Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8920

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-08-2002
Datum publicatie
30-10-2002
Zaaknummer
00/5497 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/5497 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 29 september 2000, kenmerk JZ/B/2000/406, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift met bijlagen, zoals nog aangevuld bij op 3 juli 2002 ingekomen schrijven, is uiteengezet waarom eiser zich met dit besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 juli 2002. Aldaar is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door R. van der Heiden, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.S.K. van Gammeren, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in mei 1999 bij verweerster een aanvraag ingediend, primair ertoe strekkend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Deze aanvraag heeft eiser gebaseerd op rugklachten, linkerarm- en linkerbeenklachten alsmede psychische klachten, welke een gevolg zouden zijn van zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.

Verweerster heeft bij het, na bezwaar genomen, bestreden besluit alsnog aanvaard dat eiser tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 is getroffen door een handeling of maatregel van de Japanse bezetter als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder b, van de Wet, te weten mishandeling door een Japanner.

De aanvraag van eiser is bij dit besluit niettemin afgewezen omdat naar het oordeel van verweerster niet is voldaan aan de ingevolge de Wet tevens geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel tengevolge van de ondervonden oorlogscalamiteiten, leidend tot blijvende invaliditeit. Daartoe is vooreerst overwogen dat aan de, bij de mishandeling getroffen linkerelleboog geen afwijkingen of beperkingen in het gebruik zijn geconstateerd. Voorts is overwogen dat de rugklachten, de verminderde kracht in linkerarm en -been en de psychische klachten niet in verband staan met de oorlogservaringen.

Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

De zienswijze van verweerster is in overeenstemming met het advies van haar geneeskundig adviseur. Dit advies berust op bij de huisarts van eiser ingewonnen informatie, alsmede op een op verzoek van verweerster ingesteld onderzoek van eiser door haar adviserend geneeskundige, de arts L. Tromp, waarvan op 22 maart 2000 rapport is uitgebracht.

Wat betreft de door eiser naar voren gebrachte lichamelijke klachten acht de Raad het bestreden besluit op grond van dit advies deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.

Uit de verweerster ter beschikking staande medische gegevens komt naar voren dat de rugklachten van eiser vanaf de zeventiger jaren medisch zijn vastgelegd, waarbij eerst sprake was van een hernia en later van een lumbago. Verder komt naar voren dat de verminderde kracht in linkerarm en -been is toe te schrijven aan een blijkens de anamnese in de vroege jeugd doorgemaakte poliomyelitis en dat zich in de tachtiger jaren ontstekingen in de linkerarm en linkerschouder hebben voorgedaan maar dat sindsdien geen afwijkingen in vorm of functie van de linkerarm zijn vastgesteld.

De Raad is niet kunnen blijken van enig aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseur, op basis van die gegevens ingenomen standpunt dat geen sprake is van tot blijvende invaliditeit leidend lichamelijk letsel tengevolge van de ondervonden oorlogscalamiteiten.

Wat betreft de psychische klachten van eiser is de Raad tot een ander oordeel gekomen.

Blijkens het aan het advies van de geneeskundig adviseur van verweerster ten grondslag liggende rapport van de arts Tromp heeft deze arts bij zijn onderzoek van eiser in psychisch opzicht een complex beeld geconstateerd, waarbij angstklachten een belangrijke rol spelen. Zich kennelijk niet in staat achtend om terzake tot een diagnose te komen heeft genoemde arts veronderstellenderwijs een aantal, in zijn ogen meest waarschijnlijke mogelijkheden benoemd welke naar zijn oordeel echter geen van alle een denkbaar verband met de oorlogsgebeurtenissen kunnen hebben omdat daarbij een organische oorzaak is aan te wijzen. Verdere diagnostiek in het kader van de beoordeling van de oorlogswetten is daarom niet nodig geoordeeld.

Met deze zienswijze kan de Raad zich uit een oogpunt van de bij de voorbereiding van besluiten als de onderhavige in acht te nemen zorgvuldigheid niet verenigen. Gelet op de aard van de naar voren gebrachte, ernstige klachten en het ontbreken van enig gegeven daarover uit de behandelende sector had het naar 's Raads oordeel, bij de in dit geval duidelijk tekortschietende deskundigheid van de eigen geneeskundigen, op de weg van verweerster gelegen om externe specialistische expertise in te doen winnen teneinde een meer precies beeld te verkrijgen.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in aanmerking komt voor vernietiging wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad ziet, ten slotte, termen aanwezig om verweerster te veroordelen in de kosten van eiser, welke zijn begroot op € 36,33 als reiskosten.

Van andere kosten is de Raad niet gebleken.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit zal nemen met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiseres het in dit geding betaalde griffierecht ad € 27,23 vergoedt;

Veroordeelt verweerster in de als reiskosten door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag groot € 36,33, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Maurik als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2002.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) M.M. van Maurik.

HD

15.08