Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE7158

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2002
Datum publicatie
04-09-2002
Zaaknummer
00/6601 + 01/3466 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:46, geldigheid: 2002-07-30
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, geldigheid: 2002-07-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2002/274

Uitspraak

00/6601 + 01/3466 WAO

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 30 november 1999 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat appellant na afloop van de wachttijd op 13 juni 1999 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

Bij besluit van 6 april 2000, hierna: besluit 1, heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 november 1999 ongegrond verklaard.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 15 november 2000 het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en beslissingen gegeven omtrent de proceskosten en het griffierecht.

Namens appellant is mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, bij beroepschrift van 20 december 2000 van die uitspraak in hoger beroep gekomen, waarna bij schrijven van 15 maart 2001 de gronden zijn aangegeven waarop het beroep rust.

Gedaagde heeft een verweerschrift -vergezeld van één bijlage- ingediend.

Bij schrijven van 14 juni 2001 -annex bijlage- heeft gedaagde aan de Raad een nieuwe beslissing op bezwaar, gedateerd 14 juni 2001, hierna: besluit 2, doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 juni 2002, waar appellant -met bericht van verhindering- niet is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellant, die werkzaam was via een uitzendbureau, is op 15 juni 1998 uitgevallen met rugklachten. Appellant is daarop gezien door de verzekeringsarts V.K. Ramautar. Uit een rapportage van 4 juni 1999 blijkt, naast de rugklachten, van spanningsklachten en arm-klachten. Er wordt door de verzekeringsarts een belastbaarheidspatroon opgesteld.

Bij besluit van 7 juli 1999 is aan appellant vanaf 14 juni een voorschot op zijn WAO-uitkering toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Appellant is vervolgens gezien door de arbeidsdeskundige G. Philip. Deze concludeert, blijkens een rapportage van 23 november 1999, op basis van het vastgestelde belastbaar-heidspatroon, de, blijkens de arbeidsmogelijkhedenlijst van 11 november 1999, geselecteerde functies en het maatmaninkomen van appellant, tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 8.8.

Daarop heeft gedaagde het in rubriek I genoemde besluit van 30 november 1999 genomen.

In bezwaar is door appellant tegen dit besluit onder meer aangevoerd dat ten onrechte geen medische keuring heeft plaatsgevonden. Ik wil dus door een arts herkeurd worden, aldus appellant.

Bij de hoorzitting gehouden op 1 maart 2000 is geen bezwaarverzekeringsarts aanwezig geweest. Door appellant worden grieven van medische en arbeidskundige aard aangevoerd. Appellant geeft aan dat de geduide functies niet door hem kunnen worden uitgevoerd. Hij voegt toe beslist niet geschikt te zijn voor werkzaamheden aan de lopende band. De hoorder in bezwaar deelt daarop mee dat belanghebbende gemotiveerd dient aan te geven waarom deze functies niet door appellant uitgevoerd kunnen worden. Appellant krijgt hiervoor de tijd tot 1 april 2000.

Daarop heeft gedaagde het bestreden besluit genomen.

In beroep is namens appellant onder meer aangevoerd dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Het onderzoek was daarvoor te weinig omvattend.

Door gedaagde is een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep gedateerd 29 juni 2000 in het geding gebracht waaruit naar voren komt dat naar de mening van Van der Stoep de primaire verzekeringsarts wel in redelijkheid tot het belastbaarheidsoordeel is gekomen. Er zijn geen nieuwe gegevens die aanleiding vormen af te wijken van het primaire oordeel, aldus Van der Stoep.

Bij brief van 15 september 2000 heeft gedaagde een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt aan de rechtbank doen toekomen, waaruit blijkt dat de functie 'inpakster koekjes' ten onrechte aan de schatting ten grondslag is gelegd. Op basis van de, daardoor noodzakelijke, nieuwe mediane loonwaarde, concludeert Van Mastrigt tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 14.3 en derhalve handhaving van indeling van appellant in de arbeidsongeschiktheidsklasse minder dan 15%.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en tevens uitgesproken in te kunnen stemmen met de door gedaagde vastgestelde belastbaarheid van appellant. Op grond van de selectie door gedaagde van de, blijkens de gedingstukken door de verzekeringsarts Ramautar op medische gronden niet akkoord bevonden, functie 'inpakster koekjes', dient, aldus de rechtbank, besluit 1 te worden vernietigd wegens een motiveringsgebrek. Ten gronde oordeelt de rechtbank dat uit de in beroep in het geding gebrachte rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige Van Mastrigt blijkt dat, op basis van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 11 november 1999, onder meer ook de functie 'printplaatmonteur' geselecteerd kan worden, met als resultaat een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 15. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de geschiktheid van de thans geduide functies. Op die basis bepaalt de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

In hoger beroep zijn namens appellant in wezen de reeds in de procedure in eerste aanleg en bezwaar aangevoerde grieven herhaald.

Bij schrijven van 14 juni 2001 heeft gedaagde aan de Raad laten weten dat aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van appellant ten onrechte functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden zijn ten grondslag gelegd. Indien deze functies buiten aanmerking worden gelaten resteren voldoende functies als basis voor de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, aldus gedaagde. Wel wijzigt het mediaanloon, wat ten gevolge heeft dat appellant per 14 juni 1999 voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt moet worden geacht. Bijgevoegd is een nieuwe beslissing op bezwaar gedateerd 14 juni 2001, waarin het hiervoor beschreven nieuwe standpunt van gedaagde is neergelegd.

Het gaat in dit geding om de vraag of de bestreden besluiten van gedaagde in rechte stand kunnen houden.

De Raad beantwoordt die vraag in ontkennende zin.

De Raad stelt allereerst vast dat gedaagde in de procedure in bezwaar de in primo gegeven oordelen van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige niet ter heroverweging heeft voorgelegd aan een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige. Naar het oordeel van de Raad verdraagt een dergelijke handelwijze zich in beginsel niet met de in de procedure in bezwaar in acht te nemen zorgvuldigheid. Daarenboven wijst de Raad op het bepaalde in gedaagdes Reglement inzake de behandeling van bezwaarschriften, waarin is neergelegd dat beoordeling van de medische en/of arbeidskundige aspecten van het bezwaar tegen een besluit, plaatsvindt door een bezwaarverzekeringsarts of bezwaararbeidsdeskundige. De Raad concludeert dat de bestreden besluiten zijn voorbereid zonder inachtneming van de daarbij vereiste zorgvuldigheid.

Nu naar het oordeel van de Raad appellant door de wijze van behandeling van zijn bezwaar door gedaagde is benadeeld, ziet de Raad aanleiding reeds op deze grond de bestreden besluiten te vernietigen, alsmede de uitspraak van de rechtbank inzake besluit 1, waarbij dat besluit weliswaar is vernietigd, maar tevens is bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van de bestreden besluiten merkt de Raad op dat de op de arbeidsmogelijkhedenlijst van 11 november 1999 voorkomende functies 'assemblagemedewerker'(3x), 'produktiemedewerker asemblage' (3x) en 'machinevoerder' een actualiseringsdatum kennen die is gelegen na de datum in geding, zodat deze functies in deze vorm niet aan het bestreden besluit ten grondslag hadden mogen worden gelegd.

Uit het voorafgaande vloeit voort dat de beroepen terecht zijn ingesteld.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.

Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht door het Uwv dient te worden vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarin is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 14 juni 2001 gegrond en vernietigt dit besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van € 77,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde Kalter en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2002.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.