Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE7942

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2002
Datum publicatie
24-09-2002
Zaaknummer
99/313 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Grondwet 44
Reglement rijbewijzen 37
Wegenverkeerswet 1994 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 308 met annotatie van E.M. Vogelezang-Stoute
TAR 2002/157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/313 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 november 1998, nr. AWB 97/8350 MAWKLU, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nog enkele stukken ingezonden. Ook appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 november 2001, waar voor appellant is verschenen mr. P.M. Groenhart, werkzaam bij de ACOM, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.H. Beijer, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en aan gedaagde schriftelijk enkele vragen voorgelegd. Gedaagde heeft hierop bij brief van 18 januari 2002 geantwoord.

Na verkregen toestemming van partijen heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

II. MOTIVERING

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met vermelding van de volgende, als vaststaand aangenomen, gegevens.

1.1. Appellant was in 1985 gelegerd te [standplaats] (Bondsrepubliek Duitsland) en houder van een Duits burgerrijbewijs. Op 22 november 1985 is hij te [standplaats] geslaagd voor het militaire rij-examen voor voertuigen van de categorieën B, C, D en E. Bij het hem verstrekte Nederlandse militaire rijbewijs is hem tevens een militair bewijs van rijvaardigheid uitgereikt als bedoeld in artikel 114, tweede lid, onder a, van het destijds geldende Wegenverkeersreglement (Stb. 1983, 662).

1.2. Op 9 april 1996 heeft appellant, inmiddels weer in Nederland woonachtig en in het bezit van een Nederlands rijbewijs voor de categorie B, gedaagde verzocht hem alsnog een machtiging te verlenen om zijn militaire rijbewijs naar dit burgerrijbewijs over te schrijven. Dit verzoek - kennelijk strekkende tot het opnieuw afgeven van een militair bewijs van rijvaardigheid en door gedaagde ook als zodanig opgevat - heeft appellant doen steunen op de omstandigheid dat hij ten tijde van de afgifte van het oorspronkelijke militaire bewijs van rijvaardigheid in 1985 niet in de gelegenheid was om op grond van dit bewijs een burgerrijbewijs voor (met name) de categorieën C en D te verkrijgen.

1.3. Bij besluit van 1 november 1996, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 2 juni 1997, heeft gedaagde dit verzoek afgewezen op grond van de overweging dat ingevolge artikel 34, derde lid, van de door de Minister van Defensie vastgestelde Verkeersregeling defensie van 29 november 1993, no. CW 89/128, (hierna: de Verkeersregeling), overeenkomende met het voorheen geldende artikel 7, vierde lid, van Luchtmachtorder 81/33, een militair bewijs van rijvaardigheid slechts éénmaal wordt verstrekt.

1.4. Het hiertegen door appellant ingestelde beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat er in zijn geval aanleiding is af te wijken van de bepaling dat een militair bewijs van rijvaardigheid slechts eenmalig wordt verstrekt. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

2.1. Ingevolge artikel 114, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, in samenhang met de artikelen 106 en 108, van het Wegenverkeersreglement wordt degene die op het tijdstip van het indienen van een aanvraag om een rijbewijs in het bezit is van een aan hem door het daartoe bevoegde militaire gezag ten hoogste zes maanden tevoren afgegeven bewijs van rijvaardigheid voor het besturen van motorvoertuigen van de categorie of categorieën waarop de aanvraag betrekking heeft geacht aan de voor het theorie- en praktijk-examen gestelde eisen te voldoen. Met ingang van 1 juni 1996 is een bepaling van gelijke strekking opgenomen in artikel 37 van het Reglement rijbewijzen (Stb. 1996, 277).

2.2. Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Verkeersregeling wordt aan de houder van het militair rijbewijs gelijktijdig met de afgifte van het militair rijbewijs door de tot afgifte van dat rijbewijs bevoegde functionaris een bewijs van rijvaardigheid als bedoeld in artikel 114, tweede lid, onder a, van het Wegenverkeersreglement verstrekt. In het derde lid is bepaald dat het bewijs van rijvaardigheid eenmalig wordt verstrekt en een geldigheidsduur heeft van zes maanden ingaande op de dag na die verstrekking.

2.3. Anders dan gedaagde in hoger beroep aanvankelijk heeft gesteld, kan de basis voor artikel 34 van de Verkeersregeling niet worden gevonden in artikel 4, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Ingevolge dit artikellid, voor zover hier van belang, geldt het bepaalde bij of krachtens deze wet ten aanzien van voertuigen, voor zover die worden gebezigd ten behoeve van de strijdkrachten, slechts voor zover zulks bij algemene maatregel van bestuur is bepaald. Het ter uitvoering van dit artikellid vastgestelde Koninklijk besluit van 15 december 1994 (Stb. 1994, 967) verklaart, voor zover hier van belang, een aantal bepalingen van de Wegenverkeerswet 1994 en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 van toepassing op voertuigen die ten behoeve van de strijdkrachten worden gebezigd, doch behelst daarmee geen regeling voor militaire

rij- en rijvaardigheidsbewijzen en biedt evenmin een grondslag voor het vaststellen van ministeriële voorschriften ter zake.

2.4. In antwoord op de door de Raad na de zitting gestelde vragen, heeft gedaagde nader aangegeven dat de Verkeersregeling berust op de uit artikel 44, eerste lid, van de Grondwet af te leiden bevoegdheid van de Minister van Defensie om ten aanzien van zijn eigen ministerie regels te stellen.

2.4.1. Wat betreft artikel 34 van de Verkeersregeling kan de Raad gedaagde in dit nadere standpunt volgen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat aanvankelijk in artikel 114, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wegenverkeersreglement en naderhand in artikel 37 van het Reglement rijbewijzen de mogelijkheid werd geboden om bewijzen van rijvaardigheid verstrekt door het daartoe bevoegde militaire gezag en kennelijk speciaal bedoeld voor degenen die werkzaam zijn bij het Ministerie van Defensie, om te wisselen voor een "gewoon" rijbewijs. Daarvan uitgaande mocht de Minister van Defensie, op de grondslag van de hem ingevolge artikel 44 van de Grondwet toekomende bevoegdheid tot het geven van voorschriften betreffende de interne organisatie van zijn ministerie en de werkwijze van de ambtelijke dienst, nadere voorschriften geven over uitvoeringskwesties zoals de aanwijzing van de tot afgifte bevoegde militaire functionarissen, de te volgen procedure en de aan de afgifte te verbinden beperkingen.

2.4.2. De Raad ziet voorts geen grond voor het oordeel dat de Minister van Defensie niet in redelijkheid tot vaststelling van de onder 2.2. aangehaalde bepalingen van de Verkeersregeling heeft kunnen komen. Daarbij is in aanmerking genomen dat ingevolge het bepaalde bij en krachtens de Wegenverkeerswet 1994 ook een door de burgerlijke autoriteiten afgegeven verklaring van rijvaardigheid - waarmee het militaire bewijs van rijvaardigheid is gelijkgesteld - een tot zes maanden beperkte geldigheidsduur heeft en slechts éénmaal, namelijk bij het met goed gevolg afleggen van het rij-examen, wordt verstrekt. Die beperkingen worden voorts alleszins gerechtvaardigd door het zwaarwegende belang van de verkeersveiligheid, dat ermee is gediend dat de door middel van het rij-examen vastgestelde bekwaamheid tot het besturen van motorvoertuigen slechts gedurende een betrekkelijk korte, onmiddellijk aan het examen aansluitende periode aanleiding kan geven tot het verstrekken van een rijbewijs.

2.5. Ook overigens is de Raad niet kunnen blijken dat de aangehaalde bepalingen buiten toepassing moeten worden gelaten. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 34, vierde lid, van de Verkeersregeling was er voor het opnieuw afgeven van een militair bewijs van rijvaardigheid, anders dan op de grondslag van een opnieuw afgelegd rij-examen, geen plaats. Hetgeen door appellant is aangevoerd omtrent de bijzondere omstandigheden van het geval, waardoor hij niet in de gelegenheid zou zijn geweest het in 1985 verstrekte militaire bewijs van rijvaardigheid in een rijbewijs te doen omzetten, kan daaraan niet afdoen. Gedaagde heeft dan ook terecht het verzoek van appellant afgewezen en die afwijzing bij het bestreden besluit gehandhaafd.

3. Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2002.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M. Pijper.

HD

13.06

Q