Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8385

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-08-2002
Datum publicatie
30-10-2002
Zaaknummer
00/236 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00/236 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats] eiseres,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 31 december 1999, kenmerk JZ/E/1999/551 ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940-1945.

Tegen dit besluit heeft eiseres op de in het beroepschrift aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld.

Bij schrijven van 8 februari 2000 heeft mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat te Den Haag, zich als gemachtigde van eiseres gesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 26 februari 2001 - met bijlagen - heeft voornoemde gemachtigde de gronden voor het beroep aangevuld, waarna hij bij schrijven van 5 maart 2001 nog enkele stukken heeft ingezonden.

Verweerster heeft bij brief van 16 maart 2001 op deze stukken gereageerd.

Ook nadien zijn er van de zijde van eiseres nog enige stukken ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 juli 2002, waar namens eiseres is verschenen mr. E.R. Schenkhuizen voornoemd. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.S.K. van Gammeren, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken heeft eiseres, geboren in 1934, bij verweerster in januari 1999 een verzoek ingediend om krachtens de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers

1940-1945 (hierna: de Wet) erkend te worden als burgeroorlogsslachtoffer en in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering alsmede een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet.

Eiseres heeft die aanvraag gebaseerd op psychische en lichamelijke klachten die haars inziens het gevolg zijn van met name haar verblijf in verschillende kampen tijdens de zogenoemde Bersiapperiode in het voormalige Nederlands-Indië. Zij liep onder meer malaria op en begon in kamp Tlogo, het kamp waar zij het laatst verbleef, te hoesten. Na aankomst in Nederland in 1953 bleek bij doorlichting van het gezin dat zij aan longtuberculose leed, waarvoor zij van november 1953 tot april 1955 in een sanatorium is verpleegd. Als gevolg van haar gezondheidsklachten heeft zij nooit kunnen werken.

Daartoe geadviseerd door haar geneeskundig adviseur, heeft verweerster bij besluit van 13 september 1999, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, eiseres op grond van psychische invaliditeit erkend als burgeroorlogsslachtoffer als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, van de Wet en haar met ingang van 1 januari 1999 de toeslag als bedoeld in artikel 19 toegekend. Het verzoek om een periodieke uitkering als bedoeld in artikel 7 van de Wet heeft verweerster afgewezen op de grond dat eiseres nooit werkzaamheden in beroep of bedrijf heeft moeten beëindigen of blijvend verminderen door haar oorlogsinvaliditeit.

Verweerster heeft daarbij in het bijzonder en voor zover thans van belang, overwogen dat volgens haar geneeskundig adviseur niet is gebleken dat eiseres, toen zij nog onderwijs volgde, wegens oorlogsgerelateerde gezondheidsklachten is geïnvalideerd en vervolgens, als gevolg van deze invaliditeit, nimmer in staat is geweest door arbeid in beroep of bedrijf een inkomen te verwerven, dat in overeenstemming was met het niveau van het gevolgde onderwijs. De tuberculoseklachten zijn naar diens oordeel terug te voeren op zogenoemde algemene oorlogsomstandigheden, dat wil zeggen omstandigheden waarmee een groot deel van de bevolking tijdens de oorlogsjaren te kampen had en welke niet onder de werking van de Wet kunnen worden gebracht.

Het beroep van eiseres richt zich tegen de weigering haar met toepassing van het zogenoemde Jeugdigenbesluit een periodieke uitkering te verlenen als bedoeld in artikel 7, aanhef en onder b, van de Wet.

Aan de Raad staat nu ter beoordeling de vraag of het bestreden besluit, voor zover aangevochten, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag ontkennend op grond van het volgende.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de tuberculose die bij eiseres in 1953 werd geconstateerd en op grond waarvan zij blijkens de gedingstukken door de toenmalige Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging in het kader van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet vanwege arbeidsongeschiktheid bij aanvang van het 17e levensjaar als jeugdgehandicapte is aangemerkt, moet worden geacht door haar verblijf in de kampen te zijn ontstaan.

Blijkens de verklaring d.d. 24 januari 1957 van een aan het Sanatorium "Parkherstellings-oord" verbonden internist werd destijds waarschijnlijk geacht dat de besmettingshaard gelegen was in de kampen in Nederlands-Indië.

Longarts R. van Altena, consulent klinische tuberculose van de KNCV, komt in zijn brief van 29 mei 2001 op grond van de beschikbare medische gegevens uit 1953 tot de conclusie dat eiseres de tuberculose moet hebben gekregen in de periode tussen haar geboorte en 1950.

P.R.M. Hekking, arts voor longziekten en tuberculose, verbonden aan het Havenziekenhuis te Rotterdam, acht het blijkens zijn van de kant van eiseres overgelegde verklaring van 16 mei 2001 eveneens zeer waarschijnlijk dat eiseres de tuberculose heeft opgelopen tijdens het verblijf in een kamp in het voormalige Nederlands-Indië, hoewel niet met zekerheid valt vast te stellen wanneer zij besmet is geraakt; de tijd tussen de besmetting en het uitbreken van tuberculose is zeer wisselend.

De geneeskundig adviseur van verweerster heeft in zijn rapport van d.d. 27 december 1999 daar tegenover gesteld, dat het medisch zeer onwaarschijnlijk is dat een long-tbc bij onderzoek in "Indië" na 1947 niet ontdekt zou zijn. Er zijn echter geen gegevens voorhanden waaruit blijkt dat een mede op longklachten gericht medisch onderzoek destijds heeft plaatsgevonden.

Gelet op bovenvermelde verklaringen acht de Raad voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres de longtuberculose heeft opgelopen tijdens haar verblijf in een van de kampen.

Verweerster heeft aangevoerd, dat TBC voor, tijdens en na de oorlog endemisch voorkwam en dat slechte hygiënische omstandigheden en ondervoeding te beschouwen zijn als algemene oorlogsomstandigheden, waaronder ook mensen buiten de kampen te lijden hadden en welke niet onder de werking van de Wet kunnen worden gebracht.

Verweerster heeft ter ondersteuning van haar betoog verwezen naar enkele uitspraken van de Raad, waarin haar standpunt in deze bevestigd zou zijn. Deze uitspraken hebben echter betrekking op gevallen waarin ofwel niet was gebleken dat de betrokkene was getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld ofwel waarin de tuberculose bij de betrokkene aanwijsbaar niet tijdens het verblijf in een kamp was ontstaan of eerst decennia na de oorlogsgebeurtenissen was geconstateerd en niet, zoals in dit geval, vrijwel in aansluiting op wel onder de Wet vallend oorlogsgeweld.

Het is van algemene bekendheid en door verweerster wordt ook niet betwist dat het hier een aandoening betreft die samenhangt met slechte hygiënische omstandigheden en ondervoeding en dat besmetting vooral daar plaats vindt waar mensen dicht op een gepakt moeten verblijven.

Blijkens de beschikbare gegevens, waaronder een verklaring van de zuster van eiseres, Y.C. de Ruiter te Den Haag, was van een dergelijke situatie sprake in de meeste kampen waar zij verbleven, en kreeg eiseres in kamp Tlogo last van aanhoudende hevige hoestbuien en pijn in de borst, hetgeen voortduurde tot zij in Nederland werd behandeld.

Naar het oordeel van de Raad is verweerster bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte eraan voorbijgegaan dat ingevolge het tweede lid van artikel 2 van de Wet, het letsel, bedoeld in het eerste lid, geacht wordt zijn oorzaak te hebben in het oorlogsgeweld, dan wel in omstandigheden daarmee verband houdende, indien het niet duidelijk door andere oorzaken dan het oorlogsgeweld als bedoeld in het eerste lid is ontstaan.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerster ten onrechte geen oorzakelijk verband aanwezig geacht tussen de tuberculose waaraan eiseres in 1953 bleek te lijden en de onder de Wet vallende oorlogsgebeurtenissen.

Van de zijde van verweerster is ter zitting van de Raad nog opgemerkt dat ten tijde van de aanvraag niet gesproken kan worden van blijvende invaliditeit als gevolg van status na TBC. De Raad wijst er echter op dat indien blijkt dat een betrokkene, toen hij nog onderwijs volgde, wegens oorlogsgerelateerde gezondheidsklachten is geïnvalideerd en vervolgens, als gevolg van deze invaliditeit nimmer in staat is geweest door arbeid in beroep of bedrijf een inkomen te verwerven, bezwaarlijk gezegd kan worden dat er geen sprake is van blijvende invaliditeit.

Gezien hetgeen hierboven is overwogen, is de Raad van oordeel dat verweersters besluit eiseres geen periodieke uitkering toe te kennen op grond van artikel 7, aanhef en onder b, van de Wet, steunt op de onjuiste aanname dat de tuberculose bij eiseres niet in het door de Wet vereiste causaal verband met de oorlogsgebeurtenissen staat en dat het besluit mitsdien berust op een onjuiste feitelijke grondslag.

Het bestreden besluit dient derhalve, voor zover aangevochten, te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inhoudende dat de beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Verweerster zal een nieuw besluit dienen te nemen met betrekking tot de aanvraag van eiseres om een periodieke uitkering met toepassing van artikel 7, aanhef en onder b, van de Wet.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het beroep gegrond moet worden verklaard.

De Raad acht tenslotte termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerster te veroordelen in de proceskosten van eiseres, welke worden begroot op

€ 644, - als kosten van verleende rechtsbijstand. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit voor zover aangevochten.

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met in achtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad,

Bepaalt dat het betaalde griffierecht ad thans € 27,23 door de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiseres wordt vergoed.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en

mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Maurik als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2002.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) M.M. van Maurik.

HD

01.08