Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8913

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2002
Datum publicatie
15-10-2002
Zaaknummer
00/274 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/274 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als rechtsopvolger van de Minister van Justitie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 8 december 1999, nr. AW 98/905, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 1 februari 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W. de Klein, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.C.C. Balke, verbonden aan CAPRA.

II. MOTIVERING

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, vanaf 1982 in dienst van de Rijkspolitie te water, is bij de reorganisatie van de politie per 1 april 1994 geplaatst bij het Korps landelijke politiediensten in de functie van surveillant water (schaal 7 van het Besluit bezoldiging politie), een zogeheten B-functie in de zin van de Uitvoeringsregeling Korps landelijke politiediensten. Het desbetreffende plaatsingsbesluit van 15 augustus 1994 ging niet vergezeld van een bijlage betreffende de toepassing van de zogenaamde functiewaardering terugwerkende kracht als geregeld in de Regeling bezwaren terugwerkende kracht functiewaardering Korps landelijke politiediensten. Blijkens de toelichting bij het plaatsingsbesluit impliceerde het ontbreken van die bijlage de weigering om appellant in aanmerking te doen komen voor toepassing van die regeling: geweigerd werd hem met terugwerkende kracht tot en met 1 april 1991 in te delen in een hogere schaal dan schaal 7.

1.2. Appellant heeft tegen die weigering bezwaar gemaakt. Hij was van mening dat de door hem in de hier relevante periode, van 1 april 1991 tot 1 april 1994, verrichte werkzaamheden van dien aard waren dat zijn functie, gelet op de zogeheten referentiefunctie rechercheur B, ingedeeld behoort te worden in schaal 8. Het door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van 29 mei 1995 ongegrond verklaard.

1.3. Het tegen dat besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 15 juli 1997, nr. AW 95/1268, gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 29 mei 1995 vernietigd en opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het in haar uitspraak overwogene.

1.4. Bij besluit van 15 juli 1998 is het bezwaar van appellant tegen de weigering van 15 augustus 1994 (opnieuw) ongegrond verklaard. Het beroep van appellant tegen dit besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

2. Appellant(s raadsman) heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft aangelegd betreffende de kwalifcatie en aard van de aan appellant feitelijk opgedragen werkzaamheden over de periode van 1 april 1991 tot 1 april 1994. Uit de schriftelijk overgelegde stukken en hetgeen reeds eerder en ook nader ter zitting zijnerzijds naar voren is gebracht kan zijns inziens slechts worden geconcludeerd dat hij structureel en substantieel met werkzaamheden was belast die passen binnen de referentiefunctie rechercheur B. Hij heeft de betekenis van de door de rechtbank en gedaagde gebruikte getuigenverklaringen in twijfel getrokken en een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel: hij heeft gewezen op de indeling in schaal 8 van zijn collega Van Schie, die zijns inziens met dezelfde werkzaamheden belast is geweest.

3. Namens gedaagde is gesteld dat op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de uitspraak van 15 juli 1997. Mede op basis van de evenbedoelde, naar gedaagdes oordeel terecht in aanmerking genomen getuigenverklaringen is zijns inziens op goede gronden geconcludeerd dat de door appellant in eerder vermelde periode verrichte werkzaamheden niet duidelijk passend zijn binnen de referentiefunctie rechercheur B. Gesteld is dat appellant niet belast is geweest met de zelfstandige afhandeling van zaken op een zwaarder terrein dan de middelzware criminaliteit. Bovendien komt het gedaagde voor dat het aan appellant is om op ondubbelzinnige wijze aan te tonen dat hij structureel en substantieel feitelijk belast is geweest met recherchewerkaamheden die het schaalniveau van schaal 8 rechtvaardigen. In dit verband is gewezen op de uitspraak van de Raad van 15 april 1999, nrs. 97/4159 AW en 97/4160 AW, blijkens welke de functiewaardering terugwerkende kracht slechts een volgend karakter heeft. Naar het oordeel van gedaagde gaat de vergelijking met appellants collega Van Schie niet op, reeds omdat deze laatste is geplaatst in een andere B-functie dan appellant.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Bij de door beide partijen aanvaarde uitspraak van de rechtbank van 15 juli 1997 is overwogen dat appellant genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aandeel in de recherchewerkzaamheden substantieel meeromvattend is geweest dan met de voor hem formeel geldende functie in overeenstemming is. In de praktijk zijn appellant taken opgedragen welke qua aard en omvang die functie te buiten gingen, aldus de rechtbank. Zij heeft gesteld dat aan dit aspect in het kader van de aan de orde zijnde functiewaardering niet voorbij kan worden gezien.

4.2.1. Bij de voorbereiding van het thans door appellant bestreden besluit heeft gedaagde appellant in de gelegenheid gesteld op een aantal concrete vragen antwoord te geven. Dat heeft deze ten dele, voorzover het hem mogelijk was, gedaan; opnieuw heeft hij voorts verwezen naar de gedetailleerde overzichten die hij eerder had overgelegd. Tevens heeft hij getuigenverklaringen overgelegd.

4.2.2. Gedaagde heeft ook verklaringen over de door appellant verrichte recherchewerkzaamheden aan diens vroegere leidinggevenden Stoffer en Oudshoorn gevraagd. Dezen hebben een tamelijk summiere, algemeen gestelde verklaring gegeven waaruit onder meer blijkt dat appellant vanaf medio januari 1992 is belast met recherchewerkzaamheden.

4.2.3. Gedaagde heeft op basis van de aldus verkregen gegevens geconcludeerd dat appellant niet structureel en substantieel werkzaamheden van een hoger niveau dan schaal 7 heeft verricht. In zijn verweerschrift in hoger beroep is namens gedaagde opgemerkt dat in het geval van appellant geconstateerd moet worden dat hij niet belast is geweest met de zelfstandige afhandeling van zaken op een zwaarder terrein dan de middelzware criminaliteit.

4.3. De rechtbank heeft gedaagdes conclusie gedeeld op basis van de op een nadere zitting van de rechtbank onder ede afgelegde verklaringen van de genoemde leidinggevenden. De rechtbank doelt daarbij onder andere op het commentaar van deze getuigen op het uitvoerige overzicht dat appellant heeft gegeven van zijn werkzaamheden.

4.4. De Raad is van oordeel dat gedaagde niet op deugdelijke wijze, gegeven de onherroepelijke uitspraak van de rechtbank van 1997, een nieuwe functiewaarderingsbeslissing heeft genomen. Gedaagde heeft het oordeel van de rechtbank dat appellant een substantieel meeromvattend aandeel in recherchewerkzaamheden heeft gehad dan met zijn formele functie in overeenstemming was, onvoldoende in acht genomen.

4.5. Gedaagde heeft weliswaar vragen gesteld aan appellant en verklaringen gevraagd van diens vroegere leidinggevenden, maar hij heeft niet, met inachtneming van de uitspraak van 1997, een deugdelijke beschrijving van de te waarderen functie, dat is in dit geval het samenstel van de door appellant in meergenoemde periode verrichte werkzaamheden, opgemaakt en getoetst aan de in aanmerking komende referentiefuncties. Hij heeft enerzijds de bewijslast van het takenpakket eenzijdig op appellant doen rusten, waarbij hij onvoldoende rekening heeft gehouden met de als gevolg van onder meer het tijdsverloop bij appellant aanwezige bewijsnood, maar anderzijds tegenover de door appellant concreet gegeven beschrijvingen van taken volstaan met verklaringen en commentaar van de meergenoemde leidinggevenden. Dit betrof niet een met stukken onderbouwde weerlegging van de concrete gegevens van appellant, voor welke laatste gegevens enige steun is te vinden in getuigenverklaringen die appellant heeft overgelegd.

4.6. De Raad acht de relativering van de betekenis van de door appellants vroegere leidinggevenden gegeven verklaringen, zoals door appellant gemotiveerd bepleit, juist. Ter zitting heeft appellant onweersproken gesteld dat de leidinggevende Stoffels niet zelf zicht had op de werkzaamheden die appellant verrichtte. Ten aanzien van de verklaring van de leidinggevende Oudshoorn past reserve, niet alleen in het licht van hetgeen appellant heeft verklaard omtrent de verhouding tussen hen beiden maar ook omdat in het algemeen in het kader van functiewaardering aan verklaringen van de directe chef over het niveau van werkzaamheden niet meer dan indicatieve betekenis toekomt. De Raad acht voorts niet zonder betekenis dat het tegen het primaire besluit gerichte bezwaarschrift van appellant waarin deze heeft gesteld dat hij meent dat de werkzaamheden als zodanig verricht duidelijk de werkzaamheden omschreven in de FIF "surveillant water" te boven gaan, mede is ondertekend door appellants toenmalige chef Oudshoorn.

4.7. De rechtbank heeft haar oordeel vrijwel geheel gebaseerd op de getuigenverklaringen. Gelet op hetgeen onder 4.6. is overwogen, berust dat oordeel van de rechtbank niet op een houdbare motivering. De uitspraak kan derhalve geen stand houden.

4.8. De Raad komt voorts tot de conclusie dat ook het bestreden waarderingsbesluit niet in stand kan blijven nu het, blijkens het onder 4.2. tot en met 4.5 overwogene, op onvoldoende zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en een deugdelijke motivering ontbeert. In dit verband merkt de Raad nog op dat hij de bij verweerschrift gedane constatering dat appellant niet belast is geweest met de zelfstandige afhandeling van zaken op een zwaarder terrein dan de middelzware criminaliteit, niet kan plaatsen: bij de referentiefunctie rechercheur A is sprake van de afhandeling van zaken op het terrein van de middelzware criminaliteit, bij de functie rechercheur B is dit niet anders, waar terzake verwezen wordt naar de rechercheur A.

4.9. Waar beide partijen, desgevraagd, te kennen hebben gegeven dit op prijs te stellen, zal de Raad dit reeds lang slepend geschil thans bij zijn uitspraak definitief beslechten. Hij moet dat doen op grond van de beschikbare stukken en hetgeen ter zitting door beide partijen naar voren is gebracht.

4.9.1. Gelet op de door beide partijen aanvaarde uitspraak van de rechtbank van 15 juli 1997 is voldoende komen vast te staan dat appellants aandeel in de recherchewerkzaamheden substantieel meeromvattend is geweest dan met de voor hem formeel geldende functie in overeenstemming is. In de praktijk zijn appellant taken opgedragen welke qua aard en omvang die functie te buiten gingen. Voorts stelt de Raad vast dat appellant in aanvulling op zijn gedetailleerde overzicht van werkzaamheden, waarop de uitspraak van de rechtbank van 15 juli 1997 reeds ziet, ter zitting onweersproken heeft gesteld dat hij met betrekking tot de criminaliteitsbeheersing gespecialiseerd was op het specifieke terrein van de heling en dat hij voorts in het kader van de recherchewerkzaamheden onder meer drie maal drie maanden als mentor is opgetreden van minder ervaren collega's. Daarmee is naar het oordeel van de Raad voldoende aannemelijk geworden dat de werkzaamheden van appellant voldoen aan de in de referentiefunctie rechercheur B gegeven beschrijving.

4.9.2. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zal de Raad de waardering van de oorspronkelijke functie van appellant met ingang van 1 april 1991 alsnog vaststellen op schaal 8 van het Besluit bezoldiging politie.

5. Gelet op het vorenstaande en omdat de Raad voorts aanleiding ziet om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg begroot op € 966,- en in hoger beroep begroot op € 644,- aan kosten van juridische bijstand alsmede op € 18,80 aan reiskosten, wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Stelt de waardering van de oorspronkelijke functie van appellant met ingang van 1 april 1991 vast op schaal 8 van het Besluit bezoldiging politie en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal

€ 1.628,80, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 249,58 (voorheen f 550,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en prof.mr. L.F.M. Verhey als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2002.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

05.03

Q