Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE7109

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2002
Datum publicatie
02-09-2002
Zaaknummer
00/905 AW e.a.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 57, geldigheid: 2002-08-01
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2002-08-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/163

Uitspraak

00/905 AW, 00/4700 AW t/m 4706 AW, 01/2515 AW en 02/2381 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het bestuur van de rechtbank [naam Arrondissement], gedaagde 1, en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gedaagde 2.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Door of namens appellant is op bij aanvullende beroepschriften (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de navolgende uitspraken:

- de uitspraak van de president van de rechtbank Amsterdam van 7 januari 2000, nrs. AWB 99/11916 AW en AWB 99/12182 AW (hierna: uitspraak 1);

- de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 augustus 2000, nrs. AW 97/5783, AW 97/10406, AW 97/12857, AW 98/4949, AW 98/7658 en AW 99/225 (hierna: uitspraak 2);

- de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 augustus 2000, nr. AW 99/13250 (hierna: uitspraak 3);

- de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2002, nr. AWB 01/811 AW (hierna: uitspraak 4).

Naar deze uitspraken wordt in het hierna volgende verwezen.

Namens gedaagden zijn verweerschriften ingediend.

Namens de Minister van Justitie is onder dagtekening 4 december 2000 in verband met uitspraak 2 een nieuw besluit genomen. Appellant heeft hierover zijn zienswijze gegeven.

Namens gedaagde 1 zijn op verzoek van de Raad nadere stukken ingezonden. Appellant heeft onder meer per fax op 10 juni 2002 nadere stukken ingezonden.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 20 juni 2002. Aldaar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P. Reitsma, advocaat te Nijkerk. Gedaagde 1 heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S. van Waegeningh, advocaat te Den Haag, bijgestaan door W.J.M. van der Putten en W.H. van der Spek, beiden werkzaam bij de rechtbank [naam Arrondissement]. Gedaagde 2 heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.H. Langguth, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

In verband met de inwerkingtreding op 1 januari 2002 van de Wet organisatie en bestuur gerechten (Stb. 2001, 582) en het Besluit uitoefening rechtspositionele bevoegdheden gerechtsambtenaren en ambtenaren bureau Raad voor de rechtspraak (Stb. 2001, 617), heeft de Raad in de gedingen met betrekking tot de uitspraken 1, 2 en 4, waarin besluiten aan de orde zijn van (de rechtsvoorganger van) de Minister van Justitie, gedaagde 1 als rechtsopvolger aangemerkt. Dit geldt ook voor het geding terzake van het in rubriek I genoemde besluit van 4 december 2000. Hierna wordt onder gedaagde 1 mede (de rechtsvoorganger van) de Minister van Justitie begrepen.

1. Inleiding.

1.1. Appellant is per 1 oktober 1993 aangesteld als adjunct-gerechtssecretaris bij de sector Bestuursrecht van de rechtbank [naam Arrondissement]. Per 1 april 1994 is hij tot gerechtssecretaris benoemd met een bezoldiging in schaal 9. Vanaf 1 januari 1994 was appellant bij het bureau Voorlopige Voorzieningen (hierna: BVV) werkzaam. In verband met een streven binnen deze rechtbank om gerechtssecretarissen breed inzetbaar te laten worden en een daartoe ontwikkeld roulatiebeleid is appellant met ingang van 1 februari 1996 tijdelijk verplaatst naar kamer 4, later kamer 2 genoemd. Bij 's Raads uitspraak van 13 januari 2000, nrs. 97/10457 AW t/m 10461 AW, is die tijdelijke verplaatsing, toen nog beperkt tot 1 februari 1997, rechtens houdbaar geoordeeld.

1.2. Een verzoek van appellant in september 1996 om in afwijking van de Kaderregeling dienst- en werktijdregeling zijn werktijd om 9.15 uur (in plaats van om 9.00 uur) te mogen aanvangen, is afgewezen. De Raad heeft in zijn uitspraak van 10 februari 2000, nrs. 97/10266 AW, 98/376 AW en 98/378 AW, het oordeel van de rechtbank Amsterdam onderschreven dat aan appellant toestemming daartoe geweigerd mocht worden.

1.3. Met betrekking tot de thans door de Raad te beslissen gedingen zal de Raad de in hoger beroep aan de orde zijnde besluiten achtereenvolgens behandelen en per besluit de daartoe van belang zijnde feiten en omstandigheden, mede onder verwijzing naar hetgeen daaromtrent in de aangevallen uitspraken is opgenomen, vermelden.

1.4. De stukken die appellant bij fax van 10 juni 2002 naar de Raad heeft gezonden, zijn ingediend met overschrijding van de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) genoemde termijn van tien dagen. De Raad zal deze geschriften, gelet ook op hetgeen namens gedaagde 1 ter zitting hierover naar voren is gebracht, derhalve niet bij de beoordeling van de geschillen betrekken.

1.5. De aangevallen uitspraken zijn gedaan door de (president van de) rechtbank Amsterdam vóór de wijziging van artikel 8:13 van de Awb bij de wet van 24 januari 2002 (Stb. 2002, 53). De Raad stelt vast dat ingevolge artikel 8:7, tweede lid, van de Awb, de rechtbank [naam Arrondissement] en niet de rechtbank Amsterdam bevoegd was om op appellants beroepen te beslissen. De Raad ziet aanleiding om de onbevoegdheid van (de president van) de rechtbank Amsterdam voor gedekt te verklaren en de aangevallen uitspraken als bevoegdelijk gedaan aan te merken.

2. Het besluit van 24 juli 1997 (uitspraak 2) en het besluit van 4 december 2000: de benaming van de vervulde functie en de datum van inpassing in de hogere schaal.

2.1. Over appellants functioneren in het tijdvak van 1 oktober 1994 tot 1 oktober 1995, is bij besluit van 4 april 1996, aangepast bij besluit van 17 april 1997, een beoordeling vastgesteld. Bij beslissing op bezwaar van 24 juli 1997 zijn, met enige aanpassing van de beoordeling, de bezwaren hiertegen ongegrond verklaard. Bij uitspraak 2 is dit onderdeel van het besluit van 24 juli 1997 in stand gebleven.

2.2. Naar aanleiding van de vaststelling van de beoordeling op 4 april 1996 en een inmiddels uitgevoerd functiewaarderingsonderzoek heeft appellant een wijzigingsbesluit van 30 augustus 1996 ontvangen, inhoudend dat zijn bezoldiging met ingang van 1 januari 1995 op schaal 10 wordt vastgesteld. Daarbij is als functie van appellant 'senior-secretaris' vermeld. Bij beslissing op bezwaar van 24 juli 1997 is het besluit van 30 augustus 1996 gehandhaafd. Bij uitspraak 2 is met betrekking tot dit onderdeel van het besluit van 24 juli 1997 geoordeeld dat de ingangsdatum van de bevordering naar schaal 10 onvoldoende gemotiveerd is, is het beroep in zoverre gegrond verklaard en het besluit in zoverre vernietigd en zijn bepalingen gegeven over proceskosten en griffierecht. Ter uitvoering van uitspraak 2 heeft gedaagde 1 bij besluit van 4 december 2000 de suggestie van de rechtbank opgevolgd en appellant per 1 april 1994 bevorderd naar schaal 10.

2.3. Het hoger beroep van appellant met betrekking tot de beoordeling is beperkt tot de benaming op het beoordelingsformulier van de functie die hij in dat tijdvak bekleedde. Appellant is van oordeel dat zijn functie in de beoordeling moet worden aangeduid als senior-secretaris BVV in plaats van gerechtssecetaris. Het hoger beroep van appellant met betrekking tot het wijzigingsbesluit is erop gericht dat ook hierin als zijn functie senior-secretaris BVV wordt vermeld en dat de ingangsdatum van de bezoldiging in schaal 10 wordt gesteld op 1 juni 1994. In zoverre kan appellant zich ook niet verenigen met het besluit van 4 december 2000.

2.4.1. De Raad ziet in het wijzigingsbesluit van 30 augustus 1996, mede gelet op hetgeen de gemachtigde van gedaagde 1 hieromtrent desgevraagd ter zitting heeft verklaard, neergelegd dat appellant met ingang van 1 januari 1995 benoemd is in de functie van senior-secretaris met een bezoldiging naar salarisschaal 10 (hierna kortheidshalve: het benoemingsbesluit). Het nadere besluit van 4 december 2000 behelst daarmee dat deze benoeming en de inpassing in schaal 10 alsnog per 1 april 1994 geschieden.

2.4.2. Aan appellants opvatting dat hij de functie van senior-secretaris BVV (schaal 10) vervulde en dat deze functie derhalve in het benoemingsbesluit had moeten worden vermeld, ligt in hoofdzaak ten grondslag dat in het Formatieplan 1993 (een beschrijving van) de functie van senior-secretaris BVV is opgenomen als een aparte beschrijving naast de beschrijving van de functie van senior-secretaris die met name gebruikt wordt voor de senior-secretarissen voor de zogenoemde bodemkamers.

2.4.3. De in het Formatieplan 1993 opgenomen en beschreven functie van senior-secretaris BVV is een functie op schaal 11 niveau, die mede coördinerende en leiding-gevende taken behelst. Voor het BVV was daartoe één formatieplaats beschikbaar. In een voetnoot is aangegeven dat deze functionaris vergelijkbaar is met een unit-coördinator en dat bij eventuele uitbreiding de waardering van de functie van de senior-secretarissen voorlopige voorziening op schaal 10 is vastgesteld. In verband met de ontwikkelingen in de loop van 1993 - de naderende invoering van de Awb en het in verband daarmee verwachte werkaanbod in 1994 - zijn er vanaf 1 januari 1994 acht secretarissen bij het BVV tewerkgesteld, waaronder appellant.

2.4.4. Appellant vervulde ten tijde hier van belang niet de functie van senior-secretaris BVV, zoals opgenomen en beschreven in het Formatieplan 1993. De functie van senior-secretaris bij het bureau voorlopige voorzieningen op het salarisniveau 10 zoals vermeld in de voetnoot bij het Formatieplan 1993, was in 1993 nog niet geformaliseerd en niet als zodanig beschreven. Aan de vermelding van een dergelijke potentiële toekomstige functie en de daarbij gehanteerde naam komt derhalve geen betekenis toe voor de benaming van de functie die appellant ten tijde hier van belang vervulde. Aangezien gedaagde 1 nadien niet alsnog een functie heeft gecreëerd genaamd senior-secretaris BVV met een bezoldiging in schaal 10, valt niet in te zien dat appellant recht had op een benoeming in een functie met die naam.

2.4.5. De Raad is met de rechtbank Amsterdam van oordeel dat de éénmalige vermelding van de functienaam senior-secretaris BVV in een besluit ten aanzien van een in schaal 10 bezoldigde collega van appellant, gezien moet worden als een fout van gedaagde 1 en dat appellant aan zodanige fout geen aanspraken kan ontlenen.

2.4.6. Het vorenoverwogene brengt mee dat appellants grief dat in het benoemingsbesluit en in de beoordeling als zijn functie senior-secretaris BVV had moeten worden vermeld, faalt.

2.5.1. De Raad stelt vast dat de grieven van appellant tegen de ingangsdatum van 1 april 1994, waartoe gedaagde 1 in zijn nadere besluit van 4 december 2000 in overeen-stemming met de suggestie van de rechtbank Amsterdam heeft besloten, beperkt zijn tot bedoelde ingangsdatum. Appellant verwacht bij de keuze van 1 juni 1994 een extra periodieke verhoging te zullen krijgen. De Raad zal dit besluit met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19 van de Awb in zijn beoordeling betrekken.

2.5.2. In artikel 5, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (hierna: BBRA 1984) - in welk artikel is bepaald dat de salarisschaal welke voor de ambtenaar geldt wordt bepaald met inachtneming van de zwaarte van zijn functie - ligt besloten dat de benoeming in een functie en de inpassing in de daarbij behorende salarisschaal, tenzij het functioneren van de ambtenaar zich daartegen nog verzet, op dezelfde datum ingaan. Dit betekent dat, gelet op de benoeming van appellant in de functie van senior-secretaris per 1 april 1994, de aan die functie verbonden bezoldiging eveneens op 1 april 1994 behoorde in te gaan. Het BBRA 1984 bood, nu appellant op 1 april 1994 de functie van senior-secretaris volledig vervulde, niet de mogelijkheid de indeling in de schaal eerst per 1 juni 1994 te laten ingaan. Dat betekent dat appellants verzoek om die indeling wel per 1 juni 1994 te laten ingaan, vergde dat ook de benoe-ming tot senior-secretaris alsnog met ingang van 1 juni 1994 diende plaats te vinden. De Raad ziet niet in dat de enkele omstandigheid dat die latere ingangsdatum naar appellants verwachting voor hem financieel gunstiger zou zijn, gedaagde 1 er toe behoefde te brengen de benoeming alsnog eerst op 1 juni 1994 te laten ingaan.

2.6. Al het vorenstaande brengt mee dat het deel van uitspraak 2, dat betrekking heeft op het besluit van 24 juli 1997, voorzover aangevochten, op enigszins andere gronden, voor bevestiging in aanmerking komt en dat het beroep dat appellant geacht moet worden te hebben ingesteld tegen het besluit van 4 december 2000 ongegrond moet worden verklaard.

3. Het besluit van 14 mei 1998 (uitspraak 2): definitieve plaatsing bij kamer 2.

3.1. De tijdelijke tewerkstelling van appellant sedert 1 februari 1996 bij kamer 2, laatstelijk verlengd tot 1 januari 1998, is bij besluit van 16 oktober 1997 omgezet in een definitieve plaatsing. Dit besluit is gebaseerd op artikel 57, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: ARAR), en is genomen ter uitvoering van het binnen de rechtbank [naam Arrondissement] tot stand gekomen Roulatiebeleid secretariaat. Bij de bestreden beslissing op bezwaar van 14 mei 1998 is dat bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak 2 het bestreden besluit in stand gelaten.

3.2. De Raad is evenals de rechtbank Amsterdam en op grond van de door haar gegeven motivering van oordeel dat het Roulatiebeleid secretariaat op juiste wijze tot stand is gekomen. Met name ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het roulatiebeleid, dat uitsluitend geldt voor secretarissen van de rechtbank [naam Arrondissement], aan de bijzondere commissie als bedoeld in artikel 113 van het ARAR had moeten worden voorgelegd.

3.3. De Raad kan appellant niet volgen in zijn opvatting dat een (roulatie)beleid als hier aan de orde een onvoldoende grondslag zou zijn voor de toepassing van artikel 57, tweede lid, van het ARAR. In aanmerking genomen dat gedaagde 1 aanleiding heeft gezien om een roulatiebeleid tot stand te brengen en dat beleid naar inhoud en wijze van totstandkoming rechtmatig is, kon gedaagde 1 oordelen dat het dienstbelang uitvoering van dat beleid en mitsdien overplaatsing vorderde.

3.4. De Raad is voorts van oordeel dat de functie van senior-secretaris bij kamer 2 een voor appellant passende functie is. De omstandigheid dat de werkzaamheden bij het BVV niet geheel gelijk zijn aan de werkzaamheden bij een zogenoemde bodemkamer brengt niet mee dat de werkzaamheden bij een bodemkamer niet passend zijn.

3.5. Appellant heeft ten slotte de stelling betrokken dat gedaagde 1 geen gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid om appellant definitief in deze functie te plaatsen. Gedaagde 1 had met name moeten afzien van de omzetting van de tijdelijke tewerkstelling in een definitieve plaatsing, omdat tijdens de tijdelijke tewerkstelling was gebleken dat het functioneren van appellant in kamer 2 geen succes was en dat er een problematische situatie was ontstaan tussen appellant en zijn chefs.

3.5.1. De Raad heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat gedaagde 1 de tijdelijke plaatsing in kamer 2 had moeten beëindigen. Dat het inwerken van appellant in voor hem nieuwe rechtsgebieden niet probleemloos verliep hoefde gedaagde 1 niet te nopen tot ongedaanmaking van de verplaatsing, omdat de vergroting van de inzetbaarheid van alle (senior-)secretarissen nu juist een van de doelstellingen was van het roulatiebeleid. Appellants houding en de kritiek op hem in de periode van zijn tijdelijke tewerkstelling in kamer 2 lijken veeleer samen te hangen met zijn streven om teruggeplaatst te worden naar het BVV en het gegeven dat hij zich niet wenste te schikken in de beslissing dat hij zijn werk om 9.00 uur moest aanvangen.

3.5.2. De Raad stelt voorts vast dat appellant in verband met de problematische relatie tot zijn chefs vooral één van hen expliciet heeft genoemd, te weten [naam chef]. De gedingstukken laten zien dat laatstgenoemde tot omstreeks 1 februari 1997 als kamercoördinator de directe chef van appellant was. Sedertdien en ook nog ten tijde van het definitief maken van de plaatsing van appellant in kamer 2 was [naam directe chef] kamercoördinator en directe chef van appellant. Van een problematische relatie met deze chef is de Raad uit de gedingstukken niet gebleken en appellant heeft zich ter zitting zeer positief over deze chef uitgelaten.

3.6. De Raad is derhalve van oordeel dat het bestreden besluit van 14 mei 1998 in rechte stand kan houden en dat dit onderdeel van uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking komt.

4. Het besluit van 15 oktober 1997 (uitspraak 2): disciplinaire vermindering vakantieverlof.

4.1. Naar aanleiding van een voornemen tot het opleggen van een disciplinaire straf wegens het zich al geruime tijd niet houden aan de afgesproken werktijden, heeft appellant zich schriftelijk verantwoord en is hem de gelegenheid gegeven om zijn verantwoording mondeling toe te lichten. Bij besluit van 11 april 1997 is appellant wegens herhaaldelijke overschrijding van de aanvangstijd van zijn werk van 9.00 uur de straf van vermindering van de aanspraak op vakantieverlof voor het jaar 1997 met 29 uur opgelegd. Bij beslissing op bezwaar van 15 oktober 1997 is dat bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam heeft dit besluit bij uitspraak 2 in stand gelaten.

4.2. Appellant stelt met name dat niet is komen vast te staan dat hij veelvuldig te laat is gekomen. Hij acht het onzorgvuldig dat de kamercoördinator hem pas in januari 1997 heeft geconfronteerd met in het verleden gelegen data waarop hij te laat is gekomen en ontkent dat hij daarop eerder is aangesproken.

4.3. Een rapportage van de kamercoördinator van 8 januari 1997 over het tijdvak van februari 1996 tot en met december 1996 laat zien dat appellant vanaf zijn start in de bodemkamer veelvuldig te laat kwam, dat door de kamercoördinator ingestelde controlemaatregelen gedurende enige tijd tot verbetering leidden, dat appellant in juli 1996 als reden voor het te laat komen opgaf dat hij in verband met tijdelijk werk van zijn echtgenote zijn zoon naar school moest brengen en dat appellant na de afwijzing in oktober 1996 van zijn verzoek om zijn werk om 9.15 uur te mogen aanvangen, desgevraagd meedeelde dat hij een oplossing zou zoeken. Op 3 december 1996 heeft de kamercoördinator aangegeven dat appellant na een maand van coulance weer op tijd dient te komen en dat hij gecontroleerd zal worden. Appellant is op de dagen daarna tot

11 december 1996 blijkens de aantekeningen van de kamercoördinator steeds te laat gekomen en verscheen op 18 december 1996 bij een functioneringsgesprek om 9.30 uur in plaats van om 9.00 uur.

4.4. De Raad is van oordeel dat de uitvoerige rapportage van 8 januari 1997 voldoende grondslag biedt voor de aanvaarding dat appellant in het onderhavige tijdvak frequent te laat is gekomen, daar regelmatig op is aangesproken en zich deswege aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt, zodat gedaagde 1 bevoegd was hem terzake disciplinair te straffen. De rapportage bevat ook voldoende concrete data, van destijds nog recente datum, waarover appellant ten tijde van zijn verantwoording in staat moest worden geacht zonodig adequaat te kunnen reageren. De Raad kan er in dat verband niet aan voorbij zien dat de werktijden van appellant als een van de onderwerpen voor het functioneringsgesprek van 18 december 1996 door de kamercoördinator aan de orde zijn gesteld. De Raad is voorts van oordeel dat appellant in zijn schriftelijke verantwoording van 14 februari 1997 en in bezwaar (impliciet) heeft toegeven dat hij regelmatig te laat kwam. Bij dit alles kan aan een latere ontkenning door appellant, zonder in te gaan op de vele details in de rapportage, geen betekenis toekomen.

4.5. Aangezien de Raad niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat de opgelegde straf als onevenredig moet worden aangemerkt, kan het bestreden besluit van 15 oktober 1997 in rechte stand houden en komt dit onderdeel van uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking.

5. Het besluit van 23 juli 1998 (uitspraak 2): disciplinaire straf van f 1.000,-.

5.1. Na een schriftelijke verantwoording door appellant over vermoedelijk door hem gepleegd plichtsverzuim is aan appellant bij besluit van 28 oktober 1997 de disciplinaire straf van ƒ 1000,- korting op zijn bruto salaris van één maand opgelegd vanwege het zich wederrechtelijk toe-eigenen van vertrouwelijke stukken, althans het wederrechtelijk beschikken over vertrouwelijke stukken. Bij het bestreden besluit van 23 juli 1998 is het bezwaar tegen die strafoplegging ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam heeft dit besluit bij uitspraak 2 in stand gelaten.

5.2. Appellant heeft één en ander maal gesteld dat hij de desbetreffende stukken in januari 1997 openlijk op een verhuisdoos in de gang heeft aangetroffen en hij heeft erkend dat hij het vertrouwelijke karakter van de stukken heeft begrepen. Appellant zag en ziet een voldoende rechtvaardiging voor zijn handelwijze in de omstandigheid dat de stukken over hem zelf gingen en dat zijn toenmalige directe chef bij de rechtspositionele problemen waarin hij verkeerde onvolledige en onjuiste informatie verstrekte. Appellant meent dat disciplinaire bestraffing derhalve achterwege dient te blijven.

5.3. De Raad is evenals de rechtbank Amsterdam van oordeel dat appellant plichts-verzuim heeft gepleegd door zich de - kenbaar - vertrouwelijke stukken toe te eigenen en deze te gebruiken en dat de door appellant genoemde rechtspositionele omstandigheden in het geheel geen grond behoefden te vormen om van het opleggen van een straf af te zien. Wat er ook zij van de juistheid van appellants zienswijze over de onjuistheid van de informatieverstrekking door zijn toenmalige directe chef, de Raad is van oordeel dat, uitgaande van een toevalligerwijs aantreffen van die stukken en uitgaande van appellants overtuiging dat de vertrouwelijke stukken voor hem essentieel waren, het op appellants weg had gelegen om te bereiken dat het vertrouwelijke karakter van de stukken zou worden opgeheven. De Raad heeft moeten vaststellen dat appellant hiertoe geen enkel initiatief heeft genomen; hij heeft de stukken gekopieerd en ongeveer een half jaar onder zich gehouden zonder daarover te reppen en ze vervolgens in een procedure overgelegd.

5.4. Mede in aanmerking genomen dat de door appellant beklede functie hoge eisen stelt aan betrouwbaarheid en integriteit heeft de Raad niet tot het oordeel kunnen komen dat de door gedaagde 1 opgelegde straf als onevenredig moet worden aangemerkt. Derhalve kan het bestreden besluit van 23 juli 1998 in rechte stand houden en komt dit onderdeel van uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking.

6. Het besluit van 8 januari 1999 (uitspraak 2): disciplinaire vermindering met 1 verlofdag.

6.1. Na toestemming op 27 februari 1998 om in afwachting van een bezwarenbehandeling enkele weken zijn werk om 9.15 uur te mogen aanvangen gold voor appellant, zoals hem op 27 maart 1998 is meegedeeld, vanaf 2 april 1998 weer de uiterste aanvangstijd van 9.00 uur.

6.2. Na een schriftelijke verantwoording van appellant over het op 2, 3 en 6 april 1998 na 9.00 uur op zijn werk verschijnen, is hem bij besluit van 4 juni 1998 de disciplinaire straf van vermindering van één verlofdag op zijn vakantietegoed over het jaar 1998 opgelegd. Bij het bestreden besluit van 8 januari 1999 is onder meer het bezwaar tegen het besluit van 4 juni 1998 ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam heeft het bestreden besluit bij uitspraak 2 in stand gelaten.

6.3. Appellant heeft steeds ontkend dat hij op 2 april 1998 te laat is gekomen. De ruime overschrijding van de aanvangstijd op 3 en 6 april 1998 heeft appellant wel erkend. Appellant meent dat hem daarvoor geen disciplinaire straf mocht worden opgelegd, omdat de oorzaken voor dat te laat komen als overmacht zijn aan te merken en er geen opzet of schuld aan zijn kant was.

6.4. De Raad heeft in de gedingstukken onvoldoende aanknopingspunten gevonden om te kunnen vaststellen dat appellant op 2 april 1998 vijf minuten te laat is gekomen. Aan de mededeling van W.J.H. van der Putten ter zitting over de wijze waarop het plichtsverzuim zou zijn geconstateerd zal de Raad voorbijgaan, aangezien deze informatie niet eerder naar voren is gebracht.

6.5. Als oorzaken voor het te laat komen op 3 onderscheidenlijk 6 april 1998 heeft appellant steeds genoemd dat hij op 3 april 1998 tijdens de reis naar de rechtbank [naam Arrondissement] zijn auto met pech heeft moeten achterlaten en dat er op 6 april 1998 een wegopbreking in [naam Arrondissement] was die een lange file tot gevolg had.

6.6. De Raad is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn auto op 3 april 1998 onderweg naar zijn werk wegens een mankement heeft moeten achter-laten. De gegevens die appellant over mankementen en reparaties aan zijn auto heeft ingezonden hebben geen betrekking op 3 april 1998.

6.7. Doch afgezien daarvan is de Raad met betrekking tot de autopech en de file door een wegopbreking van oordeel dat deze omstandigheden ten volle voor risico van appellant komen. Gelet op de verwikkelingen en problemen ten aanzien van de aanvang van appellants werktijd en het te laat op zijn werk verschijnen vanaf 1996, de inmiddels gehandhaafde disciplinaire maatregel voor frequent te laat komen en de beëindiging van de tijdelijke toestemming van gedaagde 1 om zijn werk om 9.15 uur aan te vangen, had het in versterkte mate op appellants weg gelegen om maatregelen te treffen ten einde vanaf 2 april 1998 tijdig op zijn werk te arriveren. Het gebruik van een auto die nogal eens mankementen vertoont levert onder dergelijke omstandigheden een voorzienbaar risico op. Files op de weg met oponthoud voor het autoverkeer komen veelvuldig voor en vormen een omstandigheid waarmee iedere automobilist rekening kan (en zonodig moet) houden. Appellant had gelet op het vorenvermelde in het bijzonder op deze mogelijkheid, bedacht moeten zijn.

6.8. Aangezien de Raad niet tot het oordeel is gekomen dat de opgelegde straf onevenredig is aan het plichtsverzuim bestaande in het te laat komen op (uitsluitend) 3 en 6 april 1998, kan het bestreden besluit van 8 januari 1999 in rechte stand houden en komt dit onderdeel van uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking.

7. Het besluit van 8 januari 2001 (uitspraak 4): beoordeling over het tijdvak van 1 maart 1996 tot 1 maart 1998.

7.1. Over appellants functioneren in het tijdvak van 1 maart 1996 tot 1 maart 1998, is bij besluit van 26 oktober 1998 een beoordeling vastgesteld. Bij beslissing op bezwaar van 8 januari 2001 zijn, met een aanpassing van de beoordeling, de bezwaren hiertegen ongegrond verklaard. Bij uitspraak 4 heeft de rechtbank Amsterdam dit besluit in stand gelaten.

7.2. Appellant verzet zich ertegen dat ook de gehele periode van 1 maart 1996 tot 1 maart 1997 in de beoordeling is betrokken. Appellant beroept zich dienaangaande op een mondelinge afspraak met [naam directe chef], dat de beoordeling betrekking zou hebben op de periode vanaf februari 1997 waarin deze kamercoördinator was en niet de periode daaraan voorafgaand, waarin [naam chef], met wie appellant naar zijn zeggen in conflict was, de kamercoördinator was. De Raad verwerpt dit bezwaar van appellant. De rechtbank heeft er naar het oordeel van de Raad terecht op gewezen dat het hier toepasselijke artikel 3, eerste lid, van het Beoordelingsvoorschrift Ministerie van Justitie 1987 een beoordeling over een tijdvak van twee jaar toelaat. Voorts bindt een eventuele afspraak met een inhoud als hiervoor vermeld van appellant met een kamer-coördinator de bevoegde beoordelingsautoriteit naar het oordeel van de Raad niet.

7.3. De Raad volgt appellant evenmin in het betoog dat de tweede en derde beoordelaar niet onbevooroordeeld jegens hem waren. Appellant was naar zijn zeggen met deze beoordelaars in conflict en deze waren deswege niet in staat een verantwoorde en objectieve beoordeling over zijn functioneren op te maken. In de gedingstukken ziet de Raad bevestigd dat er tussen die beoordelaars en appellant wrijvingen waren die tot een verstoorde relatie van appellant met in ieder geval de tweede beoordelaar hebben geleid. Appellant heeft evenwel niet aannemelijk weten te maken dat en op welke punten beide beoordelaars als gevolg daarvan de vereiste objectiviteit uit het oog hebben verloren. De wijze waarop de beoordeling tot stand is gekomen en de bepaald niet louter negatieve verwoording van de beoordeling geven naar het oordeel van de Raad blijk van een evenwichtige benadering van appellants functioneren, waarbij de essentiële aspecten daarvan op zorgvuldige wijze zijn bezien.

7.4.1. Appellant geeft toe dat hij minder goed functioneerde, maar wijt dat aan de volgens hem bijna onwerkbare situatie waarin hij was komen te verkeren doordat hij door de tweede beoordelaar moest worden ingewerkt die tevoren als gemachtigde van het bevoegd gezag was opgetreden in door appellant aangespannen procedures. Voorts stelt appellant dat hij nadien op een volgens hem vernederende manier door het bevoegd gezag onder curatele is geplaatst, waardoor het nagenoeg onmogelijk was om naar behoren te functioneren.

7.4.2. De Raad overweegt dat, wat er overigens zij van de juistheid van het daarover door appellant gestelde, in de rubriek 'werkomstandigheden die de functievervulling hebben beïnvloed' van het beoordelingsformulier is vermeld dat appellant in het kader van het roulatiebeleid tegen zijn zin is verplaatst naar een functie die hij niet ambieerde. Tevens is vermeld dat sprake was van een opeenstapeling van bezwaar- en beroepschriften, mede in verband met enkele disciplinaire maatregelen. De Raad stelt vast dat appellant de - op zichzelf begrijpelijke - aanpassingsproblemen die hij na zijn verplaatsing heeft onder-vonden volledig heeft toegeschreven aan zijn toenmalige chefs, terwijl hij zelf niet de flexibiliteit op heeft kunnen brengen die problemen op een bij het niveau van zijn functie passende wijze aan te vatten. De Raad overweegt dat de door appellant genoemde omstandigheden hem er niet van behoefden te weerhouden de hem opgedragen werkzaamheden op voldoende wijze te verrichten.

Nu appellant overigens geen grieven heeft ingebracht die tot het oordeel moeten leiden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust dient uitspraak 4 te worden bevestigd.

8. Het besluit van 4 oktober 1999 (uitspraak 1): ontslag, schorsing en terugvordering.

8.1. Bij besluit van 4 december 1998 is appellant met onmiddellijke ingang op grond van artikel 91, eerste lid, aanhef en onder c, van het ARAR, geschorst en is hem met onmiddellijke ingang op grond van artikel 77, eerste lid, van het ARAR, de toegang tot de kantoren van het arrondissement [naam Arrondissement] ontzegd (hierna: schorsingsbesluit). Dit berustte op de overweging dat hij niet langer het vereiste vertrouwen genoot en zich had schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim omdat hij:

a. zich ondanks eerdere disciplinaire maatregelen en herhaalde waarschuwingen niet had gehouden aan de voor hem geldende aanvangstijd en daarvoor veelal geen aanvaardbare verklaring kon of wenste te geven;

b. bij zijn opgave van in de periode januari 1998 tot medio november 1998 genoten verlof 92 verlofuren te weinig had opgegeven;

c. in werktijd, op kosten van zijn werkgever en in belangrijke mate via het telefoontoestel van een collega, in elk geval in de periode 13 augustus 1998 tot 27 november 1998 een onevenredig groot aantal privé telefoongesprekken had gevoerd (tenminste 189, totale kosten ongeveer ƒ 1.260,-).

In het gebruik van het toestel van een collega heeft gedaagde 1 een bewuste poging van appellant gezien om het privé telefoongebruik voor de leiding te verdoezelen, ondanks het risico dat de collega daardoor in diskrediet werd gebracht.

8.2. Bij besluit van 29 januari 1999 is appellant met ingang van 1 maart 1999 eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken als bedoeld in artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR (hierna: het ontslagbesluit). Gedaagde 1 heeft daarbij overwogen dat appellant zich met zijn in 8.1. aangeduide gedragingen aan ernstig plichtsverzuim schuldig had gemaakt. Tevens werd appellant ongeschikt geacht om binnen de kaders van de ambtelijke dienst te functioneren, nu hij niet in staat is gebleken zich te houden aan gemaakte afspraken, gegeven aanwijzingen en gestelde grenzen en terzake onvoldoende besef van eigen verantwoordelijkheid heeft getoond, wat een ontwrichtende uitwerking op zijn werkomgeving had. Volgens gedaagde 1 was een wijziging van zijn attitude niet meer te verwachten, gezien de tijd en aandacht die al jarenlang in begeleidings-, functionerings- en beoordelingsgesprekken en informele contacten is besteed om normaal functioneren van appellant te bewerkstelligen. Gedaagde 1 heeft daarbij nog opgemerkt dat appellants prestaties geen aanleiding konden vormen hem - onder extra begeleiding - te handhaven, nu de kwaliteit en kwantiteit van zijn prestaties blijkens de over de periode 1 maart 1996 - 1 maart 1998 opgemaakte beoordeling sterk waren teruggelopen. Gedaagde 1 heeft er met het oog op appellants verdere loopbaan voor gekozen appellant geen strafontslag maar (eervol) ontslag wegens ongeschiktheid te verlenen.

8.3. Bij besluit van 17 februari 1999 (hierna: terugvorderingsbesluit) is het aantal over de periode januari 1998 tot medio november 1998 teveel genoten vakantie-uren in verband met het op grond van artikel 24, tweede lid, van het ARAR, van appellant terug te vorderen bedrag, vastgesteld op 168. Op grond van artikel 24, tweede lid, van het ARAR is de ambtenaar, indien op de dag van zijn ontslag blijkt, dat hij teveel vakantie heeft genoten, voor ieder uur teveel genoten vakantie een bedrag verschuldigd ten bedrage van het salaris per uur. Appellant heeft erkend dat hij in de desbetreffende periode teveel vakantieverlof heeft genoten en heeft zich niet verzet tegen het in rekening brengen van 60 verlofuren.

8.4. De bezwaren tegen het schorsingsbesluit, het ontslagbesluit en het terugvorderingsbesluit zijn bij het bestreden besluit van 4 oktober 1999 ongegrond verklaard.

9. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep inzake de bij het bestreden besluit van

4 oktober 1999 gehandhaafde besluiten naar voren is gebracht, overweegt de Raad als volgt.

Ontslag.

10.1. Appellant is er jarenlang bij herhaling op gewezen dat hij zijn werkzaamheden 's ochtends om 9.00 uur diende aan te vangen en dat hij zich daaraan veelvuldig, zonder voldoende reden, niet heeft gehouden. Hij is, zoals hierboven is gebleken, daarvoor bij de besluiten van 11 april 1997 en 4 juni 1998 disciplinair gestraft. Maar ook nadien is hij, naar voor de Raad aannemelijk is, herhaaldelijk te laat begonnen, ook nadat hij daarop bijvoorbeeld op 25 juni 1998 en 11 september 1998 wederom was aangesproken. Blijkens de gedingstukken is dit ook, anders dan appellant stelt, steeds in functioneringsgesprekken aan de orde gesteld.

10.1.1. Appellant heeft aangevoerd dat hem eerst uit de stukken die hem na het ontslagvoornemen zijn overgelegd, duidelijk is geworden op welke dagen hij volgens zijn chef te laat is gekomen. Hij noemt dit een aanval achteraf en stelt dat zijn chef, wanneer deze constateerde dat appellant te laat kwam, hem daarop steeds terstond had moeten aan-spreken zodat hij terzake uitleg had kunnen geven.

10.1.2. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Aan appellant was volstrekt duidelijk dat hij op tijd diende te beginnen en dat hij na de diverse waarschuwingen en de twee disciplinaire straffen terzake kritisch werd gevolgd. Appellant heeft steeds weer miskend dat het primair zijn eigen verantwoordelijkheid was om op tijd te beginnen en om in gevallen waarin dit onverhoopt niet gelukt was, zich tot zijn chef te wenden teneinde deze uitleg te verschaffen. Appellant is veelvuldig gewaarschuwd, heeft ruim de kans gehad zijn gedrag te verbeteren, maar is steeds weer in zijn oude fout vervallen.

10.2. Gedaagde 1 heeft aan het ontslag mede ten grondslag gelegd dat appellant eerst na herhaalde aanmaning op 5 november 1998 opgave heeft gedaan van de door hem opgenomen verlofdagen en gewerkte dagen over de periode medio januari 1998 tot medio november 1998 en dat deze opgave onjuist was. Het verschil in door appellant opgegeven uren en het aantal door diens chef vastgestelde aantal uren was zo groot dat naar het oordeel van gedaagde 1 niet van een vergissing sprake was maar van bewuste misleiding. Appellants chef heeft dat verschil in uren berekend door het aantal verlofuren dat appellant naar zijn waarneming had opgenomen te vergelijken met de door appellant zelf gedane opgave.

10.2.1. Appellant heeft dienaangaande primair aangevoerd dat zijn opgave juist was. Hij heeft er op gewezen dat mede in aanmerking moet worden genomen dat hij met toestem-ming van zijn chef, in afwijking van de voor hem geldende werktijdenregeling vele vrijdagmiddagen heeft doorgewerkt, welke uren hij met extra vrije dagen mocht compenseren. Voor het geval de Raad mocht oordelen dat zijn opgave niet juist was, kan hem geen misleiding worden verweten, aangezien hij zijn opgave in haast heeft moeten opstellen omdat hij deze vlak voordat hij op 6 november 1998 een dringend bezoek aan de familie van zijn vriendin in Polen moest afleggen, nog moest inleveren en zijn chef tegen dat bezoek toen geen bezwaar heeft gemaakt.

10.2.2. Namens gedaagde 1 is hiertegen ingebracht dat appellant weliswaar in beginsel zelf mocht bepalen wanneer hij verlof opnam, maar dat de verlofregistratie diende te geschieden via het doen aftekenen van de verlofkaart door de chef. Appellant heeft tot november 1998 stelselmatig geweigerd op deze wijze zijn verlof te laten registreren. Hij gaf het op te nemen verlof op de desbetreffende dag telefonisch door en/of tekende het aan op het zogenoemde whiteboard. De chef heeft aantekening gehouden van die meldingen voorzover die hem ter kennis waren gekomen. Op grond van die aantekeningen is gedaagde 1 tot het oordeel gekomen dat appellant in zijn opgave van 5 november 1998 92 verlofuren (in bezwaar bijgesteld tot 88) te weinig heeft opgegeven. Gedaagde 1 bestrijdt dat met appellant een algemene afspraak was gemaakt dat deze op vrijdagmiddagen desgewenst mocht doorwerken en de dan doorgewerkte uren als compensatieverlof mocht opnemen.

10.2.3. De Raad onderschrijft het standpunt van gedaagde 1. Voor de Raad staat vast dat appellant zich weinig gelegen liet liggen aan de aanwijzingen die hij omtrent de verlof-registratie diende op te volgen. Appellant is er blijkens de gedingstukken herhaaldelijk op gewezen dat hij het op te nemen verlof op de daartoe aangewezen wijze, dit is via de tijdig in te leveren verlofkaart, diende te laten registreren. Met een beroep op de naar appellants opvatting voorheen geldende praktijk, heeft hij dit maandenlang geweigerd, ondanks herhaalde aanmaning. Voor de Raad is niet aannemelijk geworden dat appellants chef W.H. van der Spek ermee heeft ingestemd dat appellant op (zijn vrije) vrijdagmiddagen naar eigen believen en zonder registratie mocht doorwerken en de dan gewerkte uren naar eigen believen en zonder registratie in vrije tijd mocht compenseren. De Raad ziet daarom geen aanleiding het aantal verlofuren dat appellant volgens de aantekeningen van zijn chef heeft opgenomen, onjuist te achten. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat, nu appellant de geldende regels en de hem gegeven aanwijzingen inzake verlofregistratie langdurig niet is nagekomen, een eventuele discrepantie van zijn pas op 5 november 1998 verstrekte opgave met de aantekeningen van de chef voor appellants risico komt.

10.2.4. De Raad is in dit verband ten slotte van oordeel dat appellants opgave een zo groot aantal opgenomen verlofuren ten onrechte niet vermeldde, dat gedaagde 1, mede gezien appellants in 10.2.3. aangegeven ontwijkingsgedrag, tot het oordeel kon komen dat appellant zijn chef heeft willen misleiden. De omstandigheid dat deze tegen appellants bezoek aan Polen geen bezwaar heeft gemaakt kan appellant niet disculperen, nu het primair appellants eigen verantwoordelijkheid was te bezien of hij nog over voldoende verlofuren beschikte. Derhalve kon appellant uit het ontbreken van bezwaar tegen het bezoek aan Polen niet afleiden dat zijn chef zijn uiteindelijk ingeleverde opgave juist had bevonden. Dat geldt temeer nu hij die opgave over de 8 voorafgaande maanden eerst daags voor zijn vertrek naar Polen bij zijn chef had ingeleverd.

10.3. De privé telefoongesprekken die appellant op kosten van zijn werkgever in de periode 13 augustus 1998 tot 27 november 1998 heeft gevoerd, betroffen voornamelijk gesprekken naar het GSM-nummer van zijn vriendin. Appellant stelt dat hem er geen verwijt van gemaakt kan worden dat dit op kosten van zijn werkgever geschiedde, nu zijn vriendin in ernstige problemen verkeerde en zijn hulp nodig had.

10.3.1. De Raad kan hierin geen grond zien om het telefoongedrag niet verwijtbaar te achten. De moeilijke situatie van zijn vriendin behoefde appellant niet te beletten zijn chef er tijdig van op de hoogte te stellen dat hij zich genoopt voelde onder werktijd en met gebruik van de diensttelefoon naar zijn vriendin te bellen. Appellant had daarbij dan kunnen aangeven dat hij de kosten volledig zou vergoeden en de daartoe vereiste initiatieven zou nemen. Nu heeft appellant eerst enige tijd nadat hij geschorst was de zojuist bedoelde verklaring van zijn buitensporige telefoongedrag gegeven en eerst toen aangeboden de kosten terug te betalen (hetgeen hij uiteindelijk in maandelijkse termijnen van ƒ 70,- heeft gedaan).

10.3.2. De omstandigheid dat appellant, naar hij stelt, vaak de telefoon van een collega gebruikte omdat hij meende te worden afgeluisterd, kan hem naar het oordeel van de Raad niet vrijpleiten van het verwijt dat hij aldus poogde zijn buitensporige telefoongedrag te verdoezelen. Ook indien appellant redelijke grond had te menen dat gesprekken via zijn toestel werden afgeluisterd, dan nog had hij, indien hij de diensttelefoon wilde gebruiken voor het telefoneren naar zijn vriendin, open kaart moeten spelen dan wel buiten kantoor met zijn vriendin moeten bellen. Met gedaagde 1 acht de Raad het uiterst verwerpelijk dat appellant ook zijn collega er niet van op de hoogte heeft gesteld dat hij haar toestel bij haar afwezigheid veelvuldig voor dure privé gesprekken gebruikte. Appellant kon ten volle beseffen dat hij zijn collega met de gevolgen van zijn eigen onjuiste handelwijze belastte.

10.3.3. Appellant heeft in dit verband ten slotte aangevoerd dat zijn telefoongedrag hem ook daarom niet mag worden verweten, omdat gedaagde 1 zich niet aan het door hem terzake gevoerde beleid heeft gehouden. Ingevolge dit beleid werd maandelijks bij de telefooncentrale een overzicht van de 40 langste en de 40 duurste gesprekken opgevraagd en werd bezien vanaf welk toestel en naar welk nummer die gesprekken waren gevoerd. Leidde dit tot het vermoeden dat het privé gesprekken betrof, dan werd de informatie aan de chef ter beschikking gesteld opdat deze dit met de betrokken medewerker zou bespreken om het vermoeden te verifiëren en zonodig maatregelen zou treffen, bestaande uit waarschuwingen en de opdracht de gemaakte kosten terug te betalen.

10.3.4. De Raad stelt vast dat gedaagde 1, nadat hij van het in 10.3. vermelde telefoongedrag op de hoogte was gebracht, appellant terstond heeft geschorst zonder dat terzake eerst een gesprek tussen appellant en diens chef had plaatsgevonden. De Raad meent evenwel dat, ook indien moet worden geoordeeld dat het beleid van gedaagde 1 vergde dat in een geval van buitensporig telefoongedrag als het onderhavige voorafgaand aan het treffen van maatregelen eerst een gesprek met betrokkene diende plaats te vinden, het achterwege blijven van een dergelijk gesprek niet kan betekenen dat appellant van zijn buitensporige telefoongedrag en zijn daardoor gebleken onbetrouwbaarheid terzake geen ernstig verwijt kon worden gemaakt. Appellant kon heel wel begrijpen, ook zonder dat hij daarop eerst was aangesproken, dat zijn heimelijke en verdoezelende telefoongedrag niet door de beugel kon.

10.4. De Raad is op grond van zijn conclusies in 10.1.2., 10.2.4. en 10.3.4. van opvatting dat gedaagde 1 op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat appellant ongeschikt is voor het vervullen van zijn functie anders dan wegens ziels- of lichaamsgebreken. Derhalve was gedaagde 1 bevoegd appellant ontslag te verlenen.

10.5. Met betrekking tot de gebruikmaking van de ontslagbevoegdheid heeft appellant nog betoogd dat gedaagde 1 die bevoegdheid niet zonder strijd met het recht heeft kunnen uitoefenen, nu destijds geen herplaatsing in een functie onder het gezagsbereik van het Ministerie van Justitie noch andere minder verstrekkende maatregelen dan ontslag zijn overwogen en geen rekening is gehouden met zijn jarenlang uitstekende functioneren en met de aanzienlijke problemen die hij in zijn werk en zijn persoonlijk leven heeft ondervonden. Appellant stelt dat wel dossiervorming gericht op ontslag heeft plaatsgevonden, maar dat hem geen adequate begeleiding is geboden.

10.5.1. De Raad kan dit standpunt niet volgen. Appellant is steeds ruime begeleiding gegeven en hij is veelvuldig op zijn disfunctioneren vanaf begin 1996 aangesproken. Hij heeft zich evenwel vanaf zijn overplaatsing per 1 februari 1996 veelvuldig aan de hem gegeven aanwijzingen en aan de gebruikelijke regels onttrokken en heeft dat gedrag steeds gepoogd te verhullen. Dat hij mede daardoor op zijn werk in grote moeilijkheden is gekomen, is in de eerste plaats aan hemzelf te wijten. Dat hij zich ondanks zijn aanzienlijke privé problemen nimmer ziek heeft gemeld, valt mogelijk te prijzen, maar kan aan het vorenoverwogene niet afdoen, temeer niet nu appellant zich eerst achteraf op zijn privé problemen heeft beroepen en destijds geen enkele hulp van de zijde van zijn werkgever heeft willen aanvaarden. Nu appellant zich ondanks de hem gegeven aan-wijzingen en de hem opgelegde disciplinaire maatregelen bij voortduring aan die aan-wijzingen en de gebruikelijke regels bleef onttrekken, kon gedaagde 1 in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik maken. Juist gezien de aard van appellants tekort-komingen kon gedaagde 1 in redelijkheid oordelen dat er geen aanleiding was appellant in zijn functie of elders een nieuwe kans te bieden.

10.5.2. Appellants stelling tenslotte dat het ontslag reeds niet in stand kan blijven omdat in het onderhavige geval sprake was van vermenging van strafontslag en ongeschiktheidsontslag, kan de Raad evenmin volgen. Gedaagde 1 heeft appellant op 8 januari 1999 meegedeeld dat hij overwoog hem disciplinair ontslag te verlenen, maar dat er rekening mee moest worden gehouden dat, nu het feitencomplex ook ontslag op grond van ongeschiktheid anders dan wegens ziels- of lichaamsgebreken rechtvaardigde, het voorgenomen ontslagbesluit alsnog of subsidiair op die grond zou worden gebaseerd. De Raad is van oordeel dat een dergelijke aankondiging niet ongeoorloofd was noch dat die aankondiging er aan in de weg stond appellant ongeschiktheidsontslag te verlenen. Hierbij laat de Raad nog daar dat gedaagde 1 voor die vorm van ontslag in plaats van voor strafontslag heeft gekozen om het nadeel van het ontslag voor appellants loopbaanperspectieven te beperken.

10.6. Het overwogene in 10.1. tot en met 10.5.2. brengt mee dat uitspraak 1 moet worden bevestigd voorzover die uitspraak betrekking heeft op het bij het bestreden besluit van 4 oktober 1999 gehandhaafde ontslagbesluit.

Schorsing en ontzegging toegang.

11. Appellant heeft ook naar het oordeel van de Raad door zijn in 10. tot en met 10.5.2. vermelde gedragingen ernstig inbreuk op het in hem te stellen vertrouwen gemaakt. Gedaagde 1 kon naar het oordeel van de Raad in redelijkheid menen dat gezien de aard van die gedragingen, het voortgaand karakter en de invloed daarvan op appellants werkomgeving, niet kon worden gevergd dat appellant in afwachting van zijn ontslag of eventuele (andere) disciplinaire maatregelen in de gelegenheid werd gesteld zijn werkzaamheden te blijven verrichten. De Raad meent dan ook dat gedaagde 1 op goede gronden heeft kunnen oordelen dat het dienstbelang vergde dat appellant werd geschorst en dat hem de toegang tot de dienstgebouwen werd ontzegd.

11.1. Appellant heeft betoogd dat bij het totstandbrengen van het schorsingsbesluit van 4 december 1998 met name artikel 4:8 van de Awb is geschonden, omdat hem niet de gelegenheid is geboden zijn zienswijze op een voornemen tot schorsing en ontzegging van de toegang te geven. Gedaagde 1 heeft ermee volstaan het reeds genomen schorsingsbesluit op 4 december 1998 tijdens een om 9.25 uur aangevangen bijeenkomst aan appellant voor te lezen en uit te reiken, waarna de schorsing en ontzegging van de toegang onmiddellijk ingingen. Appellant is daarbij de gelegenheid geboden zijn zienswijze schriftelijk, binnen vijf werkdagen nadien, of mondeling op 11 december 1998 te geven.

11.2. De Raad kan niet inzien waarom gedaagde 1 appellant op 4 december 1998 niet de gelegenheid had kunnen bieden diens mondelinge visie op het hem verwetene te geven voordat het besluit tot schorsing en ontzegging van de toegang werd genomen. Dat had een snelle besluitvorming niet in de weg gestaan. Voor het bieden van bedoelde gelegenheid was, nu appellant al herhaaldelijk geattendeerd was op zijn te laat komen en zijn tekortschieten bij de verlofregistratie, vooral aanleiding ten aanzien van de verwijten inzake het telefoongedrag, nu appellant die verwijten eerst bij het voorlezen van het schorsingsbesluit kenbaar werden gemaakt.

11.3. Toch ziet de Raad geen aanleiding het bestreden besluit van 4 oktober 1999 voor wat betreft de daarbij gehandhaafde schorsing niet in stand te laten. Vastgesteld moet worden dat appellant de wel geboden gelegenheden om zijn zienswijze te geven, niet of eerst na verkregen uitstel heeft benut. Zo heeft hij tijdens het gesprek van 4 december 1998 het voorlezen van het schorsingsbesluit alleen aangehoord en niet de gelegenheid benut om terstond opening van zaken inzake zijn telefoongebruik te geven. Nadat hem de mogelijkheid was geboden om zich op 11 december 1998 mondeling te verantwoorden, heeft hij om uitstel verzocht. Appellant heeft er voor gekozen zijn zienswijze eerst tijdens de zitting van de president van de rechtbank Amsterdam van 15 december 1998 te geven bij de behandeling van zijn verzoek om voorlopige voorziening, waarna hij zich eerst op 18 december 1998 mondeling jegens gedaagde 1 heeft verantwoord. De Raad meent dan ook dat appellant door het niet naleven van artikel 4:8 van de Awb niet zozeer is benadeeld dat het schorsingsbesluit bij het bestreden besluit van 4 oktober 1999 had moeten worden herroepen of alsnog van een latere ingangsdatum had moeten worden voorzien. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat gedaagde 1 geen toepassing aan artikel 91, eerste lid, aanhef en onder b, van het ARAR heeft gegeven, maar in plaats daarvan heeft gekozen voor schorsing in het belang van de dienst, teneinde appellant tot de ingangsdatum van zijn ontslag de volle bezoldiging te laten behouden.

11.4. Het vorenoverwogene brengt mee dat uitspraak 1 ook moet worden bevestigd voorzover die uitspraak betrekking heeft op het bij het bestreden besluit van 4 oktober 1999 gehandhaafde schorsingsbesluit.

Terugvordering.

12. Onder verwijzing naar hetgeen hij heeft overwogen omtrent het standpunt van partijen met betrekking tot de gronden waarop gedaagde het ontslagbesluit heeft gebaseerd onderschrijft de Raad het oordeel van de president van de rechtbank Amsterdam dat, nu appellant zich niet heeft gehouden aan het binnen de rechtbank [naam Arrondissement] gangbare systeem van verlofopname en -registratie, appellant het risico dient te dragen van het mogelijk niet meer geheel juist kunnen vaststellen van het teveel genoten aantal verlof-uren. Ook in dit verband merkt de Raad op het onaannemelijk te achten dat er tussen partijen met betrekking tot het compenseren van werken op vrijdagmiddagen een afspraak bestond als door appellant is gesteld. De Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde genoegzaam de omvang van de in aanmerking te nemen door appellant genoten vakantie-uren heeft gemotiveerd, zodat uitspraak 1 ook voor wat betreft dit deel van het bestreden besluit van 4 oktober 1999 dient te worden bevestigd.

13. Nu uitspraak 1 in haar geheel moet worden bevestigd, kan appellant geen aanspraak maken op vergoeding van schade die hij stelt door het ontslag, de schorsing en ontzegging van toegang te hebben geleden. Derhalve moet appellants verzoek tot het houden van een schadestaatprocedure worden afgewezen.

Het besluit van 22 november 1999 (uitspraak 3): wachtgeld.

14. Bij besluit van 13 april 1999 is appellants aanvraag om toekenning van wachtgeld op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (hierna: Rwb), met toepassing van artikel 5, vierde lid, aanhef en onder c, afgewezen, omdat gedaagde 2 uit het bij de aanvraag gevoegde ontslagbesluit was gebleken dat appellant zich zodanig verwijtbaar had gedragen dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn gedrag ontslag ten gevolge zou kunnen hebben. Het bezwaar tegen het besluit van 13 april 1999 is bij het bestreden besluit van 22 november 1999 ongegrond verklaard.

15. Bij uitspraak 3 is het beroep tegen dit laatste besluit ongegrond verklaard.

16. Naar aanleiding van het hoger beroep tegen uitspraak 3 overweegt de Raad als volgt.

16.1. Ingevolge artikel 5, vierde lid, aanhef en onder c, van het Rwb, heeft de betrokkene geen recht op wachtgeld indien gedaagde 2, in het onderhavige geval gehoord gedaagde 1, van oordeel is dat het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te wijten. Zoals de Raad reeds vaker ten aanzien van deze bepaling en vergelijkbare bepalingen in andere ambtenarenreglementen heeft overwogen (bijvoorbeeld CRvB 22 oktober 1998, TAR 1998, 188), is daartoe vereist dat het bestuursorgaan niet alleen in toereikende mate onderbouwt dat de betrokken ambtenaar in zijn functioneren is tekortgeschoten, maar ook zodanige feiten aanvoert dat daarop redelijkerwijs de conclusie kan worden gebouwd dat dit tekortschieten de ambtenaar valt toe te rekenenen en het binnen zijn vermogen lag daarin verbetering te brengen.

16.2. De Raad is van oordeel dat gedaagde 2 met zijn verwijzing naar het ontslagbesluit toereikend heeft onderbouwd dat appellant in zijn functioneren is tekortgeschoten. Eveneens heeft gedaagde 2 uit de aan het ontslagbesluit ten grondslag gelegde gegevens terecht afgeleid dat dit tekortschieten appellant viel toe te rekenen en dat het in zijn vermogen lag daarin verbetering te brengen. Appellant is op het te laat komen en zijn tekortschieten bij de verlofregistratie veelvuldig aangesproken en heeft alle gelegenheid gekregen zich te verbeteren. Terzake van het buitensporige privé gebruik van de diensttelefoon op kosten van zijn werkgever en voornamelijk via het toestel van een collega, kon appellant ook zonder dat hij daarop was aangesproken volstrekt begrijpen dat dit uiterst onbehoorlijk was en in strijd was met wat van hem mocht worden verwacht. Gedaagde 2 heeft derhalve in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat het ontslag aan eigen schuld of toedoen was te wijten.

16.3. In het onderhavige geval kon gedaagde 2 zich voor dit oordeel in belangrijke mate op het ontslagbesluit en de daarin vervatte gegevens baseren. Het verwijt dat gedaagde 2 daarbij klakkeloos te werk is gegaan, treft geen doel.

16.4. Ingeval van eigen schuld of toedoen bestaat geen recht op wachtgeld, hetgeen - zoals de Raad in zijn in TAR 1998, 188 gepubliceerde uitspraak ten aanzien van een verwante bepaling heeft aangegeven - betekent dat het betrokken bestuursorgaan dan niet meer tot belangenafweging is gehouden. De Raad ziet geen grond voor appellants niet onderbouwde stelling dat gedaagde 2 bij afweging van belangen had moeten overwegen om van (artikel 5, vierde lid, aanhef en onder c, van) het Rwb af te wijken.

16.5. Het vorenoverwogene betekent dat ook uitspraak 3 moet worden bevestigd.

Slotsom.

17. Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat de uitspraken 1, 2, 3 en 4 moeten worden bevestigd. Nu de Raad voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding ziet, wordt derhalve als volgt beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Rechtdoende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter, en mr. T. Hoogenboom en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van N. Doekharan als griffier, en uitgesproken op 1 augustus 2002.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) N. Doekharan.

HD

25.07

Q