Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8114

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2002
Datum publicatie
26-09-2002
Zaaknummer
00/3198 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De door wetgever gekozen leeftijd van 18 jaar voor de aanvang van het (fictieve) arbeidsverleden leidt niet tot (verboden) discriminatie.

Appellant (geboren in 1939) is een WW-uitkering toegekend. Gedaagde is bij de berekening van de uitkering uitgegaan van een arbeidsverleden van 37 jaar. Appellant is van mening dat zijn arbeidsverleden 41 jaar beslaat aangezien hij meent dat de jaren 1954 tot 1957 ook meegerekend dienen te worden.

De Raad is van opvatting, in het verlengde van zijn eerdere uitspraken, onder meer de uitspraak van 29 oktober 1991, gepubliceerd in RSV 1992/101, dat de tekst van art. 42.3 WW geen ruimte biedt om bij de vaststelling van de duur van het arbeidsverleden van appellant (mede) rekening te houden met het tijdvak gedurende hetwelk appellant, vóór het jaar waarin hij de 18-jarige leeftijd bereikte, daadwerkelijk in dienstbetrekking werkzaam is geweest.

Het arbeidsverleden als bedoeld in art. 42.3 WW bestaat ten dele uit een feitelijk arbeidsverleden en voor het andere deel uit een fictief arbeidsverleden, dat aanvangt met het jaar waarin de werknemer de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat in het bijzonder het ontbreken van een sluitende registratie van het feitelijk arbeidsverleden van de werknemers en de daaruit voortvloeiende bewijsproblemen voor de werknemers en controleproblemen voor het uitvoeringsorgaan alsmede het voorkomen van fraude voor de wetgever aanleiding zijn geweest om welbewust af te zien van een systeem dat uitsluitend is gebaseerd op het feitelijk arbeidsverleden. Gelet op de gebruikelijke periode waarin particulieren bescheiden plegen te bewaren is gekozen voor een systeem met een feitelijk arbeidsverleden, opgebouwd gedurende vijf kalenderjaren voorafgaande aan het jaar waarin de eerste werkloosheidsdag is gelegen.

Vanwege de keuze voor een systeem met een deels fictief arbeidsverleden was het noodzakelijk een tijdstip te bepalen waarop dat arbeidsverleden fictief aanvangt. Dat tijdstip is bepaald op het begin van het jaar waarin de werknemer 18 jaar wordt. Daarbij is aangesloten bij de praktijk waarin werknemers veelal vanaf de leeftijd van 18 jaar volledig aan het arbeidsproces deelnemen.

Voorzover het hanteren van de leeftijd van 18 jaar voor de aanvang van het (fictieve) arbeidsverleden of de betrokken regeling anderszins zou leiden tot een ongelijke behandeling, zoals appellant stelt, is de Raad niet tot het oordeel kunnen komen dat de door de wetgever gemaakte keuzes niet zijn gebaseerd op redelijke en objectieve gronden. Mitsdien kan niet worden gesproken van (verboden) discriminatie.

Bevestigt aangevallen uitspraak.

De Raad van bestuur van het UWV, gedaagde.

mr. Th. M. Schelfhout

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2002, 259
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

00/3198 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Leeuwarden op 12 mei 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 10 juli 2002, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich, zoals tevoren bericht, niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Appellant, geboren [in] 1939, is werkloos geworden met ingang van 19 december 1994. Bij besluit van 8 februari 1995 is hij in aanmerking gebracht voor een basisuitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) van 19 december 1994 tot en met 18 juni 1995. Bij besluit van 16 december 1998 heeft gedaagde appellant meegedeeld de duur van de uitkering te hebben vastgesteld op in totaal vijf jaar, samengesteld uit een basisuitkering van 19 december 1994 tot 19 juni 1995, een verlengde uitkering van 3 ½ jaar van 19 juni 1995 tot 19 december 1998 en een vervolguitkering van 19 december 1998 tot en met 18 december 1999. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 42, derde lid, van de WW -zoals dit luidde vóór 1 maart 1995- heeft gedaagde het arbeidsverleden van appellant vastgesteld op 37 jaar (zijnde het aantal kalenderjaren vanaf en met inbegrip van het jaar waarin appellant de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt (1957) tot en met het jaar 1993). Bij het bestreden besluit van 19 januari 1999 heeft gedaagde het besluit van 16 december 1998 gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit, onder verwijzing naar jurisprudentie van deze Raad, ongegrond verklaard.

Het hoger beroep van appellant richt zich, evenals diens bezwaar en beroep, op de vaststelling van de duur van de verlengde uitkering. Appellant is van mening dat zijn arbeidsverleden 41 jaar beslaat, omdat hij van 1954 tot 1957 werkzaam is geweest als boerenknecht. Tevens heeft hij het volledige jaar 1994 gewerkt in dienst van [bedrijfsnaam] NV, zoals blijkt uit het hem op 6 september 1995 toegezonden statusoverzicht 1994. Op grond hiervan meent hij aanspraak te kunnen maken op een verlengde uitkering van 4 ½ jaar.

Evenals de rechtbank is de Raad van opvatting, in het verlengde van zijn eerdere uitspraken, onder meer de uitspraak van 29 oktober 1991, gepubliceerd in RSV 1992/101, dat de tekst van artikel 42, derde lid, van de WW geen ruimte biedt om bij de vaststelling van de duur van het arbeidsverleden van appellant (mede) rekening te houden met het tijdvak gedurende hetwelk appellant, vóór het jaar waarin hij de 18-jarige leeftijd bereikte, daadwerkelijk in dienstbetrekking werkzaam is geweest.

Het arbeidsverleden als bedoeld in artikel 42, derde lid, van de WW bestaat ten dele uit een feitelijk arbeidsverleden en voor het andere deel uit een fictief arbeidsverleden, dat aanvangt met het jaar waarin de werknemer de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat in het bijzonder het ontbreken van een sluitende registratie van het feitelijk arbeidsverleden van de werknemers en de daaruit voortvloeiende bewijsproblemen voor de werknemers en controleproblemen voor het uitvoeringsorgaan alsmede het voorkomen van fraude voor de wetgever aanleiding zijn geweest om welbewust af te zien van een systeem dat uitsluitend is gebaseerd op het feitelijk arbeidsverleden. Gelet op de gebruikelijke periode waarin particulieren bescheiden plegen te bewaren is gekozen voor een systeem met een feitelijk arbeidsverleden, opgebouwd gedurende vijf kalenderjaren voorafgaande aan het jaar waarin de eerste werkloosheidsdag is gelegen.

Vanwege de keuze voor een systeem met een deels fictief arbeidsverleden was het noodzakelijk een tijdstip te bepalen waarop dat arbeidsverleden fictief aanvangt. Dat tijdstip is bepaald op het begin van het jaar waarin de werknemer 18 jaar wordt. Daarbij is aangesloten bij de praktijk waarin werknemers veelal vanaf de leeftijd van 18 jaar volledig aan het arbeidsproces deelnemen.

Voorzover het hanteren van de leeftijd van 18 jaar voor de aanvang van het (fictieve) arbeidsverleden of de betrokken regeling anderszins zou leiden tot een ongelijke behandeling, zoals appellant stelt, is de Raad niet tot het oordeel kunnen komen dat de door de wetgever gemaakte keuzes niet zijn gebaseerd op redelijke en objectieve gronden. Mitsdien kan niet worden gesproken van (verboden) discriminatie.

Met betrekking tot de reden waarom het jaar 1994 buiten beschouwing is gelaten bij de vaststelling van het arbeidsverleden van appellant verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent in de aangevallen uitspraak is opgemerkt. Hij voegt daaraan nog toe dat de Raad reeds verschillende malen, onder meer in een uitspraak van 23 februari 2000, gepubliceerd in RSV 2000/92 en USZ 2000/83, heeft geoordeeld dat aan een statusoverzicht als zodanig geen rechten kunnen worden ontleend.

Voor het overige is de Raad van oordeel dat appellant noch in zijn materiële noch in zijn processuele belangen is geschaad door het (aanzienlijke) tijdsverloop tussen het besluit van 8 februari 1995, waarbij is beslist over de basisuitkering, en het besluit van 16 december 1998, dat handelt over de verlengde uitkering en de vervolguitkering. Hij onderschrijft hetgeen daaromtrent door gedaagde in het verweerschrift is gesteld.

Uit het vorenstaande volgt dat de Raad met de rechtbank van oordeel is dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2002.

(get.) Th.M. Schelfhout

(get.) M.D.F. de Moor

KL3107