Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8669

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-09-2002
Datum publicatie
10-10-2002
Zaaknummer
00/6475 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2002/293
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/6475 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[Naam gedaagde], wonende te [naam woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 20 april 1999 heeft appellant de aan gedaagde toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 16 juni 1999 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Bij het bestreden besluit, gedateerd 30 november 1999, heeft appellant gedaagdes bezwaar tegen het besluit van 20 april 1999 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 oktober 2000 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch het door gedaagde tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing dient te nemen met inachtneming van die uitspraak, een en ander met bijkomende beslissingen inzake vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Appellant heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld op bij aanvullend beroepschrift d.d. 28 februari 2001 aangevoerde gronden.

Namens gedaagde heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG-Nederland, Algemene Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., een verweerschrift, gedateerd 27 maart 2001, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 juni 2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door W.J.C. Rademakers, werkzaam bij het Uwv. Gedaagde is niet verschenen.

II. MOTIVERING

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank kan het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand blijven. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het, gelet op de resterende vermoeidheidsklachten van gedaagde na de bypass-operatie van juni 1998, op de weg van appellant had gelegen (recente) medische informatie in te winnen bij de behandelend cardioloog van gedaagde. De verouderde medische gegevens en het -weliswaar uitgebreide- onderzoek door de verzekeringsarts acht de rechtbank in het onderhavige geval onvoldoende.

Appellant betwist dat er een noodzaak tot het inwinnen van informatie bij de behandelend cardioloog van gedaagde bestond. Hij heeft hiertoe bij aanvullend beroepschrift het volgende aangevoerd.

"Met betrekking tot de indicatiestelling voor het vragen van inlichtingen hanteert ondergetekende als uitgangspunt dat de verzekerde als voornaamste bron van informatie wordt beschouwd omtrent de klachten, problemen en gezondheidstoestand.

De verzekeringsarts vormt zich in alle gevallen eerst in een persoonlijk contact met de verzekerde een beeld van de problematiek, voordat contact wordt opgenomen met de behandelaar.

Slechts indien daartoe een specifieke indicatie bestaat, vindt communicatie met de behandelaar plaats, waarbij de verkregen informatie geldt als aanvulling ten opzichte van de eigen beoordeling door de verzekeringsarts.

Er zijn twee indicatiegebieden voor communicatie met de behandelaar, namelijk inhoudelijke en formele.

Met betrekking tot de inhoudelijke indicaties hanteert ondergetekende de navolgende uitgangspunten.

Informatie bij de behandelaar wordt opgevraagd indien de verzekeringsarts inhoudelijke informatie nodig heeft om de door de verzekerde verstrekte informatie aan te vullen of te toetsen.

Daarnaast wordt informatie van de behandelaar opgevraagd in het geval de verzekerde niet in staat is om feitelijke informatie te verstrekken, dan wel in het geval de verzekerde slechts globale informatie kan geven omtrent zijn gezondheidstoestand.

Ten slotte wordt informatie gevraagd aan de behandelaar indien de verzekeringsarts de plausibiliteit betwijfelt van de informatie die de verzekerde omtrent zijn gezondeidstoestand verstrekt.

Met betrekking tot de formele indicaties hanteert ondergetekende de navolgende uitgangspunten.

Informatie bij de behandelaar wordt opgevraagd indien de verzekerde appelleert aan uitlatingen van de behandelend arts omtrent door hem of haar in acht te nemen leefregels of de arbeidsongeschiktheid, die de verzekeringsarts na eigen onderzoek niet deelt. Voorts wordt informatie opgevraagd indien de verzekerde aandringt op overleg met de behandelaar.

Ook wordt informatie opgevraagd van de behandelaar indien er een verschil is in perceptie omtrent de ernst van de problematiek tussen de verzekeringsarts en de verzekerde.

Ten slotte wordt informatie opgevraagd van de behandelaar indien sprake is van een dreigend conflict tussen de verzekeringsarts en de verzekerde.

Ten aanzien van de inhoudelijke indicaties voor het vragen van informatie aan de behandelaar is ondergetekende van mening dat in het kader van de onderhavige beoordeling geen aanleiding bestond tot het vragen van informatie aan de behandelaar.

De heer [naam gedaagde] werd op 2 maart 1999 beoordeeld door de verzekerings-arts, welke beoordeling uitgebreid werd gerapporteerd. Naar het oordeel van de verzekeringsarts was het klinisch beeld voldoende duidelijk en kon overleg met de behandelende sector achterwege blijven.

Gedurende het onderzoek en ook nadien, tijdens de behandeling van het door de heer [naam gedaagde] ingediende bezwaarschrift tegen de beslissing van 20 april 1999, blijkt dat de heer [naam gedaagde] steeds in staat was om adequaat informatie omtrent zijn gezondheidstoestand te verstrekken.

De rapportage van 2 maart 1999 beschrijft de bevindingen van het op laatstgenoemde datum door de verzekeringsarts verrichte onderzoek.

De medische toestand van de heer [naam gedaagde] wordt uitvoerig beschreven, weshalve naar het oordeel van ondergetekende geen sprake was van een situatie waarin de betrokken verzekerde slechts globaal informatie kon verstrekken.

Uit het rapport van de verzekeringsarts blijkt tenslotte dat bij laatstgenoemde geen sprake was van twijfel aan de plausibiliteit van de door de heer [naam gedaagde] verstrekte informatie omtrent zijn gezondheidstoestand.

Ondergetekende constateert voorts dat in onderhavige situatie ook geen formele indicaties bestonden voor het opvragen van informatie aan de behandelaar.

De heer [naam gedaagde] appelleerde niet aan uitlatingen van zijn behandelend arts omtrent door hem in acht te nemen leefregels en/of zijn arbeidsongeschiktheid die de verzekeringsarts niet deelde, de heer [naam gedaagde] heeft niet aangedrongen op overleg met zijn behandelaar, er bestond geen verschil in perceptie over de ernst van de klachten tussen de verzekeringsarts en de heer [naam gedaagde], noch was sprake van een dreigend conflict tussen laatstgenoemde en de heer [naam gedaagde]."

Gedaagde heeft volstaan met een verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank, waarmee hij zich kan verenigen.

De Raad overweegt het volgende.

Bij de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is toepassing gegeven aan de Verzekeringsgeneeskundige Standaard 'Communicatie met behandelaars' (Tica-mededeling M. 97.04 van 14 januari 1997). In de hierboven geciteerde passages uit het aanvullend beroepschrift heeft appellant de hoofdlijnen van deze standaard beschreven en verantwoording afgelegd over de wijze waarop de standaard in het geval van gedaagde is toegepast. De Raad is van oordeel dat, wanneer de Verzekeringsgeneeskundige Standaard 'Communicatie met behandelaars' wordt nageleefd, in beginsel voldaan wordt aan het zorgvuldigheidsvereiste. De Raad ziet geen enkele grond om te oordelen dat appellant in casu, in afwijking van de standaard, informatie had behoren in te winnen bij de behandelend cardioloog van gedaagde. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekerings-arts beschikten over voldoende onderzoeksgegevens om op verantwoorde wijze een inschatting van de belastbaarheid van gedaagde te kunnen maken. De Raad is mitsdien van oordeel dat de door de rechtbank gebezigde vernietigingsgrond niet houdbaar is.

De rechtbank is als gevolg van de door haar gekozen benadering niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. De Raad acht het aangewezen dat de zaak opnieuw door de rechtbank wordt behandeld. Daartoe zal de Raad de zaak met toepassing van artikel 26, eerste lid, van de Beroepswet terugwijzen naar de rechtbank.

Nu de rechtbank zich omtrent de inhoudelijke aspecten van de zaak nog dient uit te spreken, ziet de Raad aanleiding om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb voorwaardelijk -voor het geval het bestreden besluit niet in stand kan blijven- te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak terug naar de rechtbank 's-Hertogenbosch;

Veroordeelt appellant voorwaardelijk in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-.

ldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 september 2002.

(get.) J. Janssen.

(get.) P.E. Broekman.