Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE7646

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2002
Datum publicatie
15-10-2002
Zaaknummer
00/6080 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00/6080 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 26 januari 1999 heeft appellant de uitkering van gedaagde ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, met ingang van 30 september 1998 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Gedaagde heeft bij brief van 3 maart 1999 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 14 juli 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 18 oktober 2000 het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 5 april 2001 aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Desgevraagd heeft appellant de Raad bij brief van 19 maart 2002 nadere stukken doen toekomen en enige vragen beantwoord. Tot die nadere stukken behoort een besluit van 19 november 2001, waarbij appellant de uitkering van gedaagde ingevolge de WAO per 29 oktober 1997 tot 30 september 1998 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 juni 2002, waar namens appellant is verschenen mr. H.E. Nieman, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde zich - met voorafgaand bericht - niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die als zodanig zijn vermeld in de aangevallen uitspraak.

In dit geding moet de vraag worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De rechtbank heeft die vraag in de aangevallen uitspraak ontkennend beantwoord. Weliswaar was de rechtbank blijkens die uitspraak van oordeel dat in de voorhanden medische gegevens voldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de medische beperkingen van gedaagde op de datum in geding op een juiste wijze zijn vastgesteld, doch de rechtbank kon zich niet verenigen met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen:

" Voor het antwoord op de vraag of aanleiding bestaat voor verhoging van de uitkering ingevolge de WAO is niet doorslaggevend of de beperkingen zijn toegenomen. Het gaat erom of eiseres, met inachtneming van haar lichamelijke beperkingen een toegenomen verlies aan verdienvermogen heeft. Het handelt dan met name om de vraag of op basis van de thans vastgestelde beperkingen de in het verleden passend geachte functies nog aanwijsbaar zijn, en zo ja, en welke resterende verdiencapaciteit daaraan kan worden ontleend.

De rechtbank is op grond van de haar ter beschikking staande gegevens gebleken dat niet is nagegaan of de in het verleden passend geachte functies, zoals genoemd in de rapportage algemeen van 19 september 1994 van arbeidsdeskundige Graven, nog kunnen worden vervuld, of die functies of soortgelijke functies nog aanwijsbaar zijn op de arbeidsmarkt en welke resterende verdiencapaciteit daaraan kan worden ontleend. De rechtbank verwijst hiervoor naar - onder meer - een uitspraak van de CRvB van 11 december 1992, AAW/WAO 1988/1341; RSV 1993/159.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het thans bestreden besluit op een niet toereikende feitelijke arbeidskundige grondslag berust en onvoldoende zorgvuldig is voorbereid."

Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak het volgende aangevoerd.

"De Rechtbank is van mening dat bij een herbeoordeling moet worden nagegaan of bij de eerdere arbeidsongeschiktheidsschatting gebruikte arbeidskundige gegevens nog van toepassing zijn. Als onderbouwing voor haar standpunt verwijst de Rechtbank naar een uitspraak van Uw Raad d.d. 11 december 1992, gepubliceerd in RSV 1993/159.

Naar de mening van ondergetekende heeft de Rechtbank deze uitspraak en de overige jurisprudentie over dit onderwerp te ruim uitgelegd.

Uit de door de Rechtbank aangehaalde jurisprudentie komt naar voren dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet alleen bestaat uit een medische component, maar ook altijd uit een arbeidskundige component, zodat in geval er geen (relevante) wijziging in de medische beperkingen is sedert de vorige beoordeling, niet kan worden volstaan met de enkele constatering dat de bij de laatste schatting geduide functies nog geschikt worden geacht. In een dergelijke situatie dient tevens nagegaan te worden of de arbeidskundige gegevens, die aan de eerdere beoordeling ten grondslag lagen, een wijziging in het arbeidsongeschiktheidspercentage tot gevolg hebben. Hiertoe dienen de arbeidskundige gegevens geactualiseerd te worden.

In het onderhavige geval zijn naar aanleiding van een relevante wijziging in de belastbaarheid van gedaagde zowel het belastbaarheidspatroon als de arbeidskundige gegevens van gedaagde geactualiseerd. Er is een nieuwe Fis-functieselectie vastgesteld en de resterende verdiencapaciteit is berekend met deze functieselectie en een geactualiseerd maatmanloon. Deze werkwijze is geheel conform het Schattingsbesluit WAO/Waz/Wajong (Stbl. 1997/801). Ondergetekende ziet niet in waarom nagegaan zou moeten worden of de in het verleden passend geachte functies nog door gedaagde kunnen worden vervuld, of die functies nog wel aanwijsbaar zijn op de arbeidsmarkt en welke resterende verdiencapaciteit gedaagde daaraan kan ontlenen.

Ondergetekende merkt daarbij nog op dat de oude schatting niet voldoet aan het Schattingsbesluit WAO/Waz/Wajong omdat er slechts twee functies zijn geduid met ten minste zeven arbeidsplaatsen. Volgens het nu geldende Schattingsbesluit WAO/Waz/Wajong dient de resterende verdiencapaciteit gebaseerd te worden op tenminste drie geduide functies met tenminste zeven arbeidsplaatsen. Een schatting op basis van de oude geduide functies ligt dan ook niet in de rede."

De Raad kan dit betoog van appellant onderschrijven. Ook de Raad is van oordeel dat in zijn jurisprudentie geen grond kan worden gevonden voor het oordeel van de rechtbank dat appellant onzorgvuldig heeft gehandeld door niet na te gaan of de in het verleden voor gedaagde passend geachte functies nog kunnen worden vervuld, of die functies of soortgelijke functies nog aanwijsbaar zijn op de arbeidsmarkt en welke resterende verdiencapaciteit gedaagde daaraan kan ontlenen. Het vorenstaande houdt in dat niet kan worden gezegd dat het bestreden besluit berust op een ontoereikende arbeidskundige grondslag omdat appellant ter bepaling van de resterende verdiencapaciteit van gedaagde een nieuwe selectie van functies uit het Fis heeft gemaakt. Dit geldt temeer nu in het onderhavige geval sprake is van toegenomen beperkingen en de bij een vorige beoordeling passend geachte functies niet voldoen aan de criteria van het inmiddels van toepassing zijnde Schattingsbesluit WAO/Waz/Wajong.

De Raad stelt vast dat nu het hoger beroep van appellant zich uitsluitend richt tegen het oordeel van de rechtbank inzake de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en gedaagde geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en evenmin in het verweerschrift de medische component heeft aangevochten, de medische grondslag van het bestreden besluit niet meer in geschil is.

Uitgaande van de juistheid van de door appellant voor gedaagde vastgestelde medische beperkingen is de Raad voorts van oordeel dat gedaagde op 30 september 1998 in staat moet worden geacht de haar door de arbeidsdeskundige N.G.M. Graven voorgehouden functies te vervullen. Met de functies monteur, machinebediener en modinette tricotage industrie liggen aan de onderhavige schatting voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen ten grondslag. Vergelijking van de aan die functies verbonden mediane loonwaarde met het maatmaninkomen, leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van circa 27%, zodat appellant gedaagde terecht heeft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%. Hetgeen gedaagde overigens heeft aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Op grond van het vorenstaande beantwoordt de Raad de in geding zijnde vraag, anders dan de rechtbank heeft gedaan, bevestigend, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan worden gelaten en het inleidend beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep van gedaagde tegen het besluit van 14 juli 1999 alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2002.

(get.) J. Janssen.

(get.) P.E. Broekman.