Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8911

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2002
Datum publicatie
25-10-2002
Zaaknummer
00/5518 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 20, geldigheid: 2002-08-22
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 21, geldigheid: 2002-08-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00/5518 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de erven van wijlen [eiser], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats], eisers,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen-en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Verweerster heeft onder dagtekening 19 september 2000, kenmerk JZ/X70/2000/756, ten aanzien van thans wijlen [eiser] (hierna: betrokkene) een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945.

Tegen dit besluit is namens betrokkene op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Betrokkene is op 17 januari 2002 overleden, waarna het geding ten name van eisers is voortgezet.

Het geding is, gevoegd met de gedingen tussen partijen bij de Raad bekend onder de nrs. 99/5010 WUV en 99/36 WUV, behandeld ter zitting van de Raad op 12 juli 2002, waar voor eisers zijn verschenen drs. T.H.R. Kiezebrink en mr. G. Roodenburg, beiden verbonden aan de Stichting 1940-1945. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken was betrokkene vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). In het verleden is aanvaard dat de psychische klachten, met hypertensie samenhangende nierklachten en voetklachten van betrokkene in het vereiste verband stonden met de vervolging.

Bij aanvullende aanvraag van juli 1999 is namens betrokkene gevraagd om vergoeding van de kosten van een aanvullende klassenverzekering op het ziekenfonds, omdat zijn psychische klachten het hem, naar zijn zeggen, onmogelijk maakten dat hij bij een eventuele ziekenhuisopname op een zaal zou worden geplaatst.

Verweerster heeft deze aanvraag bij besluit van 9 februari 2000, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen op de grond dat er geen medische of medisch-sociale indicatie aanwezig was in verband met de uit de vervolging voortvloeiende psychische klachten van betrokkene die toekenning van de gevraagde voorziening rechtvaardigde.

Verweerster heeft daarbij in het bijzonder nog overwogen dat de aanvullende klassenverzekering geen garantie biedt dat betrokkene werkelijk een kamer apart zou krijgen en dat indien het apart liggen medisch geïndiceerd zou zijn, het hiervoor niet verzekerd zijn in beginsel geen beletsel zou behoeven te vormen.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of, gelet op het beroepschrift, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

In het zich onder de gedingstukken bevindende advies van de geneeskundig adviseur van de Pensioen- en Uitkeringsraad heeft deze vermeld dat op grond van het oorlogsverleden en de hieruit ontstane psychische klachten van betrokkene het verblijven op een eenpersoonskamer in een ziekenhuis wenselijk, doch niet medisch noodzakelijk was.

Ter zitting is van de zijde van verweerster nog meegedeeld dat alleen bij een strikt medische noodzaak toekenning van vergoeding van de hier in geding zijnde premie plaatsvindt en dat medisch-sociale wenselijkheid in het kader van artikel 21 van de Wet niet tot een toekenning zou leiden.

In de voorhanden medische en andere gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om het in het hierboven genoemde medisch advies neergelegde oordeel voor onjuist te houden.

Aan het verzoek van betrokkene lag geen advies van een behandelend arts ten grondslag en ook in beroep is geen nadere medische onderbouwing gegeven voor de noodzaak van de gevraagde voorziening.

Mede gelet op de overweging in het bestreden besluit dat, indien het apart moeten liggen medische geïndiceerd is, het hiervoor niet verzekerd zijn in beginsel geen beletsel behoeft te vormen, is de Raad voorts van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerster niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om ook niet met toepassing van artikel 21 van de Wet - op grond waarvan verweerster een tegemoetkoming kan verlenen in kosten van voorzieningen strekkende tot verbetering van de levensomstandigheden van een betrokkene - een voorziening in deze te verstrekken.

Het beroep dat voorts namens eisers is gedaan op het gelijkheidsbeginsel moet reeds daarom falen omdat onvoldoende gegevens zijn verstrekt welke dat beroep zouden kunnen ondersteunen.

Het beroep dient gelet op het vorenstaande ongegrond te worden verklaard.

De Raad stelt tenslotte vast dat voor vergoeding van proceskosten met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht geen aanleiding bestaat.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.G. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2002.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A. Kovács.

HD

25.07