Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE8041

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2002
Datum publicatie
25-09-2002
Zaaknummer
99/6079 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Militaire Ambtenarenwet 1931
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/338 met annotatie van GEvM
TAR 2002/166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/6079 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Staatssecretaris van Defensie, appellant,

en

de erven van [overledene], laatstelijk wonende te Middelburg, gedaagden.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 november 1999, nr. AWB 99/1303 MAWKMA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagden is een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.

Desgevraagd is vanwege appellant een nader stuk in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 juni 2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.C.J. Varkevisser-van den Brekel, bijgestaan door mr. M. van Reigersberg Versluys en L.G. Koenen, medisch adviseur, allen werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Voor gedaagden is verschenen mr. L.A.A. Ongenae, advocaat te Zoetermeer.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden welke tussen partijen niet in geschil zijn.

1.1. De heer [overledene] (hierna: [overledene]), geboren op 4 mei 1935 en overleden op 7 januari 2001, is van 1951 tot 1980 in dienst geweest van het Ministerie van Defensie, in de functie van matroos bij de Koninklijke Marine en vervolgens in de functie van loodsdienstregelaar bij het Loodswezen. Gedurende zijn diensttijd is [overledene] blootgesteld geweest aan vrije asbestvezels. In oktober 1997 is bij hem de diagnose maligne mesothelioom gesteld.

1.2. Bij brief van 11 november 1997 heeft [overledene] appellant aansprakelijk gesteld voor alle door hem tengevolge van deze kwaadaardige ziekte geleden schade. Bij brief van 20 augustus 1998 heeft appellant die aansprakelijkheid erkend en heeft hij [overledene] als vergoeding van de immateriële schade een voorschot toegekend van ƒ 50.000,- (€ 22.689,11). Bij besluit van 1 september 1998 heeft appellant aan [overledene] - voorzover hier van belang - een bedrag van ƒ 80.000,- (€ 36.302,58) aan immateriële schadevergoeding toegekend. Bij besluit van 16 oktober 1998 heeft appellant [overledene] laten weten dat in verband met de totstandkoming van het Convenant Instituut Asbestslachtoffers (hierna: convenant) op 16 september 1998, in het vervolg aan mesothelioomslachtoffers een standaardbedrag aan immateriële schadevergoeding wordt toegekend van ƒ 90.000,- (€ 40.840,40) en dat [overledene] derhalve nog een bedrag van ƒ 40.000,- (€ 18.151,29) toekomt. Bij het bestreden besluit van 13 januari 1999 heeft appellant de bezwaren van [overledene] tegen het toekennen van een standaardbedrag van ƒ 90.000,- (€ 40.840,40) aan immateriële schadevergoeding ongegrond verklaard.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het in die uitspraak overwogene, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft daartoe laten wegen dat zij het niet onbegrijpelijk vindt dat appellant met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van het immateriële schadebedrag aansluiting heeft gezocht bij het in het convenant vastgelegde bedrag van ƒ 90.000,- (€ 40.840,40), maar dat appellant daarmee niet is ontslagen van zijn plicht te onderzoeken of in het individuele geval sprake is van bijzondere omstandigheden die het noodzakelijk maken dat het standaarduitkeringsbedrag verhoogd moet worden. Naar het oordeel van de rechtbank kan in de gegeven situatie het uitkeringsbedrag door appellant naar billijkheid niet lager worden begroot dan ƒ 115.000,- (€ 52.184,96). Als bijzondere omstandigheden heeft de rechtbank met name aangemerkt dat [overledene] vanaf het moment dat bij hem de diagnose maligne mesothelioom is gesteld langer heeft geleefd - en daarmee langer heeft geleden - dan het gemiddelde mesothelioomslachtoffer, alsmede dat [overledene] geen gebruik heeft kunnen maken van de diensten van het Instituut Asbestslachtoffers, omdat het Instituut op dat moment nog niet operationeel was, waardoor hij aanzienlijk langer op de toekenning van zijn schadevergoeding heeft moeten wachten dan de maximale termijn van drie maanden waarvan het convenant uitgaat.

2. In hoger beroep heeft appellant benadrukt dat, gelet op de aard en het verloop van de ziekte, tussen mesothelioomslachtoffers aanzienlijke overeenkomsten bestaan, die het hanteren van een normbedrag voor vergoeding van immateriële schade rechtvaardigen. Natuurlijk zijn er individuele verschillen, maar het is uiterst moeilijk deze op geld te waarderen. Het normbedrag van f 90.000,- (€ 40.840,40) vormt een neerslag van de maatschappelijke opvattingen en van de jurisprudentie. In het onderhavige geval heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de schadevergoeding, in afwijking van het normbedrag, niet lager mag worden gesteld dan f 115.000,- (€ 52.184,96), aldus appellant.

2.1. De Raad stelt voorop dat de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade naar billijkheid dient te worden vastgesteld. Relevante factoren daarbij zijn de aard van de aansprakelijkheid, alsmede de aard, de duur en de intensiteit van de pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde die voor het slachtoffer het gevolg zijn van de ziekte. Onder het bedoelde verdriet is mede begrepen het verdriet dat betrokkene ondervindt van de wetenschap dat zijn levensverwachting is verkort. Het aldus te bepalen bedrag zal het bij het slachtoffer ontstane leed, dat immers niet op geld waardeerbaar is, nimmer kunnen compenseren. Gelet op deze onbepaaldheid van de te wegen factoren is het van groot belang, teneinde willekeur te voorkomen, aansluiting te zoeken bij de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend.

2.2. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft appellant, waar het gaat om zijn aansprakelijkheid jegens asbestslachtoffers met de ziekte mesothelioom, de hiervóór omschreven billijkheidsnorm sedert de totstandkoming van het convenant nader ingevuld, in die zin, dat hij aansluiting zoekt bij het in het convenant overeengekomen normbedrag en mitsdien - ook bij afdoening van schadeclaims buiten het in het convenant voorziene Instituut Asbestslachtoffers om - als regel een standaardbedrag van f 90.000,- (€ 40.840,40) ter vergoeding van immateriële schade toekent. Daarbij heeft appellant vooral in aanmerking genomen dat het convenant speciaal is toegesneden op mesothelioomslachtoffers, die zich allen qua levensverwachting in de zelfde ongunstige positie bevinden, dat het convenant op basis van zorgvuldig onderzoek, vergelijking van reeds gedane rechterlijke uitspraken en uitvoerige onderhandelingen tot stand is gebracht door partijen afkomstig uit alle relevante geledingen van de maatschappij, waaronder belangenbehartigers van asbestslachtoffers, en dat het convenant derhalve een zeer breed maatschappelijk draagvlak heeft.

2.3. De Raad is van oordeel dat deze beleidslijn, die door appellant ook aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, op zichzelf de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De Raad neemt hiertoe in aanmerking dat het standaardbedrag het resultaat is van uitvoerig overleg tussen de betrokken maatschappelijke partijen, waarin niet alleen een aanzienlijke mate van inzicht bestond in de meest relevante factoren - zoals de oorzaak van de ziekte, het steeds fatale karakter daarvan, het verloop van het ziekteproces, de resterende levensverwachting en de daarbij te constateren verschillen - maar waarin bovendien, vanuit de wens om nog bij leven van de slachtoffers met zo min mogelijk belastende discussies tot vaststelling en uitbetaling van de schadevergoeding te kunnen komen, is gestreefd naar één enkel normbedrag waarin al deze op zichzelf moeilijk weegbare factoren zo goed mogelijk tot hun recht komen. Dat de beleidslijn als zodanig wellicht niet schriftelijk is vastgesteld en evenmin bekend is gemaakt, zodat deze niet kan worden aangemerkt als een beleidsregel in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), neemt niet weg dat appellant er in individuele gevallen - mits voldoende gemotiveerd - toepassing aan kan geven.

2.4. Ook naar het oordeel van de Raad ontslaat het hanteren van de beleidslijn appellant niet van de verplichting in ieder individueel geval na te gaan of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de toekenning van het standaardbedrag van f 90.000,- (€ 40.840,40) niet als een juiste invulling van de billijkheidsnorm zou zijn te beschouwen. Daarbij zal het echter slechts kunnen gaan om individuele omstandigheden met een zeer uitzonderlijk karakter.

2.5. In het onderhavige geval hebben gedaagden vooral gewezen op de omstandigheid dat [overledene] na het stellen van de diagnose nog aanzienlijk langer heeft geleefd dan bij mesothelioompatiënten gebruikelijk is. De Raad is echter van oordeel dat dit element moet worden geacht in ruime mate in het bij het convenant overeengekomen standaardbedrag te zijn verdisconteerd. Het plaatsen van langduriger lijden tegenover langduriger leven is immers bij uitstek het soort afweging van factoren dat het convenant in concrete gevallen overbodig wil maken. Daarvan uitgaande, kan hier niet worden gesproken van een zeer uitzonderlijke omstandigheid in de hiervóór bedoelde zin.

2.6. Anders dan de rechtbank komt de Raad dan ook tot het oordeel dat de toekenning van het standaardbedrag van

f 90.000,-(€ 40.840,40) in dit geval niet in strijd komt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Het hoger beroep treft doel en de aangevallen uitspraak komt in aanmerking om te worden vernietigd.

3. Gedaagden hebben aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te bepalen dat over het bedrag van de schadevergoeding wettelijke rente moet worden betaald.

3.1. Het gaat om een kwestie waaraan de rechtbank, uitgaande van vernietiging van de bestreden beslissing op bezwaar, niet is toegekomen. Gegeven de verwevenheid van de onderhavige schadevergoeding en de wettelijke rente heeft de Raad, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, alsnog hieromtrent te beslissen.

3.2. Blijkens het convenant zijn de daarbij betrokken partijen overeengekomen dat de wettelijke rente in het schadevergoedingsbedrag van ƒ 90.000,- (€ 40.840,40) is inbegrepen. In het verlengde hiervan heeft appellant geweigerd om [overledene] - zoals namens hem bij de brief van 11 november 1997 is verzocht - wettelijke rente over dat schadevergoedingsbedrag te vergoeden. De Raad kan appellant in dit standpunt echter niet volgen. Immers, de wettelijke rente is in het schadevergoedingsbedrag inbegrepen omdat het Instituut Asbestslachtoffers zich ten doel gesteld heeft om schadeclaims binnen een redelijke termijn te beoordelen en af te handelen. Blijkens de gedingstukken heeft [overledene] ruim negen maanden op het primaire besluit moeten wachten en is hem daarbij nog slechts een voorschot toegekend, terwijl het vervolgens nog eens twee maanden heeft moeten duren eer het restantbedrag hem werd toegekend. Naar het oordeel van de Raad kan in dit geval geen sprake zijn van een redelijke termijn - in vorenbedoelde zin -waarbinnen de schadeclaim van [overledene] is afgehandeld. Aan dit oordeel moet dan ook de conclusie worden verbonden dat appellant ten onrechte heeft geweigerd [overledene] wettelijke rente te vergoeden. Gelet op artikel 4:13, tweede lid, van de Awb en nu uit de stukken niet is gebleken van een geschrift waarbij de beslistermijn is opgeschort, gaat de Raad ervan uit dat acht weken een redelijke beslistermijn is.

3.3. Uit het vorenstaande volgt derhalve dat appellant aan gedaagden wettelijke rente verschuldigd is met ingang van de datum van acht weken na 11 november 1997 over een bedrag van ƒ 90.000,- (€ 40.840,40) tot aan de datum waarop het voorschot van ƒ 50.000,- (€ 22.689,11) is betaald. Vanaf laatstgenoemde datum is appellant aan gedaagden wettelijke rente verschuldigd over het restantbedrag van ƒ 40.000,- (€ 18.151,29) tot aan de dag der algehele voldoening.

3.4. De Raad zal dienovereenkomstig zelf in de zaak voorzien op grond van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.

4. De Raad ziet aanleiding om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van kosten wegens aan gedaagden in hoger beroep verleende rechtsbijstand, begroot op een bedrag van € 644,-.

5. Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens het bepaalde inzake het griffierecht en de proceskostenveroordeling;

Vernietigt het bestreden besluit voorzover het betrekking heeft op de wettelijke rente;

Stelt de wettelijke rente vast zoals onder 3.3. is aangegeven en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

Verklaart het inleidend beroep voor het overige alsnog ongegrond;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagden in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter, en mr. T. Hoogenboom en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2002.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) mr. P.W.J. Loots.

(wegens defungeren van

bovengenoemde griffier)

Q