezen op het verschil ten aanzien van het door eiseres tot 1 oktober 1999 genoten wachtgeld. De korting van wachtgeld werd, nu wachtgeld in artikel 19, derde lid, van de Wet is gelijkgesteld met inkomsten uit arbeid in beroep of bedrijf als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder a, van de Wet, berekend met inachtneming van de in laatstgenoemd artikelonderdeel vermelde vrijstelling.

De Raad constateert dat verweerster terecht en op goede gronden heeft vastgesteld dat per 1 oktober 1999 het gehele door eiseres ontvangen bedrag aan FPU-uitkering op de haar toekomende periodieke uitkering moet worden gekort. Hetgeen van de zijde van eiseres in beroep naar voren is gebracht kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden. Naar aanleiding daarvan merkt de Raad nog op dat hij zich in dit geding moet beperken tot toetsing van de door verweerster toegepaste korting; ingrijpen in de voormalige arbeidsverhouding van eiseres zoals van de zijde van haar toenmalige gemachtigde is bepleit, valt buiten het bereik van dit geding.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep van eiseres niet slaagt.

De Raad acht geen termen aanwezig om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van eiseres.

Beslist wordt dan ook als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2002.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) L. Jörg.

HD

01.08