Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8204

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-09-2002
Datum publicatie
30-09-2002
Zaaknummer
00/4422 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2002/311
JB 2002/311
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/4422 ZW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant is bij beroepschrift van 6 augustus 2000 in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 juni 2000, waarbij het beroep van gedaagde tegen het besluit van appellant van 13 november 1998 (hierna: het bestreden besluit) gegrond is verklaard, het bestreden besluit is vernietigd en is bepaald dat appellant een nieuw besluit op gedaagdes bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een en ander met beslissingen omtrent vergoeding door appellant aan gedaagde van griffierecht en proceskosten. Bij fax-bericht van

25 oktober 2000 heeft appellant de gronden van het hoger beroep ingediend.

Gedaagde heeft niet van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 augustus 2002, waar voor appellant is verschenen mr. P.E. Koch, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde niet is verschenen.

II. MOTIVERING

Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de Raad voor zijn oordeelsvorming in dit geding de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Gedaagde heeft zich met ingang van 21 oktober 1997 ziek gemeld voor zijn werk als vrachtwagenchauffeur. Gedaagdes, [werkgever] te [vestigingsplaats], heeft via haar gemachtigde, de BGD-Arbodienst Midden-Holland te [vestigingsplaats], op 31 maart 1998 een voorlopig reïntegratieplan bij appellant ingediend, waarin onder meer het volgende is vermeld:

"Gaarne advisering over het verrichten van loodswerkzaamheden bij een andere werkgever. Betrokkene blijft vooralsnog m.i. arbeidsongeschikt voor werkzaamheden bij eigen werkgever ([werkgever]), terwijl chauffeuren (incl. heftruck) ook nog niet mogelijk is. Dit als aanvulling op eerdere reïntegratieplannen te beschouwen."

Naar aanleiding hiervan heeft de verzekeringsgeneeskundige T.K. Oei gedaagde op 18 mei 1998 onderzocht en de beperkingen van gedaagde vastgelegd in zijn rapport van 22 mei 1998, waarin tevens een belastbaarheidsprofiel van gedaagde is opgenomen. Oei bracht voorts op 10 juni 1998 rapport uit in het kader van de beoordeling van gedaagdes recht op een WAO-uitkering. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige I.T. Wilders in haar rapport van 23 juni 1998 geconcludeerd dat het vervangend werk bij de firma [naam firma], te weten 4 uur per avond uitsorteren op basis van arbeidstherapie, voldoet aan de beperkingen, gesteld bij het belastbaarbaarheidsprofiel van 22 mei 1998. Bij brief van 7 juli 1998 berichtte Wilders daarop aan voormelde Arbodienst - onder toezending van een afschrift aan [werkgever], [naam firma] B.V. en gedaagde - het volgende:

"Op 1 april 1998 verzocht de Arbodienst Midden Holland ons advies m.b.t. het verrichten van loodswerkzaamheden door dhr. [gedaagde] bij een andere werkgever. Op 22 mei en 10 juni 1998 vond een medisch onderzoek plaats; op 5 juni 1998 een gesprek met dhr. [naam directeur], direkteur van transportbedrijf [naam firma] te vestigingsplaats.

Als antwoord uit bovenstaand onderzoek deel ik u thans mee, dat het vervangende werk bij de fa. [naam firma], t.w. 4 uur per avond loods- c.q. uitsorteerwerkzaamheden op arbeidstherapeutische basis, voldoet aan de beperkingen zoals die zijn gesteld in het belastbaarheidspatroon. Bovenstaande konklusie is met dhr. Veugelers besproken, doch deze is van mening op dit moment nog geen werk te kunnen verrichten.

Volgens de heer [naam directeur] is met [werkgever] overeengekomen dat aan dit vervangende werk geen loonwaarde behoeft te worden toegekend door de fa. [naam firma], en derhalve kan dit werk niet als een aanbod worden gezien waarmee ontheffing van loondoorbetaling door [werkgever] Transport, geheel of gedeeltelijk, komt te vervallen. (art. 629.3c BW)"

Tegen de brief van 7 juli 1998 heeft mr. A. Bosveld, advocaat te Rotterdam, bij brief van 27 juli 1998 bij gedaagde bezwaar gemaakt, stellende dat deze brief moet worden opgevat als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij het bestreden besluit heeft appellant dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft appellant gewezen op de adviesaanvraag van gedaagdes werkgever en heeft hij overwogen dat aan de brief van 7 juli 1998 geen rechtsgevolgen zijn verbonden. Om die reden valt deze brief, aldus appellant, niet onder het besluitbegrip van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

In beroep heeft de gemachtigde van gedaagde het oordeel van appellant dat de brief van 7 juli 1998 geen besluit als evenbedoeld is, onder andere bestreden met een verwijzing naar de memorie van antwoord bij artikel 7:629, derde lid, onder c, van het Burgerlijk Wetboek (BW).

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het standpunt van de gemachtigde van gedaagde onderschreven en daarbij tevens verwezen naar artikel 38, eerste lid, aanhef en onder j, van de toen geldende Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, ingevolge welke bepaling appellant tot taak heeft op verzoek van een werkgever toestemming te geven, als bedoeld in artikel 7:629, derde lid, aanhef en onder c, van het BW, tenzij de belangen van de betrokken werknemer onevenredig worden geschaad. De rechtbank stelde voorts vast dat de arbeidsdeskundige Wilders niet bevoegd was tot het verlenen van deze toestemming aan de werkgever, zodat het besluit van 7 juli 1998 onbevoegdelijk was genomen, welk gebrek zo leidt de Raad uit de aangevallen uitspraak af, naar het oordeel van de rechtbank bij het bestreden besluit niet geheeld is.

In hoger beroep heeft appellant, uitvoerig onderbouwd, het in het bestreden besluit neergelegde standpunt inzake het karakter van de brief van 7 juli 1998 gehandhaafd en heeft hij vernietiging van de aangevallen uitspraak en ongegrondverklaring van het inleidend beroep gevorderd.

De Raad is van oordeel dat het hoger beroep slaagt, zij het niet op de door appellant aangevoerde gronden.

Hij overweegt daartoe dat naast de hiervoor aangehaalde passage uit het voorlopig reïntegratieplan, welke passage is gesitueerd onder kopje "Overige opmerkingen", vanwege de werkgever bij vraag 6 een met deze passage overeenkomend antwoord is gegeven. Vraag 6 luidt als volgt: "Als u behoefte hebt aan voorlichting of advies van, of aan overleg met Gak Nederland bv, wilt u dan hier aangeven waar dat over gaat?" Deze vraag sluit weer aan op hetgeen op het voorblad bij de toelichting onder het kopje "Voorlichting, advies of overleg" is opgemerkt. Vraag, antwoord en overige opmerking wijzen er naar het oordeel van de Raad dan ook niet op dat de adviesaanvraag in het voorlopig reïntegratieplan door appellant had moeten worden opgevat als een verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 7:629, derde lid, onder c, van het BW. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen de vorm, de inhoud en de ondertekening van de brief van 7 juli 1998 is de Raad van oordeel dat deze brief - anders dan de gemachtigde van appellant ter zitting heeft bepleit - geen verdere strekking heeft dan een naar aanleiding van de voorgelegde vraagstelling door Wilders gegeven advies. Reeds hierom kan de brief van 7 juli 1998 niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt en zal de Raad verder onbesproken laten de vraag of een - bevoegdelijk genomen - beslissing door appellant op een daadwerkelijk verzoek om toestemming als hierbedoeld heeft te gelden als een besluit in evenbedoelde zin.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde Kalter en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van S. van der Zee als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 september 2002.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) S. van der Zee.

PK