Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8327

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2002
Datum publicatie
10-10-2002
Zaaknummer
00/549 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 27
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2002, 214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/549 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Roermond op 24 december 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 10 april 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door M. Steeghs, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellant is automonteur. Hij is sinds 16 oktober 1996, na de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst door de kantonrechter, in het genot van een WW-uitkering. Op

16 juni 1998 heeft appellant een sollicitatiegesprek gehad bij [X.] te [Y.] (hierna: [X.]). Vervolgens heeft hij op 29 juni en 30 juni 1998 'meegelopen' bij [X.]. Op 1 juli 1998 heeft hij zijn werkzaamheden bij [X.] niet voortgezet. Gedaagde heeft bij besluit van 16 november 1998 de WW-uitkering van appellant met ingang van 1 juli 1998 blijvend geheel geweigerd omdat appellant geen passend werk heeft behouden.

Het tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij het thans bestreden besluit van 13 april 1999 ongegrond verklaard.

De ontbinding van de arbeidsovereenkomst in 1996 volgde op een dienstverband van 27 jaar. Een van de verklaringen die in verband met die ontbinding werd afgelegd, was afkomstig van appellants (ex-)collega [C.], welke verklaring door appellant als onjuist en belastend wordt gekenschetst. Volgens appellant kreeg hij tijdens de twee dagen dat hij bij [X.] 'meeliep' te horen dat deze ex-collega eveneens had gesolliciteerd bij [X.] en aldaar ook was aangenomen. Appellant wilde op geen enkele wijze nog in contact komen met deze ex-collega, laat staan met hem samenwerken. Appellant stelt dat hij om die reden heeft besloten van het dienstverband bij [X.] af te zien en dat hij die reden ook aan [X.] heeft medegedeeld.

Gedaagde stelt daar tegenover dat uit het oogpunt van toepassing van de WW van appellant verlangd had kunnen worden dat hij in dienst was gebleven bij zijn nieuwe werkgever. Gedaagde wijst er op dat appellant in ieder geval de tijd had kunnen nemen om af te wachten of zijn ex-collega daadwerkelijk bij [X.] zou beginnen. In dat geval had appellant de zaak met de werkgever kunnen bespreken teneinde tot een bevredigende oplossing te komen. Als dat laatste niet mogelijk was, had appellant vanuit de arbeidssituatie verder uit kunnen zien naar een andere werkkring. Naar de mening van gedaagde heeft appellante dit ten onrechte nagelaten.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt allereerst vast dat appellant verkeerde in een situatie waarin hij arbeid verrichtte. Het 'meelopen' of 'proefdraaien' van appellant gedurende een korte periode teneinde te bezien of een reguliere arbeidsovereenkomst tot de mogelijkheden behoorde, moet, gelet op de aard van de werkzaamheden, worden aangemerkt als het hebben van passende arbeid. Dat appellant dit ook als zodanig heeft ervaren blijkt daaruit dat hij van [X.] een beloning voor zijn werkzaamheden verwachtte. Dat [X.] nooit tot betaling is overgegaan doet daar niet aan af.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, onder b, ten derde van de WW, voorkomt de werknemer dat hij werkloos is of blijft doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt. Op grond van artikel 27, eerste lid van de WW wordt, indien die verplichting niet is nagekomen, de WW-uitkering blijvend geheel geweigerd, tenzij het niet nakomen van die verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. De vraag in het onderhavige geding is derhalve of appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden en zo deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, of het niet nakomen van die verplichting appellant niet in overwegende mate kan worden verweten.

De Raad kan zich in deze verenigen met het oordeel van de rechtbank en het standpunt van verweerder.

Er zijn geen gronden aanwezig die de ontslagname door appellant ingaande 1 juli 1998 kunnen rechtvaardigen. Van appellant - die reeds sedert 16 oktober 1996 in het genot was gesteld van een WW-uitkering - had verlangd mogen worden dat hij zijn werkzaamheden bij [X.] zou voortzetten. Hij had in ieder geval de tijd moeten nemen en moeten bezien of zijn ex-collega inderdaad bij [X.] zou gaan werken, en zo dat het geval zou zijn, dan had hij het probleem met zijn werkgever kunnen bespreken teneinde een oplossing binnen het bedrijf te vinden. Als een oplossing niet binnen het bedrijf kon worden gevonden, had appellant, onder instandhouding van de aanstelling bij [X.], kunnen uitzien naar een andere baan. Een klemmende reden om niet meer bij [X.] te verschijnen, was in casu dan ook niet aanwezig. De Raad is dan ook van oordeel dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden. Voorts is de Raad van oordeel dat er, gelet op deze omstandigheden, geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij appellant. Gedaagde heeft derhalve terecht besloten de WW-uitkering blijvend geheel te weigeren.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. Th.M. Schelfhout en

mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2002.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

AP0205