Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE7563

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2002
Datum publicatie
12-09-2002
Zaaknummer
00/1233 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00/1233 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 1 december 1998 heeft gedaagde appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 26 januari 1999 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Bij besluit van 1 april 1999 (het bestreden besluit) is onder meer het bezwaar van appellant tegen voormeld besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 16 februari 2000 het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. E.J.W.F. Deen, advocaat te 's-Gravenhage, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld. Daarbij is als bijlage een rapport d.d. 26 mei 1999 van psychiater R.W. Jessurun overgelegd.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 oktober 2000 is namens appellant een reactie d.d. 4 september 2000 van psychiater Jessurun op bovenvermeld verweer overgelegd.

Desgevraagd heeft gedaagde bij brieven van 5 november 2001, 15 januari 2002 en 26 maart 2002 vragen van de Raad beantwoord en nadere stukken in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 juni 2002, waar appellant is bijgestaan door mr. Deen, voornoemd, en waar gedaagde -daartoe ambtshalve opgeroepen- zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. S. Ponsioen, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellant was werkzaam als conciërge voor 36 uur per week in dagdienst en als medicijnenbezorger apotheek voor 10 uur per week in avonddienst. Appellant heeft zijn werkzaamheden op 5 augustus 1996 wegens rugklachten, later schouderklachten moeten staken. In aansluiting op de verstrekking van ziekengeld over de daarvoor geldende maximale termijn heeft gedaagde hem met ingang van 4 augustus 1997 uitkeringen krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 1 december 1998 heeft gedaagde de WAO-uitkering herzien naar een mate van

arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, zulks met ingang van 26 januari 1999. Bij bestreden besluit van 1 april 1999 heeft gedaagde voornoemd besluit gehandhaafd en het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de hier in dit geding centraal staande vraag of gedaagde bij het bestreden besluit terecht is uitgegaan van een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% bevestigend beantwoord. De rechtbank heeft zich -kort samengevat- met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit verenigd en dit besluit in stand gelaten.

Met deze uitspraak van de rechtbank heeft appellant zich niet kunnen verenigen. Hij is van oordeel dat geen rekening is gehouden met de rapportage d.d. 26 mei 1999 van psychiater dr. R.W. Jessurun, die stelt dat appellant lijdende is aan een recidiverende depressieve stoornis. Appellant is van mening dat bedoelde stoornis ook aanwezig was op het moment van het bestreden besluit.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit wat het medische aspect betreft, kan worden gedragen door de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts F. L. van Duijn, als neergelegd in zijn rapport van 27 oktober 1998. Deze verzekeringsarts heeft zich hierbij gebaseerd op eigen onderzoek, informatie van de behandelend orthopedisch chirurg dr. F.P. Bernoski en op de zich in het dossier bevindende informatie in verband met een eerdere verzekeringsgeneeskundige beoordeling. De verzekeringsarts heeft vervolgens ten aanzien van appellant een belastbaarheidspatroon opgesteld. Met inachtneming hiervan heeft de arbeidsdeskundige E. Krijgsman vijf functies voor appellant geselecteerd, als neergelegd in zijn rapport van 25 november 1998, die hem tot de slotsom leidden dat appellant voor 45 tot 55% arbeidsongeschikt was te beschouwen.

De bezwaarverzekeringsarts heeft zich, op basis van dossierstudie en de in bezwaar overgelegde medische informatie, gesteld achter de door de verzekeringsarts Van Duijn voor appellant vastgestelde fysieke en psychische beperkingen. Wat zijn psychische belastbaarheid betreft is appellant beperkt geacht op de aspecten 28A, 28B en 28E. De Raad merkt in dit verband op dat appellant nimmer psychische klachten heeft aangevoerd. Desondanks heeft de verzekeringsarts Van Duijn psychische beperkingen vastgesteld bij het opstellen van het belastbaarheidspatroon. Dat er bij appellant sprake zou zijn van psychische klachten en behandeling is echter pas in hoger beroep naar voren gekomen. Appellant heeft immers niet eerder dan in hoger beroep -wat de Raad overigens bevreemdt- het rapport d.d. 26 mei 1999 van psychiater R.W. Jessurun overgelegd. De Raad verwerpt dan ook appellants grief dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met voornoemd rapport nu dit door appellant niet eerder in de procedure is ingebracht. De Raad heeft echter in het rapport van psychiater Jessurun -en in diens rapport van 4 september 2000- geen aanleiding gevonden om de juistheid van de conclusies waartoe de verzekeringsartsen zijn gekomen, in twijfel te trekken. De Raad kan aan deze informatie dan ook niet die betekenis hechten, die appellant daarin wenst te zien. Ook in de overige namens appellant ingebrachte medische gegevens heeft de Raad geen onderbouwing gevonden voor de stelling dat appellant op de datum in geding volledig arbeidsongeschikt was. De Raad verenigt zich dan ook met het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad het volgende.

Naar aanleiding van de door de Raad gestelde vragen, welke bij brieven van 5 november 2001, 15 januari 2002 en 26 maart 2002 door gedaagde zijn beantwoord, heeft gedaagde een aantal functies om verschillende redenen niet langer aan de schatting ten grondslag gelegd. Gelet op de arbeidsmogelijkhedenlijst van 26 januari 1999, welke gelet op het verhandelde ter zitting volgens gedaagde van toepassing is, stelt de Raad vast dat de functies van samensteller printplaten (fb-code 8538), suppoost museum (fb-code 5895) en bloemist/opkweekbedrijf planten (fb-code 6211) nog aan de onderhavige schatting ten grondslag liggen. Vervolgens constateert de Raad dat de functie van suppoost museum in wisseldienst wordt verricht. Uit de door gedaagde bij brief van 15 januari 2002 overgelegde functiebeschrijving van suppoost museum blijkt dat er in de functie een (onregelmatigheids)toeslag voor het werken op afwijkende arbeidstijden is begrepen. Deze functie kan slechts dan aan appellant worden voorgehouden, indien bij de vaststelling van het maatmaninkomen eveneens een dergelijke toeslag is meegenomen. De bezwaarverzekeringsarts J.J. Noordermeer heeft in zijn rapport d.d. 14 januari 2002 aangevoerd dat appellants functie van medicijnenbezorger avondwerk betrof, waarbij in het uurloon rekening was gehouden met een toeslag. Dit standpunt is echter niet met concrete gegevens -van bijvoorbeeld de werkgever- onderbouwd. Nu nadere gegevens onderbreken dient ook de functie van suppoost museum te vervallen.

De Raad constateert dat het bestreden besluit slecht berust op twee geschikt te achtte functies hetgeen gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van het Schattingsbesluit, waarin is neergelegd dat de resterende verdiencapaciteit dient te worden bepaald aan de hand van ten minste drie verschillende in Nederland uitgeoefende functies, onvoldoende is.

Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat het bestreden besluit is genomen in strijd met evengenoemd artikel en met de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant.

De kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger. Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten is de Raad niet gebleken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betaalde griffierechten door gedaagde dient te worden vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Vernietigt het bestreden besluit van 1 april 1999;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag groot € 322,- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2002.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.