Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8896

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2002
Datum publicatie
30-10-2002
Zaaknummer
00/4000 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 20
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/4000 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats] (Israël), eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 31 mei 2000, kenmerk JZ/CM70/2000/414, ten aanzien van eiseres een besluit genomen betreffende toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlagen) is uiteengezet waarom eiseres het met het besluit niet eens is.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Daarop is door eiseres schriftelijk gereageerd, onder inzending van een nader stuk.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 juli 2002. Aldaar is eiseres - zoals aangekondigd - niet verschenen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II.MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiseres, geboren 5 juni 1928, vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet en zijn haar enkele bijzondere voorzieningen toegekend. In het verleden is aanvaard dat de psychische klachten, rugklachten, reuma, de ziekte van Sjögren en de heupaandoening van eiseres in het vereiste verband staan met de vervolging die zij heeft ondergaan. Een dergelijk verband is niet aanvaard ten aanzien van de hartklachten van eiseres.

In oktober 1998 heeft eiseres bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om toekenning van een bijzondere voorziening terzake van begeleiding buitenshuis voor acht uur per week. Bij besluit van 9 april 1999 heeft verweerster een vergoeding voor de kosten verbonden aan begeleiding buitenshuis toegekend voor twee uur per week en de aanvraag om toekenning van een vergoeding van of een tegemoetkoming in de kosten verbonden aan begeleiding buitenshuis voor meer dan twee uur per week afgewezen. Deze afwijzing is gebaseerd op het standpunt dat deze voorziening op grond van de causale ziekten of gebreken van eiseres niet als medisch noodzakelijk, noch als medisch-sociaal wenselijk kan worden beoordeeld.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster haar standpunt gehandhaafd. Daarbij is overwogen dat in bezwaar geen nieuwe gegevens zijn overgelegd en dat aan eiseres, naast de toegekende voorziening terzake van begeleiding buitenshuis, reeds eerder een vergoeding is verleend ten behoeve van vervoer voor het onderhouden van sociale contacten. Daarnaast verkeert eiseres - aldus verweerster - regelmatig in de kring van haar familie, waarbij in begeleiding zal zijn voorzien.

Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Blijkens de gedingstukken heeft verweerster de vraag naar de medische noodzaak voor een vergoeding of tegemoetkoming voor begeleiding buitenshuis gebaseerd op het advies van haar geneeskundig adviseur, de arts P. Windels, die heeft voorgesteld een onder-scheid te maken tussen sociale en medische begeleiding. In het kader van de herover-weging op bezwaar tegen de gedeeltelijke afwijzing van de gevraagde voorziening heeft verweerster het advies ingewonnen van haar geneeskundig adviseur de arts I.P.L. Koperberg, die toekenning van zeven uur begeleiding per week gerechtvaardigd heeft geacht. Het advies van de arts Koperberg berust wat betreft de omvang van de voorziening op een niet door verweerster vastgestelde interne notitie waarin onder meer opgenomen een norm voor het aantal te vergoeden uren voor begeleiding buitenshuis.

De Raad stelt vast dat verweerster, nu eerdergenoemde interne notitie nimmer door haar is vastgesteld, niet gehouden was de daaraan door haar arts I.P.L. Koperberg ontleende omvang van de te verlenen vergoeding voor extra begeleiding te volgen.

De vraag dient vervolgens te worden beantwoord of verweerster op goede gronden tot toekenning van de gevraagde voorziening voor niet meer dan twee uur per week is kunnen komen.

Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend.

Eiseres verblijft sinds 1 september 1998 in het verzorgingstehuis [X.] in [vestigingsplaats]. Aan haar zijn op grond van de Wet onder meer voorzieningen toegekend ter zake van medisch taxi-vervoer en voor vervoer voor het onderhouden van sociale contacten. Tegen deze achtergrond mag er vanuit worden gegaan dat eiseres bij haar dagelijkse activiteiten en bij gebruikmaking van taxi-vervoer de nodige begeleiding krijgt. De Raad deelt verder de zienswijze van verweerster dat bij bezoek van en naar familieleden die familieleden in begeleiding van eiseres voorzien.

Gelet op het vorenstaande is de Raad dan ook van oordeel dat verweerster in dit geval terecht heeft beslist dat met een vergoeding voor begeleiding buitenshuis van twee uur per week kon worden volstaan. Hetgeen door de geriater van eiseres, dr. Manevich, is verklaard heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit de verklaring van 7 januari 2000 niet duidelijk blijkt op welke gronden deze arts de door hem geadviseerde omvang van de voor eiseres noodzakelijk geachte begeleiding heeft gebaseerd en dat de verklaring van 14 juni 2000 daar evenmin voldoende duidelijkheid over geeft.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit dan ook geen grond, zodat dit besluit in rechte stand kan houden.

De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2002.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

25.07