Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE7113

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2002
Datum publicatie
02-09-2002
Zaaknummer
98/699 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Militaire Ambtenarenwet 1931
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/699 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 december 1997, nr. AWB 97/8586 MAWKLU, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Namens appellant zijn nadere stukken ingezonden, waaronder een memorie van repliek.

Het geding is behandeld ter zitting van 6 juni 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E.Th. Hummels, advocaat te Zeist. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.B.J. Driessen, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1.1. Appellant, geboren in 1948, vervulde tot 1 juli 1985, als kapitein van de Koninklijke Luchtmacht (Klu), de functie van [naam functie] toegevoegd aan het hoofd van het bureau [naam bureau] bij het Ministerie van Defensie.

1.2. Appellant heeft vanaf 1980 in zijn werkomgeving en de publieke media stelling genomen tegen het gebruik van kernwapens en daarbij het standpunt ingenomen dat legerofficieren op grond van het humanitair oorlogsrecht en hun individuele verantwoordelijkheid gehouden waren aan opdrachten inzake de opslag en het gebruik van kernwapens geen gevolg te geven.

1.3. Appellant is omtrent zijn optreden dienaangaande van de kant van zijn leidinggevenden destijds bekritiseerd, hetgeen ook zijn weerslag heeft gehad in verschillende rechtspositionele besluiten die vanaf de jaren 1980 jegens hem zijn genomen. Hij heeft die besluiten en ook andere handelingen destijds ter toetsing aan het Ambtenarengerecht 's-Gravenhage en de Raad voorgelegd, wat ertoe heeft geleid dat enkele van de besluiten gedeeltelijk zijn vernietigd en bijgesteld. Aan appellant is op zijn verzoek per 1 juli 1985 ontslag verleend en hij heeft met ingang van die datum een functie buiten het Ministerie van Defensie aanvaard.

1.4. Op 8 juli 1996 heeft het Internationaal Gerechtshof een advies gegeven over de vraag of het gelet op de geldende inzichten rechtens geoorloofd is kernwapens in te zetten. Naar aanleiding van dit advies heeft appellant de Minister van Defensie (hierna: de Minister) bij brief van 20 december 1996 verzocht om:

a. toezending van alle documenten waarin de Minister destijds inhoudelijk op zijn beroep op het humanitair oorlogsrecht had gereageerd;

b. intrekking van alle met zijn onder 1.2. bedoelde standpunt verband houdende voor hem ongunstige ambtsberichten;

c. bevordering alsnog tot majoor met ingang van de vroegst mogelijke datum;

d. toekenning van een schadevergoeding van 2 miljoen gulden;

e. rehabilitatie.

1.5. Bij besluit van 3 april 1997 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat er naast de documenten die appellant destijds in het kader van de onder 1.3. bedoelde rechterlijke procedures reeds waren toegezonden geen andere documenten waren die aan appellants omschrijving voldeden. Gedaagde achtte de overige verzoeken gericht op het terugkomen van in rechte onaantastbaar geworden besluiten en zag in het advies van het Internationaal Gerechtshof geen veranderde omstandigheid die dat terugkomen zou rechtvaardigen.

1.6. Naar aanleiding van appellants bezwaar tegen dit besluit heeft gedaagde bij het bestreden besluit van 19 juni 1997 gesteld dat het evident was dat appellant geen belang had bij toezending van documenten die reeds alle in zijn bezit zouden moeten zijn. Met betrekking tot de voor appellant ongunstige ambtsberichten overwoog gedaagde dat deze tot in hoogste instantie waren getoetst, correct aan de uitspraken van de Raad waren aangepast en aldus in rechte onaantastbaar waren geworden, alsmede dat het advies van het Internationaal Gerechtshof geen aanleiding vormde van die ambtsberichten terug te komen. Gedaagde zag daarom geen grond in te gaan op appellants verzoeken om bevordering, schadevergoeding en rehabilitatie en verklaarde het bezwaar met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennelijk ongegrond.

1.7. Bij de aangevallen uitspraak is appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Nadat appellant tegen die uitspraak het onderhavige hoger beroep had ingesteld en namens gedaagde een verweerschrift was ingediend, heeft appellant de Minister verzocht diens zienswijze te geven over de standpunten die in het verweerschrift zijn ingenomen. Appellants beroep tegen de afwijzing van dit verzoek is door de rechtbank 's-Gravenhage bij uitspraak van 21 februari 2000 niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft daartegen hoger beroep ingesteld en de Raad verzocht eerst in dat hoger beroep uitspraak te doen, teneinde daarmee rekening te kunnen houden in de onderhavige zaak. De Raad heeft bij zijn uitspraak van heden (nrs. 00/1769 MAW en 00/1770 MAW) de uitspraak van de rechtbank van 21 februari 2000 bevestigd.

3.1. Op 18 juni 1998 heeft appellant bij de rechtbank 's-Gravenhage gevorderd voor recht te verklaren dat de Staat door het tot stand komen van 's Raads uitspraken van 11 mei 1983, nr. MAW 1981/K 9, en 5 juni 1986, nr. MAW 1984/K 25, jegens appellant onrechtmatig heeft gehandeld. Bij vonnis van 25 augustus 1999, rolnr. 98.2346, heeft de rechtbank die vordering afgewezen.

3.2. Op 2 mei 2000 heeft appellant bij de rechtbank 's-Gravenhage een verklaring voor recht gevorderd dat die rechtbank bij de voorbereiding van de thans aangevallen uitspraak van 23 december 1997 onrechtmatig heeft gehandeld. Bij vonnis van 25 juli 2001, rolnr. 00.1586, heeft de rechtbank die vordering afgewezen.

3.3. Appellant heeft tegen beide vonnissen van de rechtbank hoger beroep bij het gerechtshof 's-Gravenhage ingesteld. Voorts heeft hij de Raad aanvankelijk verzocht de behandeling van het onderhavige geding aan te houden totdat in beide zaken een eindoordeel, zonodig door de Hoge Raad, zou zijn gegeven.

3.4. Ter zitting heeft appellant het verzoek om aanhouding beperkt tot de onder 3.1. bedoelde vordering. Appellant heeft toegelicht dat hij de civiele vordering inzake de uitspraken van 11 mei 1983 en 5 juni 1986 heeft ingesteld omdat hij die uitspraken voor de uitkomst van het onderhavige geding bepalend acht en wil voorkomen dat die uitspraken hem thans worden tegengeworpen. Hij betoogt dat de Raad, zolang de civiele rechter over de rechtmatigheid van 's Raads uitspraken van 1983 en 1986 geen eindoordeel heeft gegeven, in het onderhavige geding niet onpartijdig en zonder vooringenomenheid uitspraak kan doen.

3.5. De Raad meent dat gezien de ouderdom van het onderhavige hoger beroep de behandeling niet langer moet worden aangehouden. In de omstandigheid dat appellant er hangende het onderhavige hoger beroep voor heeft gekozen de civiele rechter te benaderen voor een verklaring voor recht over, kort gezegd, de onrechtmatigheid van 's Raads uitspraken van 1983 en 1986 en die weg eerst wil voltooien, kan de Raad geen aanleiding voor verdere aanhouding zien. Naar het oordeel van de Raad vloeit uit het verbod van partijdigheid en vooringenomenheid niet voort dat de Raad slechts van de juistheid van in kracht van gewijsde gegane door hem gegeven uitspraken mag uitgaan indien de civiele rechter (in laatste aanleg) heeft uitgesproken dat die uitspraken rechtmatig zijn.

4. Appellant vecht de aangevallen uitspraak aan voorzover zij betrekking heeft op de bij het m bestreden besluit gehandhaafde afwijzing van de onder 1.4. genoemde onderdelen b tot en met e, van zijn verzoek van 20 december 1996.

Verzoek om intrekken ambtsberichten

5.1. Appellant heeft bij dat verzoek ten eerste, in algemene termen, verzocht de voor hem ongunstige ambtsberichten die destijds een beletsel vormden om hem te bevorderen, in te trekken. De bij het bestreden besluit gehandhaafde afwijzing van dat verzoek is in even algemene termen gesteld.

5.2. Gedaagde is ervan uitgegaan dat het verzoek sloeg op drie, in 1980, 1981 en 1982 tot stand gekomen beoordelingen en daaruit voortvloeiende kennisgevingen aan appellant van 5 september 1980, 5 juni 1981 en 22 juni 1982, zoals nadien gewijzigd. Deze beoordelingen en kennisgevingen zijn, al dan niet na wijziging in bezwaar, destijds alle aan toetsing door het Ambtenarengerecht en de Raad onderworpen, daarbij deels vernietigd en voor het overige voorzover nodig met de uitspraken van de Raad in overeenstemming gebracht: zie 's Raads uitspraken van 11 mei 1983, nr. MAW 1981/K 9,

5 juni 1986, nr. MAW 1984/K 25, 5 juni 1986, MAW 1985/1-5, 5 juni 1986, MAW 1983/K 9 (gepubliceerd in TAR 1986, 206, 207, 208 en 209), 16 juni 1988, nr. MAW 1986/48 (gepubliceerd in TAR 1988, 165) en 2 mei 1991, nr. MAW 1989/71-72. De

beoordelingen en kennisgevingen, zoals deze nadien uiteindelijk zijn gaan luiden, zijn daardoor rechtens onaantastbaar geworden. Dit betekent dat gedaagde het verzoek de beoordelingen en kennisgevingen in te trekken terecht heeft opgevat als een verzoek om terug te komen van rechtens onaantastbaar geworden besluiten.

5.3. Volgens de in 1980 opgemaakte beoordeling was appellant uit een oogpunt van bekwaamheid geschikt voor alle functies die in de naasthogere rang door een officier-personeel konden worden vervuld, terwijl volgens de kennisgeving van 5 september 1980 de beoordelingslijst een niet onbevredigend beeld te zien gaf omtrent appellants geschiktheid. In beide besluiten is daaraan een passage toegevoegd die na wijziging bij besluit van 26 juli 1983 als volgt is komen te luiden: "Wellicht verdient het echter

- aangezien is gebleken dat de beoordeelde niet bereid is alle opdrachten ter zake van het gebruik van kernwapens onvoorwaardelijk uit te voeren - aanbeveling met de daaruit voortvloeiende verminderde inzetbaarheid c.q. geschiktheid rekening te houden bij de bestemming van betrokkene.". Blijkens 's Raads voormelde uitspraak van 5 juni 1986, nr. MAW 1984/K25, werd hierbij alleen gedoeld op opdrachten die bevoegdelijk en in overeenstemming met het in de Nederlandse rechtsorde geldende recht zouden worden gegeven.

5.4. Appellant betoogt dat uit het advies van het Internationaal Gerechtshof onomstotelijk blijkt dat het gebruik van kernwapens onder alle omstandigheden ongeoorloofd is en stelt dat dit meebrengt dat van legerofficieren geen onvoorwaardelijke bereidheid kan worden gevergd om alle opdrachten terzake van het gebruik van kernwapens uit te voeren. Dit betekent, zo meent appellant, dat het advies van het Internationaal Gerechtshof een nieuw feit is, nu daaruit blijkt dat de bij het besluit van 26 juli 1983 aangebrachte passage evident onjuist is. Hij stelt dat gedaagde die passage derhalve alsnog had behoren in te trekken.

5.5. Gedaagde meent dat aan het advies geen terugwerkende kracht dient te worden toegekend. Zich door de jaren wijzigende inzichten - waarvan overigens in dit geval volgens gedaagde zelfs geen sprake is - kunnen volgens gedaagde nimmer aanleiding geven om beslissingen, die toentertijd volgens het oordeel van de hoogste administratieve rechter correct waren, steeds weer aan te passen. Terugwerkende kracht is volgens gedaagde pas aan de orde indien uit het advies onomstotelijk blijkt dat gedaagdes standpunt ten tijde van het nemen van de rechtspositionele beslissingen ook naar de inzichten van toen als onrechtmatig moet worden aangemerkt, en daarvan is in dit geval geen sprake.

5.6. De Raad overweegt dienaangaande dat gedaagde zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij eerst dan bereid is terug te komen van de hier aan de orde zijnde rechtspositionele beslissingen, indien uit het advies van het Internationaal Gerechtshof onomstotelijk zou blijken dat die beslissingen ook naar de inzichten van toen als onrechtmatig zouden moeten worden aangemerkt.

De Raad is met gedaagde van oordeel dat van een dergelijk onomstotelijk blijken in dit geval geen sprake is. Anders dan appellant stelt blijkt uit het advies van het Internationaal Gerechtshof in geen enkel opzicht dat het gebruik van kernwapens onder alle omstandigheden ongeoorloofd is. Uit het advies blijkt immers dat dit hof - zoals ook door de Hoge Raad in zijn arrest van 21 december 2001, nr. C99/355 HR (gepubliceerd in NJ 2002, 217) is overwogen - niet tot het oordeel is kunnen komen dat het gebruik van kernwapens, zelfs als dit in het algemeen in strijd zou zijn met beginselen van humanitair oorlogsrecht, onder alle omstandigheden ongeoorloofd is. Dit betekent dat gedaagde in redelijkheid afwijzend heeft kunnen beslissen op appellants verzoek om de onder 5.3. bedoelde ambtsberichten in te trekken.

5.7. In de in 1981 opgemaakte beoordeling zijn appellants houding en gedragingen als officier met "zwak" gewaardeerd aangezien appellant bij de polariserende wijze waarop hij zijn mening inzake het bezit en de inzet van kernwapens binnen de krijgsmacht te berde bracht niet de terughoudendheid en voorzichtigheid in acht nam die van een beroepsofficier mochten worden verwacht. Dit oordeel is in de kennisgeving van 5 juni 1981, zoals gewijzigd bij besluit van 28 juni 1983, overgenomen.

5.8. Op 8 september 1981 heeft de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Defensie (hierna: de Secretaris-Generaal) als hoogste ambtelijke chef jegens appellant schriftelijk zijn afkeuring uitgesproken over beschuldigingen die appellant tijdens een TV-interview had geuit over de houding van de Hoge Raad, de Minister-President en de Minister. In de in 1982 opgemaakte beoordeling is dit ambtsbericht van de Secretaris-Generaal overgenomen en zijn appellants houding en gedragingen als officier deswege wederom met "zwak" gewaardeerd op de grond dat hij bij zijn optreden niet de vereiste terughoudendheid en voorzichtigheid in acht had genomen. Dit oordeel is overgenomen in de daarop betrekking hebbende kennisgeving van 22 juni 1982, zoals deze na bezwaar bij besluit van 17 april 1985 is vastgesteld.

5.9. Dat de onder 5.7. en 5.8. bedoelde beoordelingen en kennisgevingen en het door de Minister daarbij overgenomen ambtsbericht van de Secretaris-Generaal in het licht van het advies van het Internationaal Gerechtshof naar de inzichten van toen onrechtmatig zijn, vermag de Raad niet in te zien. Immers uit de overwegingen van dat advies valt geenszins af te leiden dat appellant bij de hem verweten wijze van optreden de terughoudendheid en voorzichtigheid heeft betracht die van hem als beroepsofficier mocht worden verwacht. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat gedaagde in redelijkheid ook afwijzend heeft kunnen besluiten op appellants verzoek om deze voor hem ongunstige ambtsberichten in te trekken.

Verzoek om bevordering tot majoor

6.1. Bij brieven van 11 oktober 1982, 7 oktober 1983 onderscheidenlijk 3 oktober 1984 heeft de Minister appellant destijds meegedeeld dat hij gezien zijn plaats op de ranglijst in aanmerking was genomen voor keuzebevordering tot majoor met ingang van 1 november 1982, 1 november 1983 onderscheidenlijk 1 november 1984, maar dat daaromtrent nog geen advies aan de Koningin kon worden uitgebracht zolang de in aanmerking te nemen beoordelingen en ambtsberichten (i.e. voormelde kennisgevingen) nog niet alle rechtens onaantastbaar waren geworden. Omdat appellant het vanwege de inhoud van de kennisgevingen niet meer mogelijk achtte dat hij nog zou worden bevorderd, heeft hij per 1 juli 1985 elders een betrekking aanvaard en met ingang van die datum om ontslag verzocht.

6.2. Appellants verzoek van 20 december 1996 strekte er mede toe dat hij alsnog met ingang van de vroegst mogelijke datum - waarbij hij blijkens zijn verklaring ter zitting doelt op 1 november 1981, per welke datum een zogeheten voorbevordering had kunnen plaatsvinden, nu hij een majoorsfunctie vervulde - tot majoor zou worden bevorderd. Ter onderbouwing voert appellant aan dat de onder 5.2. bedoelde beoordelingen en kennisgevingen, als gevolg waarvan hij destijds niet is bevorderd, gelet op het advies van het Internationaal Gerechtshof onrechtmatig zijn. Voorts is, zo stelt hij, na de onder 6.1. bedoelde brieven nog steeds geen definitieve beslissing omtrent zijn bevordering genomen.

6.3. De Raad is van oordeel dat, nu appellant heeft nagelaten zo spoedig mogelijk nadat die beoordelingen en kennisgevingen in rechte onaantastbaar waren geworden actie te ondernemen ter verkrijging van een besluit omtrent de destijds door hem geambieerde bevordering, het achterwege doen laten van die bevordering op één lijn met een rechtens onaantastbaar besluit moet worden gesteld. Dat appellant een dergelijke actie destijds zinloos achtte, maakt dat niet anders.

6.4. Gedaagde heeft zich voorts redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat in hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot het advies van het Internationaal Gerechtshof geen aanleiding bestond om alsnog de door appellant verlangde bevordering te doen bewerkstelligen. De Raad verwijst naar hetgeen hiervoor onder 5.9. omtrent dit advies is overwogen.

Verzoek om schadevergoeding

7.1. Appellants verzoek van 20 december 1996 om schadevergoeding ter hoogte van 2 miljoen gulden berust op zijn opvatting, dat hij door de achteraf gezien - vanwege het advies van het Internationaal Gerechtshof - onrechtmatig te achten ambtsberichten en de daarop gebaseerde negatieve beslissingen ten aanzien van zijn militaire carrière, waardoor hij zich uiteindelijk gedwongen heeft gezien per 1 juli 1985 ontslag te vragen, schade heeft geleden. Deze schade bestaat volgens appellant uit nader toegelichte inkomensschade en immateriële schade.

7.2. De Raad stelt vast dat de afwijzing van het onderhavige verzoek om schadevergoeding een zelfstandig schadebesluit is. Omtrent de gehoudenheid van gedaagde tot vergoeding van dergelijke schade hanteert de Raad volgens vaste rechtspraak (zie CRvB 20 april 2000, TAR 2000, 90) terzake van schade vóór 1 januari 1993 de norm dat er sprake dient te zijn van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen handelwijze waardoor de ambtenaar schade heeft geleden en dat deze handelwijze en deze schade van zodanige aard dienen te zijn, dat de schade in redelijkheid voor vergoeding in aanmerking dient te komen. Voor schade geleden vanaf 1 januari 1993 zoekt de Raad aansluiting bij zijn jurisprudentie inzake de veroordeling tot vergoeding van schade op grond van artikel 8:73 van de Awb, waarbij de Raad zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht.

7.3. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat in hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot het advies van het Internationaal Gerechtshof geen aanleiding bestond om de door appellant verlangde schadevergoeding toe te wijzen. De Raad verwijst ook hier naar hetgeen hiervoor onder 5.6. en 5.9. omtrent dit advies is overwogen.

7.4. Voorzover appellant heeft beoogd om schade vergoed te krijgen die zou zijn geleden door besluiten die indertijd door gedaagde zijn teruggenomen dan wel door de Raad onrechtmatig zijn verklaard, overweegt de Raad het volgende. De onrechtmatigheid van die besluiten is, zo al niet eerder, uiterlijk bij 's Raads uitspraken van 11 mei 1983 en

5 juni 1986 vastgesteld, zodat appellant vanaf die tijdstippen in actie had kunnen komen voor het verkrijgen van schadevergoeding. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 20 januari 2000, TAR 2000, 40) zijn financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer in rechte afdwingbaar en ligt de aanvang van deze termijn bij het moment waarop de benadeelde met betrekking tot die schade in actie had kunnen komen. Nu appellant eerst op 20 december 1996 in actie is gekomen, heeft hij de termijn van vijf jaren ruim overschreden. Reeds daarom kon gedaagde het verzoek om schadevergoeding ook voor wat betreft deze schade met een beroep op de al lang verstreken termijn afwijzen.

Verzoek om rehabilitatie

8.1. Met zijn verzoek om rehabilitatie beoogde appellant de schriftelijke verklaring te ontvangen, dat hij zijn taak als officier altijd op goede wijze had vervuld, met zijn verzet destijds tegen de inzet van kernwapens gelet op het advies van het Internationaal Gerechtshof een juiste invulling aan zijn individuele verantwoordelijkheid had gegeven en zich in dat verzet derhalve als een voorbeeldig officier had gedragen.

8.2. De Raad overweegt dat (ook) dit verzoek berust op appellants opvatting dat de destijds ten aanzien van hem opgemaakte ambtsberichten gelet op het advies van het Internationaal Gerechtshof door gedaagde teruggenomen hadden moeten worden. Nu de Raad onder 5.9. heeft geconcludeerd dat die opvatting onjuist is, kon gedaagde zonder strijd met enige rechtsregel besluiten dat er voor de gevraagde rehabilitatie geen grond was.

Overige punten

9.1. Inzake de grieven die appellant afzonderlijk tegen de behandeling in bezwaar heeft aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

9.2. Nu het verzoek van 20 december 1996 er primair op gericht was dat gedaagde van besluiten zou terugkomen die reeds jaren rechtens onaantastbaar waren en in aanmerking genomen dat appellant als nieuwe omstandigheid alleen het advies van het Internationaal Gerechtshof heeft aangevoerd, terwijl hij aan dat advies een betekenis toekende, die daarin geenszins besloten lag, kon gedaagde, naar het oordeel van de Raad, het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van zijn verzoek kennelijk ongegrond achten.

9.3. De Raad is voorts van oordeel dat gedaagde in bezwaar met de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat gedaagde zich niet hoefde uit te laten over de schriftelijke antwoorden die de Minister op 15 september 1980 heeft gegeven op vragen vanuit de Tweede Kamer over uitlatingen die appellant in een dagbladinterview had gedaan. Immers, nu appellants verzoek om intrekking van de voor hem ongunstige ambtsberichten in algemene termen was gesteld en antwoorden van de regering op kamervragen naar normaal spraakgebruik geen ambtsberichten zijn, behoefde gedaagde niet te begrijpen dat appellant met zijn algemeen gestelde verzoek mede op intrekking van de op 15 september 1980 gegeven antwoorden doelde. Ook in bezwaar behoefde gedaagde dit niet te begrijpen, nu het bezwaarschrift terzake van de ambtsberichten in even algemene termen was gesteld.

Slotsom

10. Al het vorenoverwogene brengt mee dat het bestreden besluit in rechte stand houdt, zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt. De grieven van appellant die er op neerkomen dat de aangevallen uitspraak aan tal van motiveringsgebreken mank gaat, zijn zonder grond. Reeds daarom kan appellants grief dat uit die motiveringsgebreken blijkt dat de rechtbank het inleidend beroep op partijdige wijze heeft afgedaan niet slagen. Mitsdien wordt, nu de Raad voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb geen aanleiding ziet, als volgt beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2002.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) D. Boers.

DB

05.07

Q