Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE7606

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-09-2002
Datum publicatie
16-09-2002
Zaaknummer
99/5021 WACON
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2002/285
USZ 2002/310
JB 2002/309
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/5021 WAOCON

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv dan wel diens rechtsvoorganger het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel.

Bij besluit van 21 juli 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 december 1996 waarbij gedaagde de WAO-conforme uitkering van appellant, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 4 februari 1997 heeft herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 23 augustus 1999 het beroep van appellant tegen het besluit van 21 juli 1998 ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij beroepschrift van 29 september 1999 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 23 februari 2000, ingediend.

De Raad heeft de psychiater dr. E. Hoencamp als deskundige in deze zaak benoemd; op 29 november 2001 heeft deze deskundige verslag uitgebracht van het door hem gehouden onderzoek.

Bovendien heeft de Raad de revalidatiearts G.C.M. Heijnen als deskundige benoemd, welke deskundige op 27 november 2001 verslag heeft uitgebracht van het door hem gehouden onderzoek.

Bij brief van 8 juli 2002 (met bijlagen) heeft gedaagde op de rapporten van de deskundige gereageerd.

Bij brief van 9 juli 2002 zijn namens appellant nog stukken toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 juli 2002, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. M.J. Gilsing, advocaat te Den Haag, is verschenen en waar gedaagde, zoals tevoren bericht, zich niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Appellant heeft zich op 6 mei 1985 ziek gemeld voor zijn werk als administratief medewerker wegens psychische klachten.

Bij besluit van 22 december 1987 heeft de directie van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) verklaard dat appellant tengevolge van ziekten of gebreken die hem blijvend ongeschikt doen zijn voor het vervullen van zijn betrekking, voor 80% of meer algemeen invalide is.

In verband met de inwerkingtreding van de Wet privatisering ABP op 1 januari 1996 heeft gedaagde appellant met ingang van deze datum een WAO-conforme uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In 1996 is appellant herbeoordeeld op grond van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen.

In dat kader is appellant op 26 augustus 1996 onderzocht door de verzekeringsarts A.P. Stolk die zijn bevindingen en conclusies heeft neergelegd in een rapport alsmede een belastbaarheidspatroon. Met inachtneming hiervan heeft de arbeidsdeskundige A. Pronk een zestal door hem voor appellant geschikt geachte functies geselecteerd, als vermeld in zijn rapport van 26 november 1996. Een vergelijking van het mediane loon van de drie functies waarmee het hoogste inkomen kon worden verworven, met het maatmaninkomen liet zien dat appellant als 68,5% arbeidsongeschikt was te beschouwen.

Gelet hierop heeft gedaagde appellant bij zijn bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 4 december 1996 met ingang van 4 februari 1997 ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80%.

In bezwaar heeft appellant overgelegd een verklaring van 1 april 1997 van de zenuwarts prof. dr. F. Jessurun, inhoudende dat appellant op grond van zijn psychisch lijden volledig arbeidsongeschikt is te achten, alsmede een onderzoeksverslag van 18 februari 1997 van de transcultureel psychiater en psychotherapeut Th.P. Werners, waarin is gesteld dat appellant niet in staat is aan een normaal arbeidsproces deel te nemen.

Op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts J.W. Heijltjes is vervolgens een onderzoek ingesteld door de psychiater S.J. Duinkerke. In zijn zeer uitvoerige rapport van 13 mei 1998 heeft deze deskundige als zijn oordeel te kennen gegeven dat bij appellant geen objectiveerbare beperking op grond van ziekte of gebrek is vast te stellen.

De bezwaarverzekeringsarts heeft hierop geconcludeerd dat niet kan worden staande gehouden dat de belastbaarheid van appellant door de verzekeringsarts Stolk is overschat.

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft aangevoerd dat gedaagde, alvorens het bestreden besluit te nemen, het rapport van de psychiater Duinkerke ten onrechte niet voor commentaar aan appellant heeft toegestuurd.

De Raad overweegt hieromtrent dat, nu appellant niet is gehoord naar aanleiding van zijn bezwaar omdat hij had aangegeven daarop geen prijs te stellen, artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in dit geval als zodanig niet van toepassing is. Dit neemt niet weg dat gedaagde er uit een oogpunt van zorgvuldigheid toe had dienen over te gaan om het rapport van de psychiater Duinkerke aan appellant te doen toekomen en hem daarbij gelegenheid had moeten bieden tot het geven van een reactie voordat op het door appellant gemaakte bezwaar werd beslist. Bedoeld rapport week immers af van door appellant overgelegde medische verklaringen en was van groot belang voor het nemen van de beslissing op bezwaar. In de omstandigheid dat gedaagde niet in bedoelde zin heeft gehandeld ziet de Raad echter onvoldoende grond gelegen voor een vernietiging van het bestreden besluit nu appellant in de procedure bij de rechtbank en in hoger beroep alle gelegenheid heeft gehad op het rapport van Duinkerke in te gaan, zodat door een vernietiging geen redelijk belang van appellant wordt gediend.

De Raad merkt voorts op appellant niet te kunnen volgen in zijn - niet toegelichte - stelling dat de door gedaagde aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegde medische en arbeidskundige informatie onvolledig en ook te oud is.

Ten slotte acht de Raad van belang dat de door hem geraadpleegde deskundige dr. E. Hoencamp, psychiater, tot de conclusie is gekomen dat appellant niet voldoet aan de criteria voor een depressie in engere zin of een dysthyme stoornis. Deze deskundige kon zich verenigen met het door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon en was verder van oordeel dat appellant op 4 februari 1997 in staat was tot het verrichten van de werkzaamheden, verbonden aan de door de arbeidsdeskundige voor appellant geselecteerde functies.

De door de Raad eveneens als deskundige ingeschakelde revalidatiearts G.C.M. Heijnen was van oordeel dat er bij appellant sprake was van enige hand- en met name vingerbeperking en kon zich op dit punt niet vinden in genoemd belastbaarheidspatroon. Niettemin was de deskundige van oordeel dat een groot deel van de appellant voorgehouden functies op de datum in geding wel voor hem geschikt was, als door de deskundige nader aangeduid. Ook uitgaande van deze functies dient de mate van appellants arbeidsongeschiktheid op die datum op 65 tot 80% te worden gesteld.

De Raad wijst erop dat zijn vaste jurisprudentie inhoudt dat het oordeel van de door de rechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige(n) dient te worden gevolgd tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven van deze lijn af te wijken. In het voorliggende geval is van zodanige omstandigheden geenszins gebleken. Hierbij vermeldt de Raad nog dat de hiervoor genoemde deskundigen beschikten over informatie van onder meer de behandelend artsen van appellant.

Het vorenstaande brengt mee dat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van S. van der Zee als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 september 2002.

Deze uitspraak is getekend door mr. J.Th. Wolleswinkel bij verhindering van mr. H. Bolt.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) S. van der Zee.

MH