Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE7159

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2002
Datum publicatie
10-10-2002
Zaaknummer
99/6249 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 42
Algemene bijstandswet 51
Algemene bijstandswet 51
Algemene bijstandswet 52
Algemene bijstandswet 78
Algemene bijstandswet 81
Algemene bijstandswet 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2002, 243
JABW 2003, 11
USZ 2002/296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/6249 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

[gedaagde], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant heeft mr. J. Biemond, advocaat te 's-Gravenhage, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 8 november 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nog nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 juli 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Biemond, en waar gedaagde zich - zoals aangekondigd - niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Appellant ontving sedert 2 mei 1994 een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet naar de norm voor een alleenstaande. Deze uitkering is bij besluit van 17 juli 1996 met ingang van 1 augustus 1996 omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar dezelfde norm. Zijn vermogen, onder meer bestaande uit een pakket aandelen, is daarbij per 1 augustus 1996 vastgesteld op f 7.860,11. In dit besluit heeft appellant berust.

In het kader van een heronderzoek op 15 december 1997 is gebleken dat appellant op 14 februari 1997 150 aandelen Baan Company heeft gekocht voor f 97,50 per stuk en hiervan op 17 juli 1997 35 aandelen heeft verkocht voor f 167,-- per stuk. Na aftrek van de kosten heeft hij op 22 juli een bedrag van f 5.783,01 ontvangen. Deze laatste transactie heeft appellant vermeld op zijn rechtmatigheidsformulier over de maand juli 1997. Naar aanleiding hiervan is zijn vermogenspositie opnieuw beoordeeld.

Bij besluit van 16 december 1997 heeft gedaagde een bedrag van f 2.796,58 met toepassing van artikel 81, tweede lid, van de Abw van appellant teruggevorderd, op de grond dat hij, gelet op de hoogte van zijn vermogen, op 22 juli 1997 over de periode van 22 juli 1997 tot en met 21 september 1997 geen recht op bijstand heeft.

Bij besluit van 9 september 1998 heeft gedaagde het door appellant tegen het besluit van 16 december 1997 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Daarbij heeft gedaagde het vermogen van appellant op 22 juli 1997 als volgt vastgesteld:

"renterekening Spaarbeleg f 112,50

aandelen Baan Company f 25.050,00

--------------- +

f 25.162,50

negatief saldo ING-bankrekening f 996,83

doorlopend krediet Aetran IDM f 9.404,62

-------------- -

f 14.761,05.".

De rechtbank heeft het namens appellant tegen het besluit van 9 september 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep is de aangevallen uitspraak namens appellant gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt allereerst, met verwijzing naar zijn uitspraak van 20 augustus 2002 (reg.nr. 99/6318 NABW), het volgende.

Artikel 81 van de Abw luidt:

"1. Bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14 of 69, derde of vierde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, wordt van de belanghebbende teruggevorderd.

2. Hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald wordt teruggevorderd voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.

3. Terugvordering als bedoeld in het tweede lid vindt niet plaats, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering.".

Blijkens de memorie van toelichting is artikel 81, eerste lid, van de Abw geschreven voor de gevallen waarin een wijziging van de omstandigheden of (nieuw) gebleken feiten en omstandigheden nopen tot herziening of intrekking van een besluit inzake de verlening van bijstand. In een dergelijk geval dient het betrokken bestuursorgaan - behoudens toepassing van artikel 69, vijfde lid, van de Abw - eerst een besluit als bedoeld in de artikelen 14 of 69, derde of vierde lid, van de Abw te nemen. Indien een besluit als bedoeld in de artikelen 14 of 69, derde of vierde lid, van de Abw is genomen, is het bestuursorgaan vervolgens op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw gehouden over te gaan tot terugvordering van de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand, tenzij toepassing dient te worden gegeven aan artikel 78, derde lid, van de Abw. Artikel 81, tweede lid, van de Abw is daarentegen - uitsluitend - geschreven voor de gevallen waarin geen sprake is van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand, maar waarin - bijvoorbeeld als gevolg van een administratieve vergissing van het bestuursorgaan - meer aan bijstand is betaald dan waarop de belanghebbende volgens het toekenningsbesluit recht heeft. In een dergelijk geval is deze bepaling de juridische grondslag voor terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag. Daarbij geldt als voorwaarde dat de belanghebbende redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat onnodig of te veel is uitgekeerd en - op grond van artikel 81, derde lid, van de Abw - als beperking een termijn van twee jaar na het maken van de desbetreffende kosten waarbinnen deze terugvorderingsgrond kan worden gehanteerd. Mede gelet op artikel 78, eerste lid, van de Abw is het bestuursorgaan niet vrij om artikel 81, tweede lid, van de Abw ook toe te passen in de gevallen waarop artikel 81, eerste lid, van de Abw ziet.

In het onderhavige geval berust de terugvordering op het standpunt van gedaagde dat appellant over de periode van 22 juli 1997 tot en met 21 september 1997 gezien zijn vermogen geen recht had op bijstand. Gedaagde had dan ook, met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw, het recht op bijstand moeten intrekken en vervolgens, met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, de ten onrechte betaalde bijstand van appellant moeten terugvorderen.

Gedaagde heeft derhalve ten onrechte artikel 81, tweede lid, van de Abw aan de terugvordering ten grondslag gelegd.

Daaruit vloeit voort dat het bestreden besluit in strijd is met de wet. De Raad zal om die reden, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. Met het oog daarop overweegt de Raad met betrekking tot de vraag of appellant op de in dit geding van belang zijnde datum - 22 juli 1997 - beschikte over middelen welke aan bijstandsverlening in de weg stonden, het volgende.

De Raad is in de eerste plaats van oordeel dat de aandelen die appellant op 22 juli 1997 in zijn bezit had, zijn aan te merken als vermogensbestanddelen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken en die derhalve ingevolge artikel 42 van de Abw worden gerekend tot diens middelen. Het gaat hier immers om beursgenoteerde aandelen, die appellant te allen tijde te gelde kan maken.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw wordt onder vermogen - naast het in artikel 51, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw bedoelde aanvangsvermogen - tevens verstaan de op grond van paragraaf 1 van afdeling 3 van hoofdstuk IV van de Abw in aanmerking genomen middelen die worden ontvangen tijdens de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, voorzover deze geen inkomen zijn als bedoeld in artikel 47 van de Abw.

Van tijdens de bijstandsperiode ontvangen middelen als bedoeld in artikel 51, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw is naar het oordeel van de Raad niet alleen sprake indien nieuwe vermogensbestanddelen worden verworven, maar ook indien tijdens de bijstand ontvangen vermogensbestanddelen - in dit geval aandelen - in waarde stijgen. Ook in dit laatste geval is immers sprake van een toename van de middelen waarover de betrokkene kan beschikken. Dit brengt mee dat de actuele waarde van de in het bezit van de betrokkene zijnde aandelen, verminderd met de aan verkoop daarvan verbonden kosten, als vermogen in de zin van artikel 51 van de Abw moet worden aangemerkt.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 2 mei 2000, onder meer gepubliceerd in RSV 2000/158, overweegt de Raad voorts dat artikel 51, eerste lid, van de Abw er niet aan in de weg staat om in geval van een herbeoordeling van het recht op uitkering tijdens de periode van bijstandsverlening naast de ontvangen positieve vermogensbestanddelen ook de negatieve ontwikkelingen in het vermogen in aanmerking te nemen.

Het voorgaande brengt mee dat bij de beoordeling van het recht op bijstand van appellant per 22 juli 1997 aan de hand van zijn vermogenspositie op dat moment, moet worden bezien of zijn middelen aan bijstandsverlening in de weg stonden.

Bij die beoordeling zal niet alleen acht moeten worden geslagen op de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54 van de Abw, maar ook op hetgeen is bepaald in artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Abw. Als een in rechte vaststaand uitgangspunt voor de toepassing van onderdeel b van dat artikellid heeft ten aanzien van appellant te gelden dat zijn bij aanvang van de bijstandsverlening ingevolge de Abw aanwezige vermogen f 7.860,11 bedroeg. Voorts dient op grond van onderdeel c van dat artikellid de waardevermindering van zijn tegoed op de renterekening buiten beschouwing te blijven. De Raad ziet echter, anders dan namens appellant is betoogd, geen grond om het bedrag van de waardevermeerdering van zijn aandelen te beschouwen als spaargeld dat is opgebouwd tijdens de periode waarover bijstand wordt ontvangen, als gevolg waarvan dat bedrag met toepassing van artikel 52, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw niet in aanmerking zou dienen te worden genomen. Blijkens de wetsgeschie-denis van deze bepaling is daarmee beoogd het uit de algemene bijstand opgebouwde spaartegoed buiten aanmerking te laten, omdat het onbillijk werd geacht om bijstandsont-vangers niet de mogelijkheid te geven om vanuit hun inkomen besparingen te verrichten voor een grotere aanschaf, ook als daarmee de grens van het bescheiden vermogen tijdelijk zou worden overschreden. Van een spaartegoed als hier bedoeld is in het geval van appellant geen sprake, voorzover het gaat om de waarde van de aandelen.

De Raad wijst er voorts nog op dat gedaagde, ter voorkoming van schending van het verbod van reformatio in peius, bij het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar de intrekking van het recht op bijstand dient te beperken tot de periode van 22 juli 1997 tot en met 21 september 1997 en tevens het van appellant terug te vorderen bedrag daarbij niet op een hoger bedrag mag stellen dan in het primaire besluit van 16 december 1997.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 9 september 1998;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1288,--, te betalen door de gemeente Voorburg;

Bepaalt dat de gemeente Voorburg aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 104,37 (f 230,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.

AP1208