Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8888

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2002
Datum publicatie
13-02-2003
Zaaknummer
00/3593 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00/3593 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op bij aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden heeft appellant bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 mei 2000, nummer AWB 99/11169 MAWKLA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, met bijlagen.

Appellant heeft zich nadien nog enige malen schriftelijk tot de Raad gewend en een stuk ingezonden.

Het geding is, gevoegd met het geding tussen partijen nummer 99/1042 MPW, behandeld ter zitting van de Raad op 3 mei 2002. Daar is appellant in persoon verschenen, terwijl namens gedaagde zijn verschenen P.J.H. Souren, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP, en mr. R.A. van Deele, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

In dit geding is aan de orde de toepassing van de Algemene militaire pensioenwet (hierna: de Wet). De Wet is bij het ingevolge de Kaderwet militaire pensioenen gegeven Koninklijk Besluit van 29 mei 2001, Stb. 260, met ingang van 1 juni 2001 ingetrokken. De Raad is evenwel ingevolge overgangsrecht bevoegd van het geding kennis te nemen.

De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de feiten en omstandigheden die de rechtbank bij de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft aangenomen.

Ook in hoger beroep staat ter beantwoording de vraag of gedaagde bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden heeft gehandhaafd de afwijzing, met een beroep op verjaring, van de op 16 maart 1998 door appellant ingediende vordering tot schadevergoeding wegens blootstelling aan DDT tijdens militaire dienst met name in de periode van 1973 tot ongeveer 1983, gedurende welke jaren hij tweemaal per jaar een dag dekens moest keren die met dit middel waren bepoederd.

De rechtbank heeft die vraag bij de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord.

Daartoe heeft de rechtbank - onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad (TAR 1995/263) - vooreerst onderschreven het standpunt van (thans) gedaagde dat in dezen een verjaringstermijn geldt van 5 jaren.

Voorts heeft de rechtbank aan de hand van de voorhanden gegevens vastgesteld dat (thans) appellant zeker in 1990 overtuigd was van het verband tussen zijn klachten en het moeten werken met DDT. In het bijzonder is in aanmerking genomen dat appellant die kwestie al in de periode van 1975 tot 1983 aan zijn huisarts en daarna, rond 1990, bij de marechausseevereniging en bij verschillende leger- en andere artsen aan de orde heeft gesteld. Op grond hiervan heeft de rechtbank geconcludeerd dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant zijn verzoek om schadevergoeding heeft gedaan geruime tijd na het verstrijken van een periode van 5 jaren na het moment waarop hij bij gedaagde die vordering had kunnen indienen.

De Raad kan zich met dat in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank alsook de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen geheel verenigen en maakt die overwegingen tot de zijne.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft doen aanvoeren heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. In dit verband overweegt de Raad nog het volgende.

Volgens inmiddels vaste jurisprudentie van de Raad - zoals recentelijk blijkend uit de uitspraak van 31 januari 2002, nr. 99/598 MAW - zijn financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer in rechte afdwingbaar en ligt de aanvang van deze verjaringstermijn bij het moment waarop degene die schade lijdt met betrekking tot die schade in actie had kunnen komen.

Op grond van de gedingstukken kan ook de Raad niet anders concluderen dan dat zich bij appellant al geruime tijd vóór 16 maart 1993 de overtuiging had gevestigd dat een verband bestond tussen zijn gezondheidsklachten en het werken met DDT. De Raad leidt dit temeer af uit de omstandigheid dat appellant, toen hij in 1988 weer met de genoemde dekens moest werken, maatregelen heeft genomen om schadelijke gevolgen te voorkomen en vervolgens zelfs de dekens heeft doen omruilen. Dat appellant, zoals hij heeft gesteld, destijds nog geen absolute zekerheid had over de schadelijke gevolgen, is in het licht van het voorgaande niet van belang.

Ook de door appellant aangevoerde omstandigheid dat hij bij de door hem benaderde legerartsen weinig gehoor vond voor zijn stelling dat zijn klachten verband hielden met het werken met de genoemde dekens behoefde appellant niet te verhinderen om bij gedaagde een verzoek om schadevergoeding in te dienen. Het naar voren brengen van deze stelling bij die legerartsen is voorts niet als een dergelijk verzoek aan te merken, noch als een handeling waardoor de loop van de verjaring zou zijn opgehouden.

Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2002.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A. de Gooijer.

HD

15.05