Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8945

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2002
Datum publicatie
30-10-2002
Zaaknummer
01/1733 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 20, geldigheid: 2002-07-25
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 21, geldigheid: 2002-07-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/1733 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Eiser], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 19 december 2000, kenmerk JZ/I/70/2000/1179, ten aanzien van eiser een besluit genomen betreffende toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiser het met het besluit niet eens is.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting op 8 mei 2002. Aldaar is eiser niet verschenen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiser vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet en zijn hem enkele bijzondere voorzieningen toegekend. In het verleden is aanvaard dat de psychische klachten van eiser in het vereiste verband staan met de vervolging die hij heeft ondergaan. Een dergelijk verband is niet aanvaard ten aanzien van eisers hart- en vaatklachten en zijn gewrichtsklachten.

In maart 1999 heeft eiser bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om vergoeding van de kosten verbonden aan een extra vakantie.

Verweerster heeft deze aanvraag van eiser afgewezen bij besluit van 21 maart 2000, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Hierbij is overwogen dat er geen ruimte is om, naast de aan eiser bij besluit van 18 augustus 1999 toegekende voorziening voor het onderhouden van sociale contacten, een voorziening voor een extra vakantie toe te kennen. Verweerster heeft daarbij mede in aanmerking genomen het advies van de geneeskundig adviseur, de arts R. van Gorkum, waar niet is gebleken van een medische indicatie voor toekenning van gevraagde voorziening naast de reeds verstrekte tegemoetkoming voor sociale contacten en dat ook niet is gebleken van bijzondere omstandigheden.

Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

De Raad gaat er bij zijn oordeelsvorming betreffende de in beroep aan de orde zijnde voorziening vanuit dat verweerster, zoals zij ook bij verweerschrift en ter zitting heeft doen aanvoeren, bij de invulling van beoordelingscriteria voor voorzieningen in het algemeen als uitgangspunt heeft gekozen voor aan de Indonesische situatie aangepaste voorzieningen. Ingevolge dit specifiek op de Indonesische situatie aangepaste voorzieningenbeleid is het mogelijk een bedrag toe te kennen voor het onderhouden van sociale contacten waarin zijn begrepen bedragen voor vakantie, vervoer, brieven en telefoon.

Ten aanzien van de voorziening extra vakantie houdt dit in dat deze voorziening slechts in zéér specifieke gevallen als afzonderlijke voorziening kan worden toegekend, omdat vakantie in Indonesië - in tegenstelling tot in Nederland- niet gangbaar is en er dus geen extra kosten voor vakantie worden gemaakt. Slechts in zeer specifieke gevallen kan de voorziening worden toegekend bij een aanvrager met causale psychische klachten en wordt naar aanleiding van de individuele situatie invulling naar duur en naar medische noodzaak dan wel naar medische wenselijkheid gegeven. Dit beleid acht de Raad niet kennelijk onredelijk of anderszins in strijd met regels van geschreven of ongeschreven recht.

In het geval van eiser heeft verweerster in overeenstemming met het beleid en in navolging van de adviezen van haar geneeskundig adviseurs geoordeeld dat een medische noodzaak voor toekenning van de gevraagde voorziening zich niet voordoet. Bij de afwijzing heeft meegewogen dat aan eiser een tegemoetkoming is toegekend in de kosten van het onderhouden van sociale contacten.

De Raad heeft in de beschikbare medische en andere gegevens geen aanknopingspunt kunnen vinden om het standpunt van verweerster onjuist te oordelen.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte stand kan houden.

De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2002.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A. de Gooijer.

HD

16.07