Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE7852

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2002
Datum publicatie
14-10-2002
Zaaknummer
99/2009 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 20
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 21
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 61
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/2009 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 31 maart 1999, kenmerk A 75326/BZ 36892/99/247, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, als gemachtigde van eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 april 2002.

Aldaar is eiseres in persoon verschenen met bijstand van mr. Van Berkel voornoemd als haar raadsman, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiseres, geboren in 1958, met toepassing van artikel 3, tweede lid, oud, van de Wet als zogenoemd tweede-generatie-oorlogsslachtoffer gelijkgesteld met de vervolgde. Als zodanig is haar ingaande 1 maart 1994, onder meer, een periodieke uitkering toegekend. Aanvaard is daarbij dat de psychische klachten van eiseres in overwegende mate in verband staan met de door haar ouders - die beiden zijn erkend als vervolgde in de zin van de Wet - als zigeuner ondergane vervolging.

In november 1995 heeft eiseres bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om, onder meer, toekenning van een vergoeding van dan wel een tegemoetkoming in de kosten van aanschaf van een auto.

Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 26 juli 1996, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 augustus 1997. Daartoe werd overwogen dat in haar geval, ongeacht of er bij haar sprake was van een totale beperking om van het openbaar vervoer gebruik te maken, geen sprake is van een vervoersbehoefte zodat een auto geen adequate of proportionele voorziening is.

Tegen laatstgenoemd besluit heeft eiseres geen beroep ingesteld, zodat dit besluit tussen partijen rechtens verbindend is geworden.

In maart 1998 heeft eiseres zich - voorzover hier van belang - wederom gewend tot verweerster met een aanvraag om toekenning van een voorziening in de kosten van aanschaf van een auto. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat haar psychische klachten in ernst zijn toegenomen.

Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 16 juli 1998, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het nu in beroep bestreden besluit. Daartoe is overwogen dat geen aanleiding bestaat om het, op het ontbreken van een vervoersbehoefte berustende, afwijzende besluit op de eerdere aanvraag van november 1995 te herzien.

De Raad overweegt het volgende.

De afwijzing van de eerdere aanvraag van eiseres om een voorziening in de kosten van aanschaf van een auto berust niet op medische gronden doch op de, aan de over eiseres vergaarde gegevens ontleende feitelijke vaststelling dat eiseres zich vrijwel niet buitenshuis begeeft zodat geen vervoersbehoefte is aan te wijzen. Het in gevallen als het onderhavige door verweerster gebruikelijk gehanteerde criterium of de betrokkene vanwege zijn of haar medische klachten in het geheel niet van het openbaar vervoer gebruik kan maken is deswege hier uitdrukkelijk buiten toepassing gelaten.

In aanmerking genomen het hierboven weergegeven motief van eiseres daartoe, heeft verweerster dan ook terecht vastgesteld dat de aanvraag van maart 1998 om een voorziening in de kosten van een auto het karakter draagt van een verzoek om herziening van de door verweerster op de eerdere aanvraag van november 1995 genomen besluiten.

Ingevolge artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar genomen besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is van discretionaire aard.

Dat brengt mee dat de Raad in dit geval heeft na te gaan of van verweerster moet worden gezegd dat zij niet in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen, dan wel bij haar besluit heeft gehandeld in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel enig algemeen rechtsbeginsel.

De Raad moet vaststellen dat eiseres bij de onderhavige aanvraag, en in bezwaar tegen het besluit op die aanvraag, geen gegevens heeft aangevoerd waaruit blijkt dat haar vervoersbehoefte destijds onjuist is beoordeeld of inmiddels significant is gewijzigd. Een zodanige gevolgtrekking kan ook niet worden ontleend aan de omstandigheid dat aan eiseres door verweerster inmiddels wel een voorziening in de kosten van het onderhouden van sociale contacten was verleend, in aanmerking genomen de verklaring namens verweerster ter zitting dat deze voorziening aan leden van de bevolkingsgroep waartoe eiseres behoort min of meer standaard wordt toegekend.

De ter zitting namens eiseres nader naar voren gebrachte omstandigheden, waaruit naar haar mening alsnog valt af te leiden dat wel degelijk van een vervoersbehoefte sprake was en is, acht de Raad tardief voorgedragen gezien het herzieningskarakter van de nu aan de orde zijnde aanvraag.

Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat verweerster niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot haar besluit om niet tot herziening over te gaan.

Ook overigens is, gelet op hetgeen namens eiseres is aangevoerd, niet kunnen blijken dat verweerster een besluit heeft genomen dat de bovenomschreven toetsing van de Raad niet kan doorstaan.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2002.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A. Kovács.

2805

JvS