Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE7677

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-09-2002
Datum publicatie
17-09-2002
Zaaknummer
00/4643 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 63
Algemene bijstandswet 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2002, 202
USZ 2002/299
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/4643 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, appellant,

en

[gedaagde], wonende [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de in het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 juli 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. J.H. Oude Wolcherink, werkzaam bij het Bureau Rechtshulp te Breda, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 30 juli 2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens, werkzaam bij de gemeente Eindhoven, en waar namens gedaagde mr. Oude Wolcherink is verschenen.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 1 juni 1999 heeft appellant het bezwaarschrift van gedaagde tegen de beëindiging van de uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 februari 1999 gegrond verklaard voorzover het de ingangsdatum betreft, de beëindigingsdatum nader vastgesteld op 1 maart 1999 en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Appellant heeft tot de beëindiging van de bijstand besloten op de grond dat gedaagde ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Abw, ingaande 1 maart 1999 geen recht op bijstand jegens hem heeft, aangezien gedaagde niet langer in de gemeente Eindhoven woonplaats heeft. Daaraan ligt ten grondslag dat gedaagde, die vanaf 1992 op kamers in Eindhoven woonde en na afronding van zijn opleiding met ingang van 1 september 1997 een bijstandsuitkering van appellant ontving, sedert medio 1997 feitelijk bij zijn ouders in [woonplaats] verblijft. Het feit dat er voor dat verblijf medische redenen zijn, doet er, aldus appellant, niet aan af dat gedaagde geen woonplaats meer heeft in de gemeente Eindhoven.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 1 juni 1999 gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de vraag of gedaagde woonplaats heeft in Eindhoven ingevolge het bepaalde in artikel 63, eerste lid, van de Abw moet worden beantwoord aan de hand van de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank is, met verwijzing naar artikel 11, eerste lid, Boek 1 BW, van oordeel dat op grond van de voorhanden gegevens niet kan worden gezegd dat gedaagde zijn woonstede heeft verloren door daden waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat het feit dat gedaagde niet of nauwelijks gebruik maakt van de kamer in Eindhoven en de lange duur van gedaagdes verblijf in de gemeente [woonplaats] ten tijde in geding reeds meer dan anderhalf jaar -, terwijl een mogelijke terugkeer naar Eindhoven ongewis is, de conclusie rechtvaardigen dat gedaagde geen woonplaats meer heeft in de gemeente Eindhoven. De enkele verklaring van gedaagde dat hij voornemens is terug te keren naar zijn kamer in Eindhoven, is volgens appellant niet voldoende om daarmee zijn woonplaats in Eindhoven te behouden.

Van de kant van gedaagde is naar voren gebracht dat hij door ziekte vanaf half 1997 in een overmachtssituatie beland is, waardoor hij noodgedwongen bij zijn ouders verblijft en door hen verzorgd wordt. Hij heeft echter zijn kamer in Eindhoven aangehouden en daarvoor een huur van f 150,-- per maand betaald. Hij verbleef daar een paar dagen per maand, althans hij probeerde dit, maar was telkens gedwongen naar zijn ouders terug te keren. Uit niets blijkt dat hij de wil had om zijn kamer in Eindhoven prijs te geven. Daardoor kan niet gezegd worden dat gedaagde ten tijde van de beëindiging van de bijstandsuitkering door appellant zijn woonstede in Eindhoven had verloren. Ter zitting is meegedeeld dat gedaagde uiteindelijk met ingang van 1 juni 2002 de huur heeft opgezegd en nog steeds bij zijn ouders in [woonplaats] woont.

In dit geding dient de Raad ten gronde de vraag te beantwoorden of het besluit van 1 juni 1999 in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 63, eerste lid, van de Abw bestaat recht op bijstand jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het BW. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 63 Abw blijkt dat de wetgever door aansluiting te zoeken bij het woonplaatsbegrip in het BW heeft beoogd het aantal domiciliebepalingen in de Abw te verminderen en dat in verband met artikel 1:10, eerste lid, van het BW als hoofdregel is aangehouden dat als gemeente van bijstand is aangewezen de gemeente waar belanghebbende zijn woonstede heeft, en bij gebreke van een woonstede, de plaats van zijn werkelijk verblijf.

In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Naar het oordeel van de Raad sluit dit niet uit dat een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden geacht kan worden te zijn opgebroken. De Raad vindt hiervoor mede steun in de wetsgeschiedenis van artikel 1:11, eerste lid, van het BW. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 63 van de Abw, dient naar het oordeel van de Raad dan ook beantwoord te worden aan de hand van de feitelijke omstandigheden.

In het onderwerpelijke geval staat vast dat gedaagde ten tijde in dit geding van belang

- 1 maart 1999 - reeds anderhalf jaar vrijwel onafgebroken feitelijk in [woonplaats] verbleef. Vanuit [woonplaats] werd zijn administratie gevoerd en alle post werd naar het adres van zijn ouders in [woonplaats] doorgestuurd.

Onder die omstandigheden kan het naar het oordeel van de Raad niet meer worden gesproken van een tijdelijk verblijf elders dat niet tot wijziging van de woonplaats in de zin van artikel 63 van de Abw leidt. Uit de daden van gedaagde moet worden afgeleid dat hij zijn woonplaats heeft verplaatst van Eindhoven naar [woonplaats]. Daaraan kan niet afdoen dat hij steeds te kennen heeft gegeven naar Eindhoven te willen terugkeren zodra zijn gezondheidstoestand dat mogelijk zou maken, te meer omdat daarop op 1 maart 1999 geen reëel uitzicht bestond.

Uit het vorenstaande volgt dat appellant bij het bestreden besluit van 1 juni 1999 op goede gronden heeft geconcludeerd dat gedaagde met ingang van 1 maart 1999 niet langer woonplaats heeft in de gemeente Eindhoven en dus terecht heeft bepaald dat gedaagde vanaf die datum niet langer recht heeft op bijstand jegens appellant. Ten onrechte is dat besluit door de rechtbank vernietigd, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslist wordt daarom als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. M.A. Hoogeveen en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 september 2002.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

AP298