Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8378

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2002
Datum publicatie
30-10-2002
Zaaknummer
00/2364 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/2364 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 28 maart 2000, kenmerk JZ/K/2000/80, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. A.H. Punt-Koopmans, advocaat te Leeuwarden, als gemachtigde van eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met dit besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 juli 2002. Aldaar is eiseres verschenen bij haar gemachtigde mr. M.R. Rauwerda, advocaat te Leeuwarden en kantoorgenoot van mr. Punt-Koopmans voornoemd, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Bij het, na bezwaar genomen, bestreden besluit heeft verweerster aan eiseres, geboren in 1935, ingaande 1 januari 1995 alsnog een periodieke uitkering toegekend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. De grondslag van die uitkering heeft verweerster daarbij berekend aan de hand van het gezamenlijke inkomen dat eiseres heeft genoten uit haar jarenlang gelijktijdig uitgeoefende beroepen van bejaardenverzorgster en gymnastieklerares, welke zij - naar verweerster heeft aanvaard - vanwege haar met haar oorlogservaringen in verband staande psychische klachten in 1991 respectievelijk 1993 heeft moeten beëindigen. Bij de vaststelling van de grondslag heeft verweerster niet willen betrekken het inkomen uit het in 1994 beëindigde beroep van eiseres van freelance gastdocente callanetics; verweerster heeft daartoe blijkens het bestreden besluit, zoals nader toegelicht bij verweerschrift en ter zitting, primair laten wegen dat dit beroep niet, althans niet met de redelijkerwijs te vereisen duurzaamheid gelijktijdig met de andere genoemde beroepen is uitgeoefend zodat niet kan worden gesproken van een gewenning aan het totaal van de inkomsten uit de drie functies.

In beroep heeft eiseres het vermelde standpunt van verweerster bestreden. Naar haar oordeel is de periode waarin zij de genoemde drie beroepen gelijktijdig heeft uitgeoefend - naar haar opgave van maart 1991 tot in november van dat jaar - wel lang genoeg om van een voor de toepassing van de Wet in aanmerking te nemen inkomensniveau te kunnen spreken.

De Raad overweegt als volgt.

Blijkens een onder de gedingstukken aanwezige verklaring van 27 november 1995 van de Stichting Welzijnswerk [naam stichting] heeft eiseres vanaf een tijdstip in 1991 tot en met april 1994 bij die stichting les gegeven als freelance gastdocente callanetics, en daarmee in die jaren respectievelijk f 1.890,--, f 2.550,--, f 4.880,-- en f 1.070,25 verdiend. Uit de eigen verklaring van eiseres, zoals opgenomen in het terzake van haar eerste aanvraag ingevolge de Wet in februari 1992 opgemaakte sociaal rapport, blijkt dat zij genoemde werkzaamheden op dat moment uitoefende gedurende drie uren per week en 30 weken per jaar.

Hoewel uit de gedingstukken niet valt af te leiden op welk tijdstip in 1991 eiseres met haar werk als gastdocente is begonnen, acht de Raad op grond van de voormelde verklaringen, in onderling verband bezien, niet onaannemelijk - en ook verweerster wil blijkens het verhandelde ter zitting niet werkelijk betwisten - dat dit tijdstip ongeveer in maart 1991 is te situeren. Dat betekent dat eiseres gedurende acht á negen maanden - daargelaten een waarschijnlijke onderbreking in de zomermaanden - haar drie genoemde beroepen heeft gecombineerd.

Bij de beoordeling van de onderhavige kwestie neemt de Raad verder in aanmerking dat verweerster - gezien de uit de wetsgeschiedenis duidelijk af te leiden bedoeling van de wetgever om de grondslag van de uitkeringen ingevolge de Wet zodanig te bepalen dat betrokkenen in staat worden gesteld om zoveel mogelijk overeenkomstig hun voorheen bereikte financiële niveau te kunnen voortleven - terecht als toetsingscriterium heeft gehanteerd dat bij een combinatie van beroepen van een zekere duurzaamheid daarvan sprake moet zijn alvorens van een voor de Wet in aanmerking te nemen, op het totale inkomen uit al die beroepen te baseren inkomensniveau kan worden gesproken. Dit krijgt temeer reliëf omdat het bij een periodieke uitkering ingevolge de Wet in beginsel gaat om een (zeer) langlopende uitkering.

De opvatting van verweerster dat van zodanige duurzaamheid in dit geval (nog) geen sprake was geeft voorts naar het oordeel van de Raad, mede gelet op de betrekkelijk vrijblijvende aard van de arbeid als docente callanetics, geen blijk van een benadering die met een redelijke uitleg en toepassing van de Wet niet valt te rijmen.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat op grond van hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit, zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2002.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) L. Jörg.

HD

18.07