Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8408

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-08-2002
Datum publicatie
30-10-2002
Zaaknummer
00/1933 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 8
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 61
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/1933 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats] (Israël), eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 21 februari 2000, kenmerk JZ/P80/2000/104, ten aanzien van eiser een besluit genomen betreffende toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiser het met het besluit niet eens is.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft daarop schriftelijk gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting op 23 mei 2002. Aldaar is eiser niet verschenen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiser, geboren op 7 juli 1926, vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet en zijn hem enkele bijzondere voorzieningen toegekend. Bij besluit van 2 mei 1975 is hem met ingang van 1 januari 1973 een periodieke uitkering toegekend, berekend naar het inkomen dat hij ten tijde van de aanvraag in Nederland uit het beroep van pianoleraar zou hebben genoten, gerekend naar het jaar waarin de uitkering ingaat.

Bij besluit van 15 januari 1976 is het verzoek om herziening van de grondslag van de periodieke uitkering afgewezen, omdat niet is gebleken dat eiser als gediplomeerd pianoleraar heeft gefunctioneerd. Het daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerster bij besluit van 27 maart 1980 ongegrond verklaard onder overweging dat aan eiser ten onrechte bij besluit van 2 mei 1975 een periodieke uitkering is toegekend, omdat uit geneeskundig onderzoek is gebleken dat eiser door ziekten of gebreken, welke door of in verband met de ondergane vervolging zijn ontstaan of verergerd, niet buiten staat is geweest door arbeid een inkomen te verwerven gelijk aan de voor hem geldende grondslag als bedoeld in artikel 8 van de Wet uit het beroep van hoofdleraar muziek aan een pedagogische academie. Verweerster heeft daarbij tevens aangegeven niet tot intrekking van de toegekende periodieke uitkering te zullen overgaan. Tegen dat besluit heeft eiser geen beroep ingesteld, zodat dit tussen partijen rechtens verbindend is geworden.

Bij besluit van 5 februari 1981 heeft verweerster ingestemd met een gedeeltelijke werkbeëindiging door eiser per 1 augustus 1980 en bij besluit van 1 september 1983 is ingestemd met een volledige werkbeëindiging per 1 september 1983, zulks in verband met de uit zijn vervolging voortvloeiende ziekten of gebreken.

Naar aanleiding van het herzieningsverzoek van eiser van november 1998 heeft verweerster bij besluit van 21 juli 1999 vastgesteld dat de als causaal aanvaarde klachten sinds 1980 invaliderend tot uiting zijn gekomen en dat de grondslag daarom kan worden vastgesteld op basis van het toen door eiser uitgeoefende beroep van hoofdleraar muziek aan een pedagogische academie, uitgaande van het wettelijk maximum van f 6.672,-- (thans: € 3.027, 62) per maand, waarbij de datum van ingang is vastgesteld op de eerste dag van de maand waarop het verzoek om herziening is ingediend. Bij het thans bestreden, na bezwaar genomen besluit, heeft verweerster de ingangsdatum met terugwerkende kracht op 1 november 1993 gesteld. De afwijzing van eisers verzoek om deze grondslag met terugwerkende kracht tot 1 augustus 1980 te verhogen, is in bezwaar gehandhaafd.

In beroep heeft eiser vastgehouden aan zijn vordering dat de onderhavige herziening met terugwerkende kracht tot 1 augustus 1980 verleend had dienen te worden.

Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een eerder gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard. Dit brengt mee dat de Raad heeft na te gaan of gezegd kan worden dat verweerster niet in redelijkheid kon beslissen van haar hiervoor omschreven bevoegdheid geen verdergaand gebruik te maken dan bij het thans bestreden besluit is gedaan, dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.

Verweerster hanteert bij herziening het beleid dat de ingangsdatum in het algemeen wordt bepaald op de eerste dag van de maand waarin het verzoek om herziening is gedaan en in geval van ambtelijke fout op de eerste dag van de maand gelegen vijf jaar voor de datum van indiening van het herzieningsverzoek. De Raad heeft al meermalen het door verweerster gevoerde beleid betreffende de ingang van een herziening aanvaardbaar geoordeeld, dit onder overweging dat bijzondere gevallen of omstandigheden denkbaar zijn die toepassing van een langere termijn kunnen vorderen.

Verweerster heeft in het onderhavige geval, mede gelet op de bijzondere omstandigheid dat aan eiser korte tijd na de beschikking van 27 maart 1980 vanwege uit zijn vervolging voortvloeiende ziekten of gebreken is toegestaan zijn werkzaamheden gedeeltelijk te beëindigen, aanleiding gezien de grondslag te herzien met vijf jaar terugwerkende kracht, gerekend vanaf 1 november 1998, de eerste dag van de maand waarin eiser het verzoek om herziening heeft ingediend. Anders dan eiser ziet de Raad niet dat in het onderhavige geval sprake is van bijzondere omstandigheden die verweerster hadden moeten nopen tot het verlenen van verdergaande terugwerkende kracht aan de omstreden herziening dan vijf jaar. De Raad heeft hierbij laten wegen dat hij anders dan eiser, in de bij het onderhavige herzieningsverzoek en in bezwaar naar voren gebrachte feiten of omstandigheden, welke feiten en omstandigheden verweerster overigens alle bekend waren, geen grond ziet voor de door eiser ingenomen stelling dat verweerster wat betreft de vaststelling van de grondslag, waarnaar eisers periodieke uitkering was berekend, welbewust en stelselmatig tegen beter weten in ten nadele van eiser heeft gehandeld in strijd met wettelijke bepalingen. Zulk handelen ziet de Raad in ieder geval niet gelegen in de besluitvorming resulterend in het besluit van 27 maart 1980 om de aan eiser in het verleden toegekende periodieke uitkering te handhaven hoewel was komen vast te staan dat eiser daarop geen aanspraak kon doen gelden. Hetgeen eiser heeft aangevoerd met betrekking tot de motieven die hem ertoe hebben geleid in dat besluit te berusten, heeft de Raad evenmin aanleiding gegeven verweerster gehouden te achten tegemoet te komen aan eisers vordering het thans bestreden besluit de hem gewenste terugwerkende kracht toe te kennen.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat niet kan worden gezegd dat verweerster niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot haar besluit om aan de verleende herziening geen verdere terugwerkende kracht te verbinden.

Gezien het vorenstaande slaagt het beroep van eiser niet.

De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2002.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) J.P. Schieveen.

HD

06.06