Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE7273

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2002
Datum publicatie
14-10-2002
Zaaknummer
00/448 WUV + 00/5286 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/448 WUV + 00/5286 WUV

U I T S P R A A K

In de gedingen tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen-en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Verweerster heeft onder respectievelijk dagtekening 20 december 1999, kenmerk JZ/m60/1999/1126 ( besluit I), en dagtekening 24 augustus 2000, kenmerk JZ/J60/2000/665 (besluit II), ten aanzien van eiseres een tweetal besluiten genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen beide besluiten heeft mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat te Den Haag, als gemachtigde van eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In aanvullende beroepschriften - met betrekking tot het besluit II onder toezending van twee verklaringen - is uiteengezet waarom eiseres zich met de bestreden besluiten niet kan verenigen.

Verweerster heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 11 april 2002. Aldaar is voor eiseres verschenen mr. E.R. Schenkhuizen voornoemd, als haar gemachtigde, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken heeft eiseres, die geboren is in oktober 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, in november 1996 bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als vervolgde en toekenning van een periodieke uitkering alsmede bijzondere voorzieningen ingevolge de Wet. In dit verband heeft eiseres gesteld dat zij tijdens de Japanse bezetting is geïnterneerd geweest in de Tamahputischool te Semarang, dat zij daar verplicht moest werken en daarbij meermalen door een Japanner op het hoofd is geslagen als gevolg waarvan zij gezondheidsklachten heeft.

Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 7 oktober 1997, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 januari 1998, op de grond dat uit de beschikbare gegevens niet is komen vast te staan dat eiseres vervolging heeft ondergaan in de zin van artikel 2 van de Wet. Daarbij heeft verweerster in het bijzonder overwogen, dat het verblijf van eiseres in de Tamahputischool te Semarang niet gezien kan worden als een verblijf in een interneringskamp als bedoeld in artikel 2 voornoemd.

Dit besluit is, omdat het hiertegen ingestelde beroep is ingetrokken, in rechte onaantastbaar geworden.

In mei 1999 heeft mr. E.R. Schenkhuizen namens eiseres om herziening gevraagd van het besluit van 7 oktober 1997. Hij heeft daarbij enkele getuigenverklaringen overgelegd en aangevoerd dat het verblijf van eiseres in Tanah Putih mede als verplichte tewerkstelling is te beschouwen. In het aanvullend verzoekschrift van juni 1999 heeft hij tevens verzocht eiseres met toepassing van de anti-hardheidsbepaling (artikel 3, tweede lid, van de Wet) met de vervolgde gelijk te stellen.

Verweerster heeft het verzoek om herziening bij besluit van 28 juli 1999, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit I, afgewezen, omdat zij ook gezien de overgelegde getuigenverklaringen van mening blijft dat eiseres geen vervolging heeft ondergaan in de zin van artikel 2 van de Wet.

Het verzoek om gelijkstelling met de vervolgde heeft verweerster bij besluit van 20 december 1999, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit II, eveneens afgewezen. Verweerster heeft daarbij overwogen dat zij in de omstandigheden waaronder eiseres de oorlogsjaren heeft meegemaakt geen reden ziet in haar geval artikel 3, tweede lid, van de Wet toe te passen, omdat de situatie van eiseres niet zodanig was dat deze met vervolging op een lijn is te stellen. Verweerster acht het niet toepassen van de Wet in het geval van eiseres geen klaarblijkelijke hardheid.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of de bestreden besluiten in rechte kunnen standhouden. De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

Met betrekking tot besluit I

Ingevolge artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd, op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag, een door haar gegeven besluit in het voordeel van de betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, zodat ter beantwoording voorligt de vraag of verweerster niet in redelijkheid tot haar besluit I heeft kunnen komen, dan wel anderszins bij het nemen van dat besluit heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.

De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend.

Verweerster blijft van mening dat uit de beschikbare historische gegevens niet is gebleken dat tijdens de Japanse bezetting in Semarang een interneringskamp heeft bestaan als bedoeld in artikel 2 van de Wet genaamd Tamahputischool (of Tanah Putischool) en dat om die reden niet kan worden aanvaard dat eiseres als gevolg van handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië wegens haar Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan dan wel verplicht tewerkgesteld is geweest.

Bij haar verzoek om herziening heeft eiseres twee getuigenverklaringen overgelegd waarin wordt bevestigd dat er een Tamahputischool (of Tanah Putischool) was te Semarang, waarin weeskinderen zijn ondergebracht die daar onder meer in de tuin hebben moeten werken en sokken hebben moeten breien voor de Japanners.

Bekend is dat in weeshuizen, die tijdens de bezetting bleven functioneren en door de gemeenten gesubsidieerd werden, de kinderen werkzaamheden voor de bezetter moesten verrichten. Deze weeshuizen stonden weliswaar onder Japans toezicht, maar zij kunnen niet worden aangemerkt als interneringskampen waarin personen wegens hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling vrijheidsberoving in de zin van de Wet hebben ondergaan.

De Raad is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verweerster terecht in de overgelegde verklaringen geen grond heeft gezien om tot herziening van haar eerder op 7 oktober 1997 genomen besluit over te gaan.

Met betrekking tot besluit II

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet kan verweerster met de vervolgde gelijkstellen de persoon ten aanzien van wie het niet toepassen van deze Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Ook deze bevoegdheid van verweerster is van discretionaire aard en het gebruik dat verweerster daarvan maakt kan, zoals hierboven reeds is aangegeven, door de rechter slechts terughoudend worden getoetst.

Ter ondersteuning van het verzoek om eiseres gelijk te stellen met de vervolgde is aangevoerd dat eiseres samen met andere kinderen is overgebracht naar de meergenoemde school waar zij van haar vrijheid is beroofd en gedwongen arbeid voor de Japanners heeft moeten verrichten. Voorts is aangevoerd dat eiseres in korte tijd haar beide ouders heeft verloren en dat haar vader door de Japanners is beschoten en daardoor zo in de versukkeling is geraakt dat hij uiteindelijk is overleden.

Verweerster is van oordeel dat eiseres niet heeft verkeerd in met de vervolging vergelijkbare omstandigheden. Verweerster acht de oorlogservaringen van eiseres niet zodanig uitzonderlijk dat het niet toepassen van de Wet in het geval van eiseres een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Verweerster is voorts van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de vader van eiseres vervolging in de zin van artikel 2 van de Wet heeft ondergaan. De oorzaak van diens overlijden kan volgens verweerster niet rechtstreeks aan de Japanse bezetter worden toegeschreven.

De Raad kan het standpunt van verweerster onderschrijven. De omstandigheden waaronder eiseres blijkens de stukken de oorlog heeft doorgebracht moeten veleer worden aangemerkt als algemene oorlogsomstandigheden waaronder tallozen tijdens de Japanse bezetting in meer of mindere mate hebben geleden en kunnen niet op een lijn worden gesteld met vervolging zoals in artikel 2 van de Wet bedoeld.

De verklaringen omtrent de oorzaak van het overlijden van de vader van eiseres lopen uiteen, maar zijn consistent in de vaststelling dat hij bij de gestelde beschieting niet is geraakt. Nu ook overigens niet gebleken is van enige vanwege de bezetter tegen hem gerichte handeling of maatregel op grond van Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, moet ervan worden uitgegaan dat de vader van eiseres geen vervolging heeft ondergaan.

Verweersters standpunt dat het feit dat eiseres haar vader heeft verloren niet kan leiden tot toepassing van de anti-hardheidsbepaling, nu de gebeurtenissen met de vader van eiseres niet in verband te brengen zijn met vervolging in de zin van de Wet, kan de bovenomschreven rechterlijke toetsing doorstaan.

Al hetgeen hierboven is overwogen leidt de Raad tot de slotsom dat beide bestreden besluiten kunnen standhouden.

De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2002.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A. Kovács.

JvS

2405