Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8339

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2002
Datum publicatie
30-10-2002
Zaaknummer
00/379 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 19
Werkloosheidswet 31
Werkloosheidswet 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2002, 215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/379 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift -met bijlagen- aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Rechtbank Amsterdam op 9 december 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Op 14 maart 2002 is nog een brief - met bijlage - van mr. De Roy van Zuydewijn, voornoemd, ingekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 17 april 2002, waar voor appellante is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde heeft bij besluit van 11 september 1995 de met ingang van 4 november 1995 aan appellante toegekende uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO), welke laatstelijk waren berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, ingetrokken.

Op 12 oktober 1995 heeft appellante een aanvraag om uitkering ingevolge de WW ingediend. Op het aanvraagformulier vermeldde appellante dat zij beroep had ingesteld tegen de beslissing tot intrekking van haar arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Hierop heeft gedaagde bij beslissing van 26 oktober 1995 appellante meegedeeld dat zij met ingang van 6 november 1995 recht heeft op een WW-uitkering, maar dat, nu appellante voormeld beroep heeft ingesteld, de haar toegekende WW-uitkering als een voorschot dient te worden beschouwd. Zodra er uitspraak is gedaan, zal of de WW-uitkering als definitief worden beschouwd of zal er een verrekening met de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen plaatsvinden, aldus gedaagde.

Nadat het beroep van appellante tegen de intrekkingsbeslissing van haar arbeidsongeschiktheidsuitkeringen gegrond was verklaard, hetgeen tot gevolg heeft dat zij ook op en na 4 november 1995 recht heeft op AAW/WAO-uitkeringen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, heeft gedaagde op 17 juli 1997 een besluit afgegeven.

In dat besluit heeft gedaagde appellante meegedeeld dat de WW-uitkering over de periode van 6 november 1995 tot en met 17 december 1995 is beëindigd, omdat appellante gedurende die tijd doorlopend arbeidsongeschikt is geweest en dat de over die periode betaalde WW-uitkering zal worden verrekend met de aan appellante toekomende AAW/WAO-uitkeringen over die periode.

Bij het op bezwaar gegeven besluit van 10 augustus 1998 (het bestreden besluit) heeft gedaagde het besluit van 17 juli 1997 met wijziging van gronden gehandhaafd.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd omdat dat ondeugdelijk is gemotiveerd en derhalve in strijd is met het in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde motiveringsbeginsel. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten.

Namens appellante is in hoger beroep betwist dat er aan appellante in afwachting van de AAW/WAO-procedure voorschotten ingevolge de WW zijn verstrekt.

Indien dat het geval zou zijn geweest dan had appellante zelf daartoe een verzoek moeten indienen en nu zij dat niet heeft gedaan is er geen sprake van een voorschotuitkering. De rechtbank, zo stelt de gemachtigde van appellante, heeft in het kader van haar beslissing om de rechtsgevolgen in stand te laten ten onrechte de verrekening, zoals door gedaagde beoogd, toegestaan en heeft voorts ten onrechte gedaagde niet veroordeeld in de kosten van rechtsbijstand in de procedure in eerste aanleg.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in een situatie als de onderhavige het bepaalde in en het systeem van de WW zich niet verzet tegen het verstrekken van voorschotten.

De vraag is in dit verband aan de orde of er aan appellante voorschotten in de zin van de WW zijn toegekend.

De Raad beantwoordt die vraag evenals de rechtbank bevestigend.

Ook de Raad is van oordeel dat de bewoordingen van het toekenningsbesluit van 26 oktober 1995 de conclusie rechtvaardigen dat gedaagde onmiskenbaar bedoeld heeft appellante, zolang er nog geen zekerheid bestaat over haar toekomende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, een WW-uitkering als voorschot te verstrekken. Immers door het instellen van beroep tegen de intrekking van de AAW/WAO-uitkeringen was het voor gedaagde nog niet zeker of de uitsluitingsgrond zoals vermeld in artikel 19, eerste lid, onder b, van de WW toegepast zou moeten worden.

De omstandigheid dat appellante geen expliciet verzoek om een voorschot om uitkering als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de WW (oud) heeft gedaan, kan gedaagde bezwaarlijk worden tegengeworpen nu appellante na de toekenning van het voorschot met ingang van 6 november 1995 daartegen nooit heeft geprotesteerd. Evenmin heeft zij voordien te kennen gegeven dat zij in het geheel geen voorschot wilde ontvangen.

Het vorenstaande brengt mee dat gedaagde bevoegd is de over de periode van 6 november 1995 tot en met 17 december 1995 op voorschotbasis uitbetaalde WW-uitkering op grond van artikel 36, derde lid, van de WW (oud) in mindering te brengen op de uit te betalen uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO.

Met betrekking tot de grief terzake van het niet uitspreken van een proceskostenveroordeling door de rechtbank, is de Raad van oordeel dat deze appellante ten onrechte zijn onthouden nu het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek is vernietigd.

Het gevolg hiervan is dat de Raad met toepassing van artikel 24 van de Beroepswet doet hetgeen de rechtbank had behoren te doen en gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb veroordeelt in de proceskosten in beroep, begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

De Raad acht eveneens termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep, welke kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als hierna aangegeven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij geen proceskosten zijn toegekend terzake van de vernietiging van het besluit van 10 augustus 1998;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 1288,-- te betalen aan de griffier van de Raad.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. Th.M. Schelfhout en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2002.

(get.) M.A. Hoogeveen

(get.) M.D.F. de Moor

FB/03/06/02