Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8361

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2002
Datum publicatie
04-10-2002
Zaaknummer
99/5816 + 5817 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wijzigingswet Algemene wet bestuursrecht, enz. (Aanpassingswet Awb III), geldigheid: 2002-01-31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 330

Uitspraak

99/5816 + 5817 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.],

en

de Staatssecretaris van Defensie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens elk der partijen is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de president van de rechtbank Arnhem van 13 oktober 1999, nrs. Awb 99/1177 AW en 99/1617 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Partijen hebben elk een verweerschrift doen indienen.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 november 2001, waar [A.] (hier verder: betrokkene) in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.M.J. Bouman, advocaat te Arnhem, en waar de Staatssecretaris van Defensie (hier verder: de Staatssecretaris) zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.M. Kersbergen, werkzaam bij de afdeling juridische zaken van de Staf Nationaal Commando.

II. MOTIVERING

1. Betrokkene is met ingang van 6 januari 1994 in tijdelijke dienst voor de duur van zes maanden aangesteld in de functie van keukenhulp voor 19 uur per week bij het toenmalige Provinciaal Militair Commando [X.], kazerne-commando [Y.]. Haar aanstelling is steeds voor periodes van ten hoogste zes maanden verlengd, laatstelijk bij besluit van 16 december 1998 voor de periode van 1 januari 1999 tot 1 april 1999 en bij besluit van 3 maart 1999 van 1 april 1999 tot 1 mei 1999. Bij besluit van (eveneens) 3 maart 1999 is aan betrokkene met ingang van 1 mei 1999 eervol ontslag verleend. Bij het bestreden besluit van 28 mei 1999 heeft de Commandant van het Regionaal Militair Commando Oost (hier verder: de C-RMCO) laatstgenoemd besluit van 3 maart 1999 na bezwaar gehandhaafd.

2. De president van de rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit vernietigd omdat de C-RMCO ten tijde van het nemen van dat besluit daartoe niet bevoegd was. Onder overweging dat aan de C-RMCO met terugwerkende kracht tot 1 april 1998 mandaat tot het nemen van besluiten als het onderhavige is gegeven en de Staatssecretaris het bestreden besluit achteraf voor zijn rekening heeft genomen en voorts in aanmerking nemend dat het bestreden besluit inhoudelijk bezien de rechterlijke toets kan doorstaan, heeft de president van de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Hij heeft daarbij een bepaling gegeven omtrent de vergoeding van het griffierecht en het door betrokkene ingediende verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb afgewezen.

3.1. Het hoger beroep van de Staatssecretaris is gericht tegen de vernietiging van het bestreden besluit. Namens hem is naar voren gebracht dat aan het bestreden besluit geen bevoegdheidsgebrek kleeft, nu aan de C-RMCO met terugwerkende kracht mandaat is verleend tot het nemen van besluiten als het onderhavige, welke besluiten hij voorheen krachtens delegatie nam. Zo het verlenen van een algemeen mandaat met terugwerkende kracht niet toelaatbaar moet worden geacht, dient het bevoegdheids-gebrek volgens de Staatssecretaris te worden gepasseerd, nu dit besluit inmiddels uitdrukkelijk is bekrachtigd.

3.2. Betrokkenes hoger beroep keert zich tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit. Zij heeft primair doen stellen dat zij op grond van artikel 7, vierde lid, van het Burgerlijk ambtenaren-reglement defensie (hier verder: BARD) aanspraak had op een vaste aanstelling. Subsidiair is namens haar naar voren gebracht dat het niet verlengen van haar tijdelijke aanstelling na 1 mei 1999 in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

4. Met betrekking tot het hoger beroep van de Staatssecretaris overweegt de Raad het volgende.

4.1. In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het BARD was tot 1 januari 1998 bepaald dat in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder bevoegd gezag wordt verstaan de bij koninklijk besluit of door of vanwege onze Minister als zodanig aangewezen autoriteit. In de mede op deze bepaling berustende, op 1 april 1996 in werking getreden Tijdelijke regeling bevoegdhedentoedeling burgerlijke ambtenaren defensie zijn als bevoegd gezag voor de krijgsmachtdelen aangewezen de bevelhebbers, ieder ten aanzien van het eigen krijgsmachtdeel. Ten aanzien van betrokkene was derhalve de bevelhebber der landstrijdkrachten het bevoegde gezag. Op grond van (sub)delegatiebesluiten was (onder andere) de bevoegdheid om besluiten als het onderhavige te nemen overgedragen aan de C-RMCO. Per 1 januari 1998 is de derde tranche van de Awb in werking getreden. Daarbij is onder andere artikel 10:14 van die wet van kracht geworden, waarin is bepaald dat delegatie niet aan ondergeschikten geschiedt. In artikel V van de Wet van 4 december 1997, Stb 580, (Aanpassingswet derde tranche Awb II) is bepaald dat degene die volgens het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, bevoegd was een besluit te nemen of een andere handeling te verrichten, welke bevoegdheid na dat tijdstip als gevolg van de aanpassing van de Awb niet meer door hem zou kunnen worden uitgeoefend, niettemin die bevoegdheid behoudt totdat in overeenstemming met de nieuwe wetgeving in de bevoegdheid is voorzien, doch niet langer dan dertien weken na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad staat vast, dat de C-RMCO op grond van deze bepalingen op de datum waarop het bestreden besluit werd genomen, 28 mei 1999, niet meer krachtens delegatie bevoegd was tot het nemen van dat besluit.

4.2. Sinds 1 januari 1998 is in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het BARD bepaald dat in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder bevoegd gezag wordt verstaan de bij koninklijk besluit of bij ministeriële regeling als zodanig aangewezen autoriteit. Op 24 november 1998 heeft de Staatssecretaris de Regeling bevoegdhedentoedeling burgerlijke ambtenaren defensie vastgesteld. In deze regeling, waaraan terugwerkende kracht is verleend tot 1 april 1998, is bepaald dat voor de uitoefening van bevoegdheden die niet bij of krachtens dit besluit aan een ander orgaan wordt geattribueerd, onder bevoegd gezag dient te worden verstaan: de Minister van Defensie. Nu de bevoegdheid tot het nemen van een primair besluit en daarmee het besluit op bezwaar als hier aan de orde niet aan een ander orgaan is toegekend, berust deze bevoegdheid derhalve bij de Minister van Defensie, lees: de Staatssecretaris. Deze heeft zijn bevoegdheid op 24 november 1998 gemandateerd aan de bevelhebber der landstrijdkrachten, die vervolgens op 21 mei 1999 (onder)mandaat heeft verleend aan de Commandant van het Nationale Commando. Op 1 juni 1999 heeft laatstgenoemde de bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar als hier aan de orde gemandateerd aan de C-RMCO. Aan al deze mandaatbesluiten is terugwerkende kracht verleend tot 1 april 1998. De Staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de C-RMCO derhalve (achteraf bezien) op de datum van het bestreden besluit bevoegd was dat besluit (namens de Staatssecretaris) te nemen.

4.3. De Raad overweegt dat het onderhavige besluit krachtens delegatie is genomen hoewel aan die delegatie de rechtsgeldige basis was komen te ontvallen. Door met terugwerkende kracht (onder)mandaat te verlenen is beoogd in deze situatie alsnog te voorzien in een juiste bevoegdheidsgrondslag en wel in die zin dat de C-RMCO thans niet meer op eigen titel besloot, doch namens de Staatssecretaris. De Raad neemt voorts in aanmerking dat het bestreden besluit bovendien expliciet door de Staatssecretaris voor zijn rekening is genomen. Onder deze omstandigheden acht de Raad onvoldoende termen aanwezig het bestreden besluit als onbevoegd genomen te vernietigen. Hij merkt daarbij op dat betrokkene door deze gang van zaken niet in haar belang is getroffen.

4.4. De grieven van de Staatssecretaris slagen derhalve.

5. Met betrekking tot het hoger beroep van betrokkene overweegt de Raad het volgende.

5.1. Betrokkene was aangesteld op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder d, van het BARD. Daarin is bepaald dat een aanstelling in tijdelijke dienst kan plaatsvinden voor het verrichten van werkzaamheden waarvoor slechts tijdelijk een beroep op de

arbeidsmarkt kan worden gedaan. In het derde lid van genoemd artikel is neergelegd dat zodra de omstandigheid, genoemd in het tweede lid, welke leidde tot een aanstelling in tijdelijke dienst, zich niet meer voordoet, een aanstelling in vaste dienst wordt verleend tenzij daartegen uit andere hoofde bedenkingen bestaan. In het vierde lid van artikel 7 van het BARD is bepaald dat onder andere in gevallen genoemd onder d van het tweede lid, in ieder geval wordt aangenomen dat de omstandigheid welke leidde tot een aanstelling in tijdelijke dienst, zich niet meer voordoet, wanneer de ambtenaar sinds vijf jaar zonder onderbreking van langer dan 1 maand in dienst van het Ministerie van Defensie, waarvan laatstelijk gedurende ten minste 1 jaar in zijn huidige betrekking, werkzaam is geweest, tenzij vaststaat dat zijn werkzaamheden in het door hem vervulde ambt binnen het jaar zullen worden beëindigd.

5.2. Betrokkenes gemachtigde heeft in de eerste plaats gesteld dat betrokkene aanspraak had op een vaste aanstelling op grond van het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van het BARD. Zij heeft aangevoerd dat betrokkene op 6 januari 1999 zonder enige onderbreking gedurende vijf jaren bij het Ministerie van Defensie werkzaam is geweest, waarvan laatstelijk gedurende ten minste 1 jaar in haar laatste functie van kantine-/messbediende, en dat haar werkzaamheden niet binnen een jaar na 6 januari 1999 zijn beëindigd. Naar haar oordeel laat de president van de rechtbank bij zijn beoordeling van dit laatste onvoldoende wegen dat betrokkene weliswaar aanvankelijk was aangesteld om werkzaam te zijn binnen de [Y.], doch dat in haar aanstellingen vanaf 1 juli 1997 is opgenomen dat zij werkzaam was bij het garnizoen [B.], tot welk garnizoen naast de (in 1999 gesloten) [Y.] ook de Oranje Kazerne en de Kazerne Bronbeek behoren.

5.2.1. Voorzover betrokkenes gemachtigde heeft beoogd te stellen dat betrokkenes dienstverband niet per 1 mei 1999 kon worden beëindigd omdat haar per 6 januari 1999 een vaste aanstelling toekwam, overweegt de Raad in de eerste plaats dat een dergelijke aanstelling niet van rechtswege ontstaat. Nu betrokkene voorts geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de verlenging van haar tijdelijke aanstelling bij de onder 1. genoemde besluiten van 16 december 1998 en 3 maart 1999 respectievelijk van 1 januari 1999 tot 1 april 1999 en van 1 april 1999 tot 1 mei 1999, zijn deze besluiten rechtens onaantastbaar geworden. De verlening van een vaste aanstelling per 6 januari 1999 staat derhalve niet ter beoordeling.

5.2.2. Voorzover betrokkenes gemachtigde bedoelt te stellen dat aan betrokkene per 1 mei 1999 een vaste aanstelling had moeten worden verleend, is de Raad met de president van de rechtbank van oordeel dat zij aan het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van het BARD geen aanspraak op een vaste aanstelling kon ontlenen. De Raad is, evenals de president van de rechtbank, van oordeel dat voor de vaststelling of betrokkenes werkzaamheden in het door haar vervulde ambt binnen een jaar zouden worden beëindigd, uitsluitend dient te worden gelet op betrokkenes werkzaamheden binnen de [Y.]. Hij neemt daarbij in aanmerking dat betrokkene aanvankelijk was aangesteld om binnen die kazerne werkzaam te zijn, dat zij daar steeds werkzaam is gebleven en dat ook nimmer is beoogd haar werkzaamheden binnen een andere kazerne op te dragen. Aan het ontbreken van de naam van de [Y.] in latere aanstellingsbesluiten kan de Raad daarom niet die betekenis hechten die betrokkenes gemachtigde daaraan voorstaat. Tussen partijen is niet in geschil dat aan betrokkenes werkzaamheden in de [Y.] in mei 1999 een einde is gekomen. Uit de gedingstukken leidt de Raad voorts af dat reeds in 1998 vaststond dat de [Y.] in 1999 zou worden gesloten.

Gesteld noch gebleken is verder dat aan betrokkene op een andere grond per 1 mei 1999 een vaste aanstelling had moeten worden verleend.

5.2.3. Betrokkenes gemachtigde heeft subsidiair gesteld dat het niet verlengen van betrokkenes tijdelijke aanstelling per 1 mei 1999 in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat er nog steeds behoefte bestaat aan tijdelijk personeel. De Raad overweegt hieromtrent dat door het sluiten van de [Y.] (-) een verminderde behoefte bestond aan kantinepersoneel. Voor het bezetten van het verminderde aantal beschikbare plaatsen diende derhalve selectie plaats te vinden. De Raad vermag niet in te zien op welke grond de Staatssecretaris daarbij aan betrokkene voorrang had moeten verlenen en op hem derhalve de verplichting zou rusten betrokkene aan te stellen. De Raad komt dan ook tot het oordeel dat hij in redelijkheid tot zijn besluit kon komen betrokkenes aanstelling niet te verlengen.

5.3. Op grond van deze overwegingen kan het hoger beroep van betrokkene niet slagen.

6. Al het vorenstaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2002.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

31.01