Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8257

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2002
Datum publicatie
15-10-2002
Zaaknummer
99/1042 MPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/1042 MPW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op bij aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden heeft appellant bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 januari 1999, nummer AWB 98/06196 MPWKLA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, met als bijlage een brief van 16 juni 1999 van B.W. Haijtink, verzekeringsgeneeskundige bij de Verzekeringsgeneeskundige dienst KL.

Partijen hebben vervolgens, onder inzending van nadere stukken, over en weer schriftelijk op elkaars standpunten gereageerd.

Het geding is, gevoegd met het geding tussen partijen onder nummer 00/3593 MAW, behandeld ter zitting van de Raad op 3 mei 2002. Daar is appellant in persoon verschenen, terwijl namens gedaagde zijn verschenen P.J.H. Souren, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP, en mr. R.A. van Deele, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

In dit geding is aan de orde de toepassing van de Algemene militaire pensioenwet (hierna: de Wet). De Wet is bij het ingevolge de Kaderwet militaire pensioenen gegeven Koninklijk Besluit van 29 mei 2001, Stb. 260, met ingang van 1 juni 2001 ingetrokken. De Raad is evenwel ingevolge overgangsrecht bevoegd van het geding kennis te nemen.

De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de feiten en omstandigheden die de rechtbank bij de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft aangenomen.

Ook in hoger beroep staat ter beantwoording de vraag of gedaagde bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden ervan is uitgegaan dat noch voor het vaatlijden van appellant noch voor de door hem gemelde heupklachten enigerlei verband met de uitoefening van de militaire dienst in de zin als bedoeld in artikel E 11 van de Wet kan worden aangenomen.

De rechtbank heeft die vraag bij de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord. Wat betreft de vaataandoening is daartoe overwogen - samengevat - dat uit de voorhanden medische gegevens, waaronder een door (thans) appellant ingebracht schrijven van de chirurg prof. dr. P. Kitslaar van 23 juni 1998, niet blijkt van een mogelijke relatie tussen het werken met dekens die met DDT bepoederd waren en die aandoening. Wat betreft de heupklachten is overwogen dat de medische gegevens geen afwijkingen aan de botten of het gewricht te zien geven en dat ook overigens niet is gebleken van enige onderbouwing voor de stelling van appellant dat hij een aandoening aan de heup heeft tengevolge van een dienstongeval.

De Raad kan zich met dat in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank alsook de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen geheel verenigen en maakt die overwegingen tot de zijne.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Dienaangaande wordt overwogen dat het door appellant in hoger beroep nader ingezonden schrijven d.d. 30 maart 1999 van de milieudeskundige prof. dr. L. Reijnders - waarin wordt gesteld dat intensieve blootstelling aan DDT de kans op psychische klachten kan vergroten terwijl psychische klachten de kans op bepaalde hart- en vaatziekten doen toenemen - op de in geding zijnde kwestie van het vaatlijden niet een wezenlijk ander licht werpt. Niet alleen is deze visie met veel onzekerheden omgeven en niet toegespitst op de persoon en de situatie van appellant, maar ook blijkt uit de aanwezige medische gegevens dat appellant al in 1972, vóórdat hij werd belast met het in geding zijnde werk, kampte met psychische klachten. Uit het genoemde schrijven van de, op het terrein van de vaatchirurgie gespecialiseerde hoogleraar Kitslaar blijkt nog dat in de medische wetenschap niet een verband is onderzocht tussen het ontstaan van vaatafwijkingen in de benen of in de halsslagaders of in de inwendige organen en de levensstijl.

Wat betreft de heupklachten acht ook de Raad de voorhanden medische gegevens genoegzaam; voor het door appellant op dit punt bepleite nader medisch onderzoek ziet de Raad derhalve geen aanleiding.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2002.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A. de Gooijer.

HD

14.06