Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8381

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2002
Datum publicatie
30-10-2002
Zaaknummer
00/150 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/150 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 21 december 1999, kenmerk JZ/Z/1999/510, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In zijn beroepschrift is door eiser uiteengezet waarom hij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 juli 2002. Daar is eiser niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren [in] 1938, is bij besluit van 14 mei 1996 erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Daarbij is eiser met ingang van 1 juli 1995 de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet toegekend en met ingang van 1 november 1995 een periodieke uitkering.

In februari 1999 heeft eiser bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend. Daarbij heeft hij verzocht om de aan hem toegekende periodieke uitkering te beëindigen en hem de maximale artikel 19-toeslag toe te kennen vanaf het moment dat dit voordelig voor hem is.

Hierop is eiser van de zijde van verweerster gewezen op de nadelige gevolgen die beëindiging van de periodieke uitkering bij zijn overlijden kan hebben op de aanspraken van naasten op een nabestaandenuitkering op grond van de Wet.

Vervolgens heeft verweerster bij be-sluit van 26 augustus 1999 de aan eiser toegekende periodieke uitkering met ingang van 1 februari 1999 ingetrokken onder gelijktijdige toekenning van de maximale artikel 19-toeslag per die datum. Wat betreft de periode voorafgaande aan februari 1999 is onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 40 van de Wet afwijzend beslist op de aanvraag van eiser. Na bezwaar heeft verweerster het besluit van 26 augustus 1999 bij het thans bestreden besluit gehandhaafd.

In beroep heeft eiser aangegeven dat hij zich niet kan verenigen met het bestreden besluit, omdat - zakelijk weergegeven - hij er voorafgaande aan zijn aanvraag van februari 1999 van de zijde van verweerster nimmer direct op is gewezen dat het in zijn situatie, zeker na de defiscalisering per 1 januari 1998 van de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet, financieel voordelig kan zijn om af te zien van het realiseren van aanspraken op een periodieke uitkering.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden be-sluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

In artikel 40, eerste lid, aanhef en sub a, van de Wet is bepaald dat uitkeringen en toeslagen ingaan op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag daartoe is ingediend.

Ingevolge het tweede lid van artikel 40 van de Wet is verweerster bevoegd om, indien zij dit in een individueel geval noodzakelijk acht, in het voordeel van de betrokkene af te wijken van het eerste lid van dat artikel.

Zoals de gemachtigde van verweerster ter zitting heeft toegelicht, hanteert verweerster bij omzetting van de periodieke uitkering in de volledige artikel 19-toeslag met betrekking tot de ingangsdatum van de omzetting als vaste gedragslijn dat de ingangsdatum van de maximale artikel 19-toeslag gelijk is aan de ingangsdatum van de periodieke uitkering, indien de betrokkene kiest voor de maximale artikel 19-toeslag binnen een periode van zes weken nadat de periodieke uitkering voor het eerst definitief is vastgesteld. Indien, zoals in het onderhavige geval, betrokkene ná deze periode een verzoek indient om intrekking van de periodieke uitkering teneinde de maximale artikel 19-toeslag te gaan ontvangen, dan geldt - overeenkomstig het bepaalde in artikel 40, eerste lid, van de Wet -als ingangsdatum de eerste dag van de maand waarin het verzoek hiertoe plaatsvond.

De Raad is van oordeel dat de hiervoor weergegeven door verweerster gehanteerde vaste gedragslijn bij uitoefening van haar bij het tweede lid van artikel 40 van de Wet gegeven bevoegdheid, in haar algemeenheid niet onredelijk is.

Aangezien vaststaat dat eiser niet voldoet aan de in het kader van de evenvermelde vaste gedragslijn gehanteerde voorwaarde, kan hij aan die gedragslijn geen aanspraak ontlenen op een eerdere ingangsdatum dan rechtstreeks uit het eerste lid van artikel 40 van de Wet volgt.

In het onderhavige geval wil eiser in wezen een toekenning met terugwerkende kracht vanwege zijn aanvankelijke onbekendheid met wettelijke mogelijkheden en de financiële consequenties daarvan. De Raad acht deze onbekendheid niet een omstandigheid op grond waarvan verweerster bij afweging van de in aanmerking komende belangen niet in redelijkheid had mogen weigeren gebruik te maken van de haar in het tweede lid van artikel 40 van de Wet gegeven bevoegdheid. Dat verweerster voorafgaande aan de aanvraag van februari 1999 eiser ter zake geen of naar het gevoelen van eiser te weinig gerichte informatie zou hebben verstrekt, kan aan het voorgaande niet af doen.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van eiser ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2002.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) L. Jörg.

HD

15.08