Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8418

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
21-10-2002
Zaaknummer
99/3851 WW, 01/4158 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

99/3851 WW

01/4158 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet Suwi) in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet Suwi treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. A. van Deuzen, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te Almelo, op de bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Rechtbank Almelo onder dagtekening 17 juni 1999 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft van verweer gediend.

Vanwege appellante respectievelijk gedaagde zijn brieven ingekomen, gedateerd 28 december 2000, 29 november 2001, 18 januari 2002 en 19 juni 2002 respectievelijk 7 februari 2001, 20 juli 2002, 29 oktober 2001 en 26 april 2002, veelal voorzien van bijlagen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 augustus 2002, waar van partijen alleen gedaagde is verschenen, vertegenwoordigd door mr. A. Ruis, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Aan de gedingstukken en het verhandelde te zijner zitting ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante is op 24 november 1997 op basis van een halfjaarscontract in dienst getreden van [werkgever] (hierna: de werkgever). Op 24 februari 1998 is zij op staande voet ontslagen. Zij heeft de nietigheid van dat ontslag ingeroepen en een loonvordering tegen de werkgever ingesteld. Vanaf 27 februari 1998 heeft appellante in wisselende omvang werkzaamheden verricht via een uitzendbureau. Medio juni 1998 heeft appellante gedaagde verzocht op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) achterstallig salaris over de maanden januari tot 24 mei 1998 over te nemen.

Bij besluit van 26 juni 1998 heeft gedaagde die aanvraag afgewezen op de grond dat de werkgever niet verkeerde in een toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. Gewezen is op artikel 61, eerste lid, van de WW.

Bij het op bezwaar gegeven besluit van 23 oktober 1998 (besluit a.) heeft gedaagde dat standpunt gehandhaafd.

De kantonrechter heeft onder meer de loonvordering bij vonnis van 4 mei 2000 toegewe-zen. Door middel van beslag is het bedrag van f 601,27 verkregen. In januari 2001 is de werkgever in staat van faillissement verklaard. Appellante heeft vervolgens op 5 april 2001 gedaagde opnieuw verzocht om de achterstallige verplich-tingen van de werkgever over te nemen. Bij besluit van 20 juli 2001 (besluit b.) heeft gedaagde appellante ervan in kennis gesteld dat hij, nu appellante sedert het onrechtmatige ontslag tegen haar werkgever heeft gepro-cedeerd om haar rechten te verkrijgen en na het vonnis van de kantonrechter door middel van beslaglegging heeft gepoogd haar rechten te verzilveren, het bepaalde in artikel 62, onder b, van de WW van toepassing acht. Onder meer is het achterstallige loon over de periode van 22 februari tot en met 26 februari 1998, de vakantiedagen en vakantietoeslag over de periode van 24 november 1997 tot en met 26 februari 1998 overgenomen. Voorts is bij dat besluit overneming geweigerd van (onder meer) de kosten van rechtsbijstand in de kantongerechtsprocedure op de grond dat appellante geen kosten heeft gemaakt, nu het Bureau voor Rechtshulp haar krachtens toevoeging heeft bijgestaan. De kosten van de eventuele eigen bijdrage kon appellante opgeven. Over de periode 27 februari 1998 tot 24 mei 1998 moest in verband met haar werkhervatting nadere informatie worden verkregen. Vervolgens zijn bij besluiten van 30 augustus 2001 en 11 september 2001 (besluiten c. en d.) nadere beslissingen gevolgd die overneming van nog enige posten inhielden doch tevens terugvordering van een zeker bedrag omdat feitelijk per abuis teveel was uitbetaald.

Gedaagde heeft de besluiten b., c. en d. aan de Raad toegezonden met het verzoek deze met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige geding terzake van besluit a. in de beoordeling te betrekken. Terzake van besluit b. is appellante vanwege de Raad bij brief van 31 juli 2001 bericht dat dat besluit in het beroep zal worden betrokken. Ter zitting is namens gedaagde twijfel geuit aan de juistheid van het standpunt dat die besluiten zijn aan te merken als besluiten als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb.

De Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval bij besluit b., en in het vervolg daarvan ook bij de besluiten c. en d., besluit a. niet wordt ingetrokken of gewijzigd zodat zij niet zijn aan te merken als besluiten in de zin van artikel 6:18 van de Awb. De Raad stelt vast dat geen sprake is van een ruim geformuleerde aanvraag terwijl evenmin reeds voor of omstreeks het nemen van het besluit op bezwaar d.d. 23 oktober 1998 een situatie als beschreven in artikel 62, onder b, van de WW aanwezig was. Het betreffen hier besluiten op afzonderlijke aanvragen die geruime tijd na elkaar gedaan zijn en betrekking hebben op aanzienlijk uit elkaar liggende periodes. Zowel de feiten als het beoordelingskader in de tijd betreffende besluit a. dat ziet op de toepassing van artikel 61, eerste lid, van de WW, verschillen hier zodanig van die betreffende besluit b. dat ziet op de toepassing van artikel 62, onder b, van de WW, dat niet gezegd kan worden dat besluit b. blijft binnen de grondslag en reikwijdte van besluit a.

Namens appellante is - uiteindelijk - bij brief van 19 juni 2002 de Raad bericht dat geen ander geschilpunt meer bestaat dan het volgende: '[appellante] is van mening dat zij aanspraak kan maken op de reformatio in peius regel. Door de ommezwaai in het aan-vankelijke standpunt van de uitvoerende instantie zou mevrouw in een slechtere positie komen te verkeren dan wanneer zij geen bezwaar had gemaakt'.

Nu de gemachtigde van appellante niet ter zitting is verschenen, kan de Raad slechts raden naar hetgeen de gemachtigde van appellante met deze passage bedoelt, maar als de Raad dan toch een poging moet doen, leidt hij daaruit in de eerste plaats af dat omtrent de besluiten a., b., c. en d. geen geschil meer bestaat. Met de overneming van de bij besluit b. en c. genoemde bedragen is gedaagde bovendien materieel geheel tegemoet gekomen aan hetgeen appellante op basis van haar aanvraag in het kader van artikel 61, eerste lid, van de WW bij besluit a. had kunnen krijgen. Dat er de facto teveel is uitbetaald, hetgeen bij besluit d. wordt teruggevorderd, bestrijdt de gemachtigde ook niet langer.

Tevens neemt de Raad aan dat de gemachtigde van appellante het verzoek om gedaagde met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente, zoals voor het eerst gedaan bij het voorlopig beroepschrift in hoger beroep en waaraan in geen enkel later stuk wordt gerefereerd, niet langer handhaaft. Daartoe zou een oordeel over de rechtmatigheid van besluit a. nodig zijn en dat wordt door die gemach-tigde klaarblijkelijk niet (meer) gevraagd.

Tot slot meent de Raad dat het citaat, letterlijk genomen, onbegrijpelijk is. Immers, appellante is sedert haar bezwaar tegen besluit a. geenszins in een slechtere positie komen te verkeren. De enige betekenis die de Raad daaraan kan toedichten, is een verzoek om gedaagde te veroordelen in de proceskosten. Een dergelijk verzoek kan echter niet worden aangemerkt als een belang bij beoordeling van het beroep. De Raad verwijst daarvoor naar zijn uitspraak van 4 februari 1997, gepubliceerd in RSV 97/297 en JB 97/52.

Het vorenstaande leidt ertoe dat, nu de Raad van een belang bij beoordeling van het beroep tegen besluit a. niet is gebleken, appellante daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Naar aanleiding van zijn hiervoor gegeven oordeel dat de besluiten b., c. en d. niet als besluiten in de zin van artikel 6:18 van de Awb kunnen worden aangemerkt, merkt de Raad nog op dat tegen deze besluiten in principe bezwaar openstond. De Raad over-weegt dienaangaande, in dit geding geheel ten overvloede, dat er reden is een eventuele termijnoverschrijding te verontschuldigen. Op basis van de thans voorhanden gegevens komt het de Raad tot slot voor dat bij behandeling van bezwaar geen belang aanwezig is.

De Raad acht termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de aan de zijde van appellante gevallen proceskosten, welke worden begroot op € 644,-- wegens in eerste aanleg en op € 322,-- wegens in hoger beroep verleende rechtsbijstand, totaal derhalve € 966,--. Die kosten moeten in verband met het bepaalde in artikel 8:75, tweede lid, van de Awb worden betaald aan de griffier van de Raad.

De Raad zal gedaagde niet opdragen het in eerste aanleg en hoger beroep betaalde griffierecht aan appellante te vergoeden, nu deze kosten reeds in de opgave van appellante van 4 september 2001 zijn begrepen en door gedaagde in aanmerking zijn genomen.

Beslist wordt als hierna is aangegeven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart appellante niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;

Veroordeelt gedaagde in de kosten van appellante ten bedrage van € 966,-- te voldoen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en te betalen aan de griffier van de Raad.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002.

(get.) M.A. Hoogeveen

(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning

FB/1/10