Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8887

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2002
Datum publicatie
13-02-2003
Zaaknummer
00/2824 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00/2824 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 28 april 2000, kenmerk JZ/K/2000/149, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. drs. C. Lamphen, advocaat te Utrecht, namens eiser bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift (met bijlage) is uiteengezet waarom eiser het met het bestreden besluit niet eens is.

Verweerster heeft een verweerschrift ingezonden.

Eiser heeft de Raad vervolgens nog stukken doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 4 juli 2002, waar voor eiser is verschenen mr. drs. C. Lamphen en waar verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 22 april 1994 heeft verweerster het verzoek van eiser om krachtens de Wet erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking te worden gebracht voor een toeslag op grond van artikel 19 van de Wet afgewezen. Daartoe is overwogen dat eiser weliswaar is getroffen door handelingen of maatregelen zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet, maar dat geen sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel dat heeft geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wet. In het kader van deze beoordeling heeft verweerster ten aanzien van de bij eiser bestaande hart- en vaatklachten, zijn rugklachten en zijn knieklachten vastgesteld dat geen verband kan worden gelegd tussen die klachten en de geverifieerde oorlogscalamiteiten, internering in diverse kampen tijdens de Japanse bezetting in het voormalige Nederlands-Indië.Tegen het besluit van 22 april 1994 heeft eiser geen rechtsmiddel aangewend, waardoor dat besluit rechtens is komen vast te staan.

Op 19 april 1999 heeft eiser verweerster verzocht haar eerdere besluit van 22 april 1994 te herzien en heeft hij een hernieuwde aanvraag gedaan op de grond dat in 1996 bij hem amyotrophische lateraal sclerose (hierna: ALS) was vastgesteld, van welke aandoening zich sedert maart 1998 verschijnselen manifesteerden.

Bij besluit van 24 augustus 1999, zoals, na daartegen ingediend bezwaar, gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster geweigerd haar eerdere besluit van 22 april 1994 te herzien en eisers hernieuwde aanvraag om vanwege ALS erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking te komen voor een toeslag op grond van artikel 19 van de Wet afgewezen. Wat betreft eisers verzoek om herziening is overwogen dat er geen sprake is van nieuwe gegevens en/of nieuwe medische inzichten die een ander standpunt rechtvaardigen ten aanzien van eisers niet-oorlogsgerelateerde hart- en vaatklachten, rugklachten en knieklachten. Eisers hernieuwde aanvraag is afgewezen omdat ten aanzien van de bij hem vastgestelde aandoening ALS een relatie met zijn oorlogservaringen niet aannemelijk is.

Eiser heeft de juistheid van dit besluit betwist. Hij heeft naar voren gebracht dat het besluit van 22 april 1994 niet kan worden gehandhaafd omdat zijn rugklachten wel in verband staan met zijn oorlogservaringen. De hernieuwde aanvraag dient - aldus eiser - te worden gehonoreerd omdat de bij hem geconstateerde aandoening ALS haar oorzaak vindt in zijn oorlogservaringen.

De Raad overweegt als volgt.

Wat betreft het verzoek om herziening, welk verzoek enkel ziet op de destijds als niet-causaal geoordeelde rugklachten van eiser, stelt de Raad voorop dat verweerster op grond van artikel 61, derde lid, van de Wet bevoegd is op daartoe door belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard. Dit brengt mee dat de Raad heeft na te gaan of gezegd kan worden dat verweerster niet in redelijkheid kon beslissen van haar hiervoor omschreven bevoegdheid geen gebruik te maken dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.

De Raad moet vaststellen dat eiser de onderhavige aanvraag en zijn bezwaar tegen het besluit op zijn aanvraag niet vergezeld heeft doen gaan van medische gegevens met betrekking tot zijn rugklachten die nog niet bij verweerster bekend waren en die een nieuw licht op de onderhavige kwestie werpen.

Met betrekking tot de in beroep overgelegde gegevens stelt de Raad vast dat hij deze thans niet in zijn beoordeling kan betrekken. Het gaat hier immers om een verzoek om herziening waarbij het op de weg van de belanghebbende ligt om primair tijdens de aanvraagprocedure en ten laatste tijdens de fase van bezwaar nieuwe gegevens aan te dragen om verweerster in staat te stellen zich daarover een oordeel te vormen.

Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat verweerster niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot haar besluit om niet tot herziening over te gaan. Het beroep van eiser dient in zoverre dan ook ongegrond te worden verklaard.

Met betrekking tot de afwijzing van eisers hernieuwde aanvraag, waarbij het geschil zich toespitst op de vraag of een verband moet worden aangenomen tussen de bij eiser geconstateerde ALS en zijn internering tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië, overweegt de Raad het volgende.

In het voetspoor van haar geneeskundig adviseurs heeft verweerster zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van ALS als meest gangbare hypothese geldt dat het gaat om een progressieve degeneratieve multifactoriële aandoening, waarbij biochemische en genetische factoren en immunologische processen een rol spelen. Uit de literatuur blijkt - aldus verweerster - een ontstaansduur van een periode van weken-maanden of een periode van maanden-jaren. Volgens verweerster is een intervalperiode van meer dan 50 jaar, zoals zich bij eiser heeft voorgedaan, niet bekend en kan, anders dan van de zijde van eiser is betoogd, ondervoeding tijdens de internering tijdens de Japanse bezetting in het geval van eiser niet als dè oorzaak van die aandoening worden aanvaard.

De Raad deelt de zienswijze van verweerster. Eiser heeft de Raad niet kunnen overtuigen van de juistheid van het door hem, met een beroep op de lezing van dr. C.H. Bowles en de inhoud van het interview met de hoogleraar neurologie en farmacologie T. Munsat, gestelde verband tussen ALS en de ondervoeding waarmee hij tijdens zijn internering had te kampen. De Raad tekent hierbij aan dat ondervoeding als zodanig in de medische literatuur niet als oorzaak van ALS is vermeld, dat de lezing van dr. C.H. Bowles betrekking had op een geheel andere leeftijdscategorie dan die van eiser tijdens de oorlogsjaren en dat T. Munsat zich slechts heeft uitgelaten over de mogelijke relevantie van omgevingsfactoren. Naar aanleiding van het beroep van eiser op de omgekeerde bewijslast als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet, wijst de Raad op zijn vaste rechtspraak dat in een geval waarin de oorzaken van een aandoening niet bekend zijn, zoals het onderhavige geval, de omgekeerde bewijslast niet van toepassing is.

Uit het voorgaande volgt dat ook het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn hernieuwde aanvraag niet slaagt.

De Raad acht geen termen aanwezig om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van eiser.

Een en ander leidt tot de slotsom dat moet worden beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2002.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

25.07